Update van een klassieker: Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn ?

Auteur: 
Rik Vermeersch

Zowat 40 jaar geleden publiceerde historicus Jaak Brepoels een geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging1. Het boek ging als zoete broodjes over de toonbank en werd vooral in progressieve milieus gretig gelezen. Ondertussen is heel wat bijkomend onderzoek gebeurd, goed voor een volledig herwerkte editie. En geen dag te vroeg: in de huidige context van regelrechte aanvallen op onze sociale zekerheid, ons stakingsrecht, onze vakbonden en ziekenfondsen is een geactualiseerde geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging meer dan nodig.

De auteur geeft in zijn boek blijk van een grote passie voor sociale geschiedenis en een uitgesproken respect voor de werkende klasse. Hij schat de rol van gewone mannen en vrouwen die door hun strijd sociale vooruitgang afdwongen, ten volle naar waarde. 

Sociale strijd is als eb en vloed: “Wie de voorbije anderhalve eeuw in zijn geheel overschouwt, ontwaart een steeds terugkerend patroon: periodes van harde confrontaties tussen kapitaal en arbeid in de vorm van oproer, stakingen en betogingen, afgewisseld met jaren van relatieve sociale rust, waar het straatprotest in realisaties gevaloriseerd werd en de arbeidsverhoudingen werden uitgediept.”

Wie eerder aarzelt om een geschiedeniswerk ter hand te nemen, hoeft zich bij dit werk niet te laten afschrikken: het boek leest als een trein en is veelvuldig geïllustreerd.

De Belgische Revolutie geconfisqueerd 

Jaak Brepoels start zijn relaas in 1830, toen ons land nog onder Hollands bewind stond. In Brussel leeft een groeiende arbeidersklasse in ellendige omstandigheden. Een verhoging van de belastingen op malen en slachten doet de spreekwoordelijke emmer overlopen. De kleine burgerij van advocaten, journalisten en kleine ambachtslui wil democratische hervormingen en volgt met argusogen de revolutie in Parijs. Een revolutionair proces komt op gang: het proletariaat bevolkt de barricaden en verslaat de Hollandse troepen. Maar de arbeidersklasse is niet duurzaam georganiseerd. De burgerlijke leiders trekken de macht naar zich toe en buigen de opstand in hun voordeel om. Na directe tussenkomst en met financiële hulp van de familie Rothschild wordt Leopold van Saksen-Coburg en Gotha de eerste koning van België. De 40.000 rijksten verkiezen een parlement. De werkende klasse heeft weinig of niets gewonnen. De wet Le Chapelier verbiedt de arbeiders zich te organiseren. Staken is illegaal. Bij protestacties worden de ‘aanstokers’ afgedankt.

Er volgt een lange periode van kapitalistische accumulatie, industriële ontwikkeling en groei van de arbeidersklasse. De arbeidsomstandigheden zijn verschrikkelijk. Arbeiders werken zes dagen per week, minstens 12 uur per dag. Kinderarbeid komt algemeen voor, in de steenkoolmijnen zelfs vanaf 6 jaar. De lonen zijn zeer laag. De fabriekseigenaars zijn oppermachtig. Slechte huisvesting, eenzijdige voeding, wijd verbreid alcoholisme… even zovele factoren die mee aan de basis liggen van de korte levensverwachting. De Kerk kiest de kant van de nieuwe rijken en roept de arbeiders op zich te schikken in hun lot. Een oproep die maar weinig impact heeft, want opstanden blijven niet uit. De opgekropte woede uit zich eerst in de vernieling van machines en de plundering van bakkerijen. Maar geschoolde vaklui beseffen al snel de noodzaak van organisatie: ze richten hulpkassen en mutualiteiten op. Later zullen de wevers en spinners in Gent onder de dekmantel van een bijstandskas de eerste fabrieksvakbond in het leven roepen. Jacob Kats, een wever die zich had opgewerkt tot onderwijzer, is in Brussel in de jaren na de Belgische revolutie een van de eersten die de arbeiders op sleeptouw kan nemen. 

Proudhon, een Franse anarchist die pleit voor een parallel systeem van coöperaties naast het kapitalisme, heeft een grote invloed. Hij krijgt echter tegenwind van de jonge Karl Marx, die tussen 1845 en 1848 in Brussel de theoretische basis legt voor de socialistische arbeidersbeweging. Hij is de centrale figuur bij de stichting van de Eerste Internationale van Arbeidersverenigingen in Londen (1864). Deze nieuwe organisatie kent in veel Europese landen een stormachtige ontwikkeling. In België groeit ze na belangrijke stakingen in de Borinage en Charleroi uit tot 60.000 leden. Nieuwe organisatievormen (vakbonden, mutualiteiten en coöperaties) en nieuwe ideeën zien het licht.

Het zijn ook leden van de Internationale die in Parijs de eerste arbeidersstaat leiden, de Commune van Parijs (1871). Nadat de Commune bloedig wordt neergeslagen, kent de beweging een periode van neergang en reorganisatie. 

De strijd voor het algemeen stemrecht en de Belgische Werkliedenpartij 

Ook in België groeit de nood aan een nieuwe arbeiderspartij. In café De Zwaan op de Grote Markt van Brussel wordt in 1885 de Belgische Werklieden Partij (BWP) gesticht. De jonge partij verenigt 59 groepen, voornamelijk uit Brussel en Vlaanderen. De invloed van het marxisme en het proudhonisme is aanwezig, maar van in het begin wordt het programma herleid tot onmiddellijk realiseerbare punten. Het algemeen stemrecht is de belangrijkste eis. 

In enkele tientallen jaren tijd ontstaat in het hele land een netwerk van coöperatieven, volkshuizen, mutualiteiten, spaarkassen en vakbonden. Op basis van hun ledenaantal krijgen die organisaties stemrecht in de BWP.

Aan de arbeidswetgeving is er ondertussen weinig veranderd. Tot in 1886 een algemene staking in de provincies Luik en Henegouwen de heersende macht doet beven. Wat begon als een herdenking van de Commune van Parijs in de stad Luik, groeit uit tot een massale opstand van mijnwerkers en fabrieksarbeiders. In Charleroi worden 24 arbeiders doodgeschoten en vallen er meer dan 100 gewonden. De Belgische burgerij is zwaar aangeslagen. Er wordt een parlementaire onderzoekscommissie opgericht die de leef- en werkomstandigheden van de arbeiders moet onderzoeken. Van dan af zal de sociale wetgeving schoorvoetend veranderen.

Tot aan de Eerste Wereldoorlog is het algemeen stemrecht de centrale eis waarrond de BWP de eigen partij en haar bondgenoten mobiliseert. De partijtop is van mening dat via het algemeen stemrecht geleidelijk kan overgegaan worden naar het socialisme. Een revolutie is dan niet langer nodig. Een eerste grote algemene staking in 1893 levert het algemeen meervoudig stemrecht op. Alle mannen van 25 jaar kunnen voortaan stemmen, de hogere inkomens krijgen wel nog 2 of 3 stemmen. De eerste deelname van de BWP aan de verkiezingen van 1894 levert 28 verkozenen op. De intellectuele partijleiders Vandervelde en Bertrand worden verkozen door de mijnwerkers in Charleroi en de steenhouwers van Nijvel, de Gentse BWP-leider Anseele komt in het parlement dankzij de stemmen van de Luikse arbeiders. Voor het eerst komen er ook arbeiders in het halfrond. Ze gebruiken hun mandaat om de wantoestanden aan te klagen.

Tot aan de Eerste Wereldoorlog wordt de strijd voor het enkelvoudig stemrecht (1 man = 1 stem) verder gezet met betogingen en twee algemene stakingen (1902 en 1913). De partijtop heeft het niet zo begrepen op het gebruik van het stakingsmiddel. Voor hen staat de parlementaire activiteit en de uitbouw van eigen organisaties voorop. In die periode werken socialisten en liberalen nauw samen tegen de katholieke partij. Het antiklerikalisme in beide stromingen zal de opkomst van een autonome christelijke arbeidersbeweging in de hand werken. Binnen de corporatistische katholieke organisaties groeit stap voor stap een arbeidersvleugel, die in 1912 uitmondt in de stichting van het ACV.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog is de BWP met al haar deelorganisaties uitgegroeid tot een grote partij. De christelijke arbeidersbeweging is stilaan autonoom geworden, ontwikkelt zich snel en wordt (vooral in Vlaanderen) een belangrijke concurrent. Toch is de sociale toestand van de arbeidersklasse er maar weinig op vooruitgegaan. 

De BWP in de regering 

De auteur heeft het nauwelijks over de houding van de BWP juist voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog, of over de invloed van de Russische (1917) en de Duitse revolutie (1918) en de stichting van de Derde (communistische) Internationale. Wel stelt hij vast dat de schrik voor het communisme veel zaken in beweging zet na de oorlog. Op 11 november 1918, de dag van de wapenstilstand, trekt een select gezelschap met onder meer Emile Francqui (Generale Maatschappij), de liberaal Janson en Anseele (BWP) naar koning Albert in het kasteel van Loppem. “In een riante omgeving werden een aantal verregaande beslissingen genomen. Socialisten waren geen oproerkraaiers gebleken en dat werd gewaardeerd. De BWP kreeg met de toezegging van het algemeen mannelijk stemrecht en de vakbondsvrijheid wat het gevraagd had.” In deze context krijgt de BWP drie ministers in een regering van nationale eenheid. De krachtsverhoudingen blijven nog enkele jaren voordelig en de automatische loonindexering (1920) en de achturendag worden gerealiseerd. De vakbonden groeien uit tot grote organisaties met vrijgestelden, eigen lokalen en een massa leden. In de periode tussen de twee wereldoorlogen sterft “het oude reformisme, dat een revolutionair verbalisme koppelde aan kortetermijndoelstellingen, een stille dood, ten voordele van een parlementaire strategie. Die bood evenmin uitzicht op een spoedige doorbraak, omdat de arbeidersklasse alleen nooit de parlementaire meerderheid kon halen.”

Uit die periode (1921) dateert ook de stichting van de Kommunistische Partij van België. De eerste tien jaar blijft de KPB een kleine partij. Het is pas in 1932, in volle economische crisis en nadat de mijnwerkers in de Borinage massaal het werk neerleggen, dat de KPB zich fors kan verankeren. 

De staking breidt uit naar Charleroi en La Louvière, en neemt revolutionaire proporties aan. “De staking kende een relatief succes omdat ze aan de opeenvolgende loondalingen en aan het deflatiebeleid een einde maakte.” 

Vier jaar later, in 1936, worden de bakens opnieuw verlegd: in de Antwerpse haven breekt een algemene staking uit nadat fascisten twee socialisten doodschoten. Ze breidt snel uit naar Wallonië en keert zich tegen het patronaat met de eis voor hogere lonen, een minimumloon, arbeidsduurverkorting en jaarlijkse vakantie. “De staking overtrof alle vorige door haar omvang, het gemeenschappelijk front van alle vakbonden en haar radicalisme.” De meer dan een half miljoen stakers slagen in hun opzet. Sinds de staking van 1936 kunnen loontrekkers jaarlijks met vakantie.

De laatste jaren voor de Tweede Wereldoorlog staan in het teken van de strijd tegen het fascisme onder meer met de steun aan de Spaanse republikeinen en de Duitse politieke vluchtelingen. Tot een Volksfront zoals in Frankrijk komt het echter niet en dat is vooral te wijten aan de sterke anticommunistische stroming binnen de BWP, de socialistische vakbond en de christelijke arbeidersbeweging. 

Verdeelde opstelling bij het begin van de Duitse bezetting 

Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog en de bezetting heft Hendrik De Man, voorzitter van de BWP, de partij op; en hij roept op tot samenwerking met de Nieuwe Orde. Vanuit de Syndicale Commissie, de vakbondsvleugel van de BWP, geven 12 van de 22 centrales gehoor aan die oproep. 

Maar er is ook verzet en wel van de kant van het Onafhankelijkheidsfront, een koepel die geleid wordt door de KPB. In zo veel mogelijk bedrijven worden syndicale strijdcomités georganiseerd. Onder leiding van KPB-woordvoerder, Julien Lahaut leggen op 1 mei 1941 100.000 arbeiders het werk neer in Luik. De KPB betaalt een hoge prijs voor haar voortrekkersrol in het verzet: van de 10.000 leden in het begin van de oorlog overleeft zo'n 20 % de bezetting niet. Maar onmiddellijk na de oorlog stromen de leden toe: op korte tijd groeit de partij naar 80.000 leden.

De vrees voor een radicalisering aan de basis en voor mogelijke onlusten bij de bevrijding drijft sommige vakbondsleiders en patronale kringen in het bezette België in elkaars armen. Enkele maanden voor de bevrijding bereiken ze een akkoord: het sociaal pact, dat het handvest van de naoorlogse politiek zou worden.

De socialistische partij met Achiel van Acker en Spaak komt snel na de oorlog mee aan de macht. Al op 28 december 1944 wordt de basis gelegd van de sociale zekerheid. Een besluitwet regelt de pensioenen, de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de werkloosheidsverzekering, de gezinstoeslagen en de jaarlijkse vakantie. Eerste minister Achiel van Acker: “Ingrijpende economische structuurhervormingen of nationalisaties zijn niet aan de orde. Het economisch herstel eiste alle aandacht op.” Van Acker zal elke staking of verzet tegen het beleid breken.

Vanaf juni 1947 worden de Ondernemingsraden, de Comités voor Veiligheid en Gezondheid (samengesteld via sociale verkiezingen), de syndicale delegatie en de Nationale Arbeidsraad wettelijk opgericht.

Het ABVV is het resultaat van de samensmelting van de Syndicale Strijdcomités, geleid door de KPB, met wat overbleef van de Syndicale Commissie van de BWP, de ASOD (overheidsvakbond) en de MSU van de Luikse vakbondsleider André Renard. Onder druk van de Verenigde Staten wordt een anticommunistische heksenjacht ingezet. De Koude Oorlog en een aantal fouten van de KPB kalven de invloed van de partij verder af.

De heropstanding van het ACW was tijdens de oorlog goed voorbereid via de KWB. De nieuw opgerichte CVP slaagt er echter in de politieke rol van het ACW te minimaliseren. Voortaan moet de KWB zich toeleggen op apostolaatswerking onder volwassen arbeiders.

In 1949 ontstaat grote beroering over de mogelijke terugkeer van koning Leopold III. De socialisten richten actiecomités op. In Vlaanderen is het vooral de CVP die met succes campagne voert voor de terugkeer van de koning. In een referendum stemt een meerderheid in Wallonië tegen en een meerderheid in Vlaanderen voor de terugkeer. Er breekt een algemene staking uit in Wallonië, stakingen in Gent en Antwerpen volgen. Na enkele aanslagen op de spoorweginfrastructuur roept de regering de staat van beleg uit. In Grâce-Berleur opent de politie het vuur op de stakers en vallen er drie doden. De dag nadien maken de stakers zich op voor een mars op Brussel. Uiteindelijk zal Leopold troonsafstand doen ten voordele van zijn zoon Boudewijn. Kort na de kroning wordt Julien Lahaut, voorzitter van de KPB, vermoord voor zijn woning te Seraing. De moord is het werk van een anticommunistisch netwerk, gefinancierd door de haute-finance.

Van Arm Vlaanderen naar Arm Wallonië 

In de jaren vijftig wijzigt geleidelijk het industriële landschap. Mijnbouw en zware industrie in Wallonië worden minder belangrijk. Vlaanderen kent een hoog groeiritme met investeringen in de chemie, de petrochemie en de autoassemblage.

Binnen het ABVV wordt een programma ontwikkeld voor antikapitalistische structuurhervormingen en economische democratie. Heel wat punten van dat programma doen denken aan het vooroorlogse Plan van de Arbeid. In het ACV ontstaat een stroming die wil breken met de ‘betuttelende CVP’ en een eigen christelijke arbeiderspartij wil oprichten.

Met het oog op de financiering van een groot economisch expansieprogramma werkt eerste minister Gaston Eyskens in 1960 een soberheidsprogramma uit. Dat programma, later bekend als de Eenheidswet, voorziet in een sanering van de overheidsfinanciën door een verhoging van de directe belastingen en een daling van de sociale uitgaven. Vanaf 21 november 1960 groeit in beide vakbonden een stakingsbeweging die het hele land op zijn kop zet. Opvallend is het interprofessionele karakter: niet alleen arbeiders en ambtenaren maar ook bedienden leggen het werk neer. Aan de basis staken zowel socialistische als christelijke arbeiders. In Wallonië en Brussel vinden massabijeenkomsten plaats. De staking zal verschillende weken duren en bereikt een hoogtepunt op 5 januari 1961 met 700.000 stakers. Een week later wordt de Eenheidswet goedgekeurd en brokkelt de staking af. Rond André Renard heeft zich in die periode een regionalistische stroming ontwikkeld met een anarchosyndicalistische onderstroom. 

De Belgische Socialistische Partij (BSP) concentreert zich op het parlementaire werk en zal in 1964 de linkervleugel van ‘renardisten’ en trotskisten uit de partij zetten. Electoraal moet de BSP wel zware verliezen incasseren. (in 1965: - 8,5 %).

In de jaren zestig doet de Belgische economie het goed. Met langlopende arbeidsovereenkomsten en centrale akkoorden worden de vakbonden nauw bij het beleid betrokken. Gemiddeld zijn er nauwelijks 50.000 werklozen. Het beschikbare inkomen verdubbelt tussen 1958 en 1973. Baanbrekend is de strijd van de arbeidsters van FN Herstal: ze staken twaalf weken voor gelijk loon voor vrouwen.

Begin de jaren zeventig vangt een nieuwe periode aan. Er worden niet minder dan 698 stakingen geteld, bijna allemaal buiten de vakbonden om. Geradicaliseerde studenten die in mei 1968 aan de universiteiten in verzet gaan, trekken naar de fabrieken om de stakingen te steunen. Aanvankelijk gaan veel vakbondsleiders in tegen de stakingsgolf, maar vanaf 1972 worden spontane conflicten gemakkelijker erkend.

Tot 1977 blijft het aantal stakingen vrij hoog, zeker in vergelijking met andere Europese landen. Ook bedrijfsbezettingen komen vaak voor.

Crisis drijft arbeidersbeweging in het defensief 

Maar stilaan wordt de economische crisis voelbaar. De vakbonden nemen zelf het initiatief voor nieuwe nationale stakingsbewegingen: in maart 1977 de vrijdagstakingen tegen het Egmontplan en in 1981 tegen het Maribelplan van de regering Eyskens. Maar het wordt steeds moeilijker om nieuwe voordelen te realiseren. De veralgemening van de 38-urenweek in 1986 is zowat de laatste grote realisatie. De kloof tussen werkenden en niet-werkenden verbreedt. Grote industriële sectoren (staal, scheepsbouw, de laatste mijnen) verdwijnen uit de economie. 

Links heeft het niet gemakkelijk. In 1978 wordt de BSP gesplitst. In 1981 halen Agalev en Ecolo hun eerste verkozenen, de KPB zijn laatste twee.

Rechts en extreemrechts worden sterker. Het Vlaams Belang haalt in 1988 in één klap 10 zetels in de gemeenteraad van Antwerpen. SP en PS verzeilen met het Agustaschandaal in een ernstige crisis. Bij de PS wordt voorman Andre Cools vermoord.

De jaren negentig staan op politiek en sociaal vlak volledig in het teken van de Europese muntunie. Het zijn de jaren van volmachten, loonmatiging, privatiseringen en vrijwaring van de competitiviteit. Regeringen met socialisten, christendemocraten en liberalen, allen tappen ze uit hetzelfde vaatje. Een nationale stakingsbeweging tegen het Globaal Plan in 1993 gaat daar tegenin.

Binnen de sociaaldemocratie maakt de ‘derde weg’ van Tony Blair opgang. In heel Europa werkt de sociaaldemocratie actief mee aan de sociale afbraak. In Vlaanderen haalt het marketingdenken de bovenhand met ‘reclamejongen’ Patrick Janssens. Het zal niet beletten dat de SP.A electoraal afkalft. De PS kan het langer uithouden.

Eind 2005 kent ons land nog een grote algemene staking tegen het Generatiepact. De breuk tussen de arbeidersbeweging en de socialistische partijen wordt nu voor iedereen duidelijk.

Het boek eindigt met de groeiende rol van het middenveld en de opkomst van Hart Boven Hard.

Het had iets meer mogen zijn 

De auteur geeft het in zijn voorwoord zelf aan: hoe dichter we vandaag naderen, hoe grijzer de neutrale, geobjectiveerde zone wordt. Geschiedenis schrijven over de arbeidersbeweging van de laatste 50 jaar is sowieso niet evident. Maar vanaf de jaren zestig gaat het boek teveel de politieke toer op en komt het leven en de strijd van de werkende klasse te weinig aan bod. Grote stakingen in bedreigde sectoren (staal, scheepsbouw, mijnen, autoassemblage) worden soms afgedaan met één regel. Sommige evoluties worden louter aangehaald maar niet verder uitgediept: de ontzuiling, de evolutie van de socialistische partijen naar kiesverenigingen en de groeiende afstand tussen de verkozenen en de gewone man in de straat.

Een overzicht van de geschiedenis kan nooit compleet zijn, het bestaande materiaal is daarvoor te uitgebreid. Maar de auteur besteedt te weinig aandacht aan de eerste ‘socialisten’: Cesar De Paepe, Jacob Kats en vooral Karl Marx, die in Brussel gedurende drie jaar een erg productieve periode kende. Ook de alliantie tussen de leiding van de BWP en de liberalen en de gevolgen ervan voor de evolutie van de BWP verdienen verdere uitdieping. We denken in dit verband bijvoorbeeld aan het feit dat in geen enkel land de splitsing tussen de socialistische en de christelijke arbeidersbeweging zo groot is als bij ons. Welke rol heeft het ingebakken antiklerikalisme bij de BWP daarin gespeeld? Het gebrek aan ideologische en politieke discussie in de BWP was frappant en in tegenstelling tot veel andere landen was er ook geen sterke linkse oppositie. Hoe komt dat?

Jammer ook dat de communistische beweging nauwelijks aandacht krijgt. De auteur onderkent nochtans het belang ervan want hij schrijft: “De grootste maatschappelijke vooruitgang werd geboekt omdat de kapitalisten bereid waren tot een compromis met de sociaaldemocratie, uit schrik dat het communisme en erger nog het bestaan van een vijandig blok het maatschappelijke evenwicht zou bedreigen.” De grootste sociale vooruitgang kwam er juist na de Eerste Wereldoorlog (het akkoord van Loppem) en juist na de Tweede Wereldoorlog. Telkens was de schrik voor opstand en voor het communisme doorslaggevend. Ook het belang van de PVDA wordt onderschat. Wie de arbeidersbeweging al een tijd volgt, weet dat de PVDA op veel strijdbewegingen een grote invloed had.

En tot slot: het is aan te raden een volgende editie van de Belgische geschiedenis ook meer in de Europese context te kaderen. Hoewel, er is een precedent: Leo Michielsen schreef al een referentiewerk over de geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging.

Wat zoudt gij zonder 't werkvolk zijn blijft ondanks die paar minpunten een aanrader. Geen enkel ander naslagwerk biedt zo'n uitgebreid en gedetailleerd overzicht van de sociale geschiedenis van ons land.


1 Jaak Brepoels, Wat Zoudt gij zonder 't werkvolk zijn?, De Geschiedenis van de Belgische Arbeidersbeweging, 1830 -2015, uitg. Van Halewyck, 2015, 655 p.