Van dit Europees beleid hebben we genoeg!

Auteur: 
Henri Houben en Herwig Lerouge

Volgens Herman Van Rompuy, de voorzitter van de Europese Raad, gaat het de goede kant op met Europa. De groeiperspectieven voor het komende jaar zien er een pak beter uit. Hij zei dit tijdens een interview met de Vlaamse commerciële zender VTM. Van Rompuy stelde er aan het begin van dit verkiezingsjaar zijn balans voor. De werkelijkheid is helaas niet zo rooskleurig.

Een economische en sociale ramp

Terwijl bepaalde delen in de wereld inderdaad uit het economische dal aan het klauteren zijn, worstelen de meeste Europese staten nog steeds met de ergste problemen. Dat blijkt uit onderstaande grafiek.

Grafiek 1. Evolutie van het bruto binnenlands product per kwartaal, van Europa, de Verenigde Staten en Japan 2006-2013 (eerste kwartaal 2008=100)

Evolutie BBP van EU, USA en Japan 2006-2013

Bron: Eurostat, Nationale kwartaalrekeningen, Database, bbp naar volume: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/national_accounts/data/database#.

Noot: De vijftien landen van de Europese Unie die in de cijfers zijn opgenomen zijn Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal en Zweden.

Als we de drie grote wereldzones bekijken, hinkt Europa duidelijk achterop. Slechter nog: sinds 2011 is er zelfs nauwelijks een stijging te bemerken. In 2013 werd met veel bombarie de heropleving van de economie aangekondigd. In werkelijkheid zien we na zes opeenvolgende kwartalen in dalende lijn, slechts een schuchtere trilling van de grafiek.

De automobielsector is hier het perfecte voorbeeld van. De markt is ingestort en blijft maar in waarde dalen. De verkoop van personenwagens zakt voor het zesde jaar op rij.1 De autoverkoop in Europa (met 29 landen) daalde van 16 miljoen in 2007 naar ongeveer 12,2 miljoen in 2013 (in de veronderstelling dat de maand december de curve van de eerste elf maanden blijft volgen). Vergeleken met zes jaar geleden, telt de Europese automarkt wel 3,8 miljoen voertuigen minder. Dat komt overeen met de volledige omzet van een constructeur als Peugeot. Dit heeft natuurlijk ook onvermijdelijke gevolgen voor andere sectoren die deze multinationals bevoorraden: elektronica, banden, staalindustrie, mechanica, ...

Maar hoe kan het ook anders, wanneer we ons heil blijven zoeken in het ene bezuinigingsplan na het andere? Wanneer mensen het wat moeilijker hebben, is de eerste beslissing vaak om de aankoop van een nieuwe wagen nog wat uit te stellen, in elk geval zolang de oude het nog doet.

De werkloosheidscijfers zijn al even alarmerend en verbeteren helemaal niet. Dat zien we ook in grafiek 2.

Grafiek 2. Evolutie van het officiële werkloosheidscijfer en van het deeltijdswerk in de Europese Unie met 15 leden 1990-2013 (in %)

Evolutie werkloosheid en deeltijds werken in de EU 1990-2013

Bron: Eurostat, Enquête naar de arbeidskrachten, Database: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/employment_unemploym..., en Europese Commissie, de werkgelegenheid in Europa, verschillende jaren.

Noot: De vijftien landen van de Europese Unie die in de cijfers zijn opgenomen, zijn Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal en Zweden. De gegevens van 2013 zijn de meest recente: oktober 2013 voor de werkloosheid, de tweede helft van 2013 voor het deeltijdswerk.

Sinds de Tweede Wereldoorlog, was de werkloosheid nog nooit zo hoog. In Spanje en Griekenland zijn respectievelijk bijna 26 en 27 % van de actieve beroepsbevolking werkloos. Maar enkel wie actief werk zoekt en minder dan een uur per week werkt, wordt in deze officiële statistieken opgenomen. Zo bedraagt eind 2013 het officiële cijfer in België 9 %, maar in werkelijkheid betaalt de RVA2 een volledige werkloosheidsuitkering aan zo’n 665.000 mensen, ofwel 13,3 % van de actieve bevolking.3

De werkloosheid haalt in Europa opnieuw hetzelfde peil als midden jaren negentig, zonder dit evenwel te overschrijden. In werkelijkheid is het aantal mensen dat werkt met verminderde arbeidsduur, vermenigvuldigd. Waar het in 1990 over 13,8 % van de actieve bevolking ging, is dit cijfer in de tweede helft van 2013 opgelopen tot 22,8 %. In Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Ierland, maar ook in België, wordt vaak werk gecreëerd door bestaande jobs in twee te splitsen. Het zijn voornamelijk vrouwen die voor deze banen in aanmerking komen. Eind 2012 zijn 77,4 % van de ‘deeltijdwerkers’ vrouwen.4

Als gevolg daarvan is de armoede beduidend gestegen. Gewoonlijk wordt de armoedegrens bepaald op basis van het deel van de bevolking waarvan het loon minder dan 60 % van de inkomensmediaan bedraagt. Die mediaan komt overeen met het inkomen van een gezin dat zich precies in het midden van de sociale hiërarchie bevindt. Eurostat gebruikt een andere indicator: het gevaar om in de armoede en de sociale uitsluiting terecht te komen. Die combineert mensen die al in de armoede zitten en degenen die het moeilijk hebben om noodzakelijke goederen en diensten te verwerven. Naast de armoedegrens in functie van het mediaan inkomen telt men ook diegenen die belangrijke zaken ontberen en degenen die in gezinnen leven met een lage arbeidsintensiteit.

Eind 2012 leefden 123 miljoen mensen onder die armoedegrens. Dit is 24,8 % van de bevolking van de Unie (met 27 leden5). Dat is één burger op vier! Sinds 2009 is het aantal ‘armen’ met 8,8 miljoen gestegen. Laten we niet vergeten dat een van de doelstellingen van het plan Europa 2020 is, om 20 miljoen mensen uit de ellende te halen. Dat ziet er niet zo goed uit.

Het verschilt wel heel erg van land tot land. In Bulgarije leven tot 49,3 % van de mensen in armoede en in Roemenië tot 41,7 %. Geen wonder dus, dat de inwoners van deze twee landen er weg willen. Mocht het mediaaninkomen van Griekenland tussen 2010 en 2012 geen 21 % gezakt zijn, dan was de armoede er ongetwijfeld even hoog (nu bedraagt die 34,6 %). Maar ook in Letland (36,6 %), Litouwen (32,5 %), Hongarije (32,4 %), Spanje (28,2 %) en Ierland (rond de 30 %) is de situatie dramatisch.

De zogenaamde economisch beter ontwikkelde landen zijn evenmin gespaard gebleven. In Belgiëleven nu 21,6 % van de mensen in armoede (komend van 20,2% in 2009). In Groot-Brittannië is dit 24,1 % en in Duitsland rond de 20 %. Die achteruitgang in Duitsland dateert in feite vooral van de jaren voor de crisis: tussen 2005 en 2007 is het aantal werkende armen gestegen van 4,8 % van de werkende bevolking naar 7,4 %6.

Tegelijkertijd zien we fenomenen opduiken waarvan we hier op het oude continent dachten dat ze tot het verleden behoorden: gigantische krottenwijken aan de poorten van bepaalde hoofdsteden; de daklozen die steeds talrijker worden en nu ook in schijnbaar rijke wijken opduiken; kinderen jonger dan twaalf jaar die niet meer naar school gaan om wat geld voor hun familie te kunnen verdienen; mensen die door geldgebrek niet langer de zorgen krijgen die ze nodig hebben; musea, archeologische sites, infrastructuren die, door het terugschroeven van overheidsuitgaven, niet meer worden onderhouden en soms zelfs staan te vervallen; een stijging van het aantal zelfmoorden; ...

Maar morgen wordt alles beter, tenminste volgens Van Rompuy, dankzij het verstandige beleid dat nu al meerdere jaren wordt gevoerd.

Er was geen vuiltje aan de lucht

Van Rompuy zou ons graag doen vergeten dat toen de kredietcrisis in 2008 uitbrak, de leiders van de Europese Unie eerst verklaarden dat dit geen enkele invloed had op Europa. Maar met 8.000 miljard dollar activa in de Verenigde Staten, kon het niet anders dan dat de Europese banken de gevolgen van de recessie zouden voelen. Dit werd dan ook meteen duidelijk, toen de Lehman Brothers failliet gingen. Veel regeringen, zoals die van Ierland, België, Duitsland en Groot-Brittannië, moesten in zeven haasten opdraven om de plaatselijke kredietinstellingen te redden. Sinds 20087 is er 670 miljard rechtstreekse staatshulp naar de Europese banken gevloeid. Landen als Ierland of Griekenland sluizen momenteel honderden miljarden naar de financiële sector door. Maar hier worden enkel de Europese financiers mee gered en niet het Ierse of Griekse volk.

Ierland is hier het ideale voorbeeld van. Het wordt naar voor geschoven als modelleerling en zou er dankzij de middelen van de Commissie terug bovenop zijn gekomen.

Balans van een modelland

Een recente studie van Attac maakt de volgende balans op van Ierland.8 Sinds eind 2010 ontving Ierland voor zijn reddingsoperatie 67,5 miljard euro aan leningen. In diezelfde periode transfereerde het een totaalbedrag van 89,5 miljard euro naar de financiële sector. 55,8 miljard hiervan is terechtgekomen in de zakken van buitenlandse crediteurbanken. Intussen blijft de economische en sociale toestand in Ierland rampzalig: de Ieren zelf hebben geen euro van die miljarden gezien. Zij worden platgeslagen met de bezuinigingsmaatregelen die aan hun land worden opgelegd om deze onwettige schulden te betalen.

Tussen 2008 en 2010 was al voor 76,5 miljard euro aan overheidsmiddelen rechtstreeks of onrechtstreeks naar Ierse financiële instellingen doorgesluisd. De ECB heeft Ierland er zelfs toe verplicht de hefboomfondsen terug te betalen. De genationaliseerde Ierse banken moesten al hun schuldeisers terugbetalen, zelfs diegene die geen staatsgarantie hadden. Tijdens de vijf jaar operatie ‘Red de Ierse banken’ hebben de speculanten zo'n zes miljard euro overheidsgeld opgestreken.

Ex-beursmakelaar Paul Staines heeft een onvolledige lijst vrijgegeven met schuldeisers van de Anglo Irish Bank, de grootste Ierse bank die bankroet is. We vinden er namen op terug van grote internationale financiële instellingen zoals Allianz, Barclays, Crédit Suisse, Deutsche Bank, Goldman Sachs, HSBC en Société Générale.

De Ierse bevolking kreunt nog steeds onder loodzware besparingen om de herhaaldelijke reddingsoperaties van de financiële sector af te betalen. Ierland financiert zelf een deel van zijn ‘redding’ door 17,5 miljard euro op te hoesten. Hiervan komt tien miljard euro uit het openbare pensioenfonds, het National Pensions Reserve Fund (NPRF) dat eigenlijk was opgericht om de toekomst van de Ierse pensioenen te verzekeren. Maar het geld van het fonds is nu gebruikt voor de rechtstreekse herkapitalisatie van de banken. Eind 2013 besliste de regering om het NPRF om te vormen tot een beleggingsfonds. De bescherming van de toekomstige pensioenen was plots ‘geen prioriteit’ meer.

De BTW werd verhoogd naar 23 %, de kinderbijslag werd verlaagd, de werkloosheidsuitkeringen voor jongeren werden gehalveerd en het schoolgeld verdrievoudigd. In totaal loopt de sociale factuur sinds 2008 op tot meer dan 28 miljard euro. Dertig procent van de bevolking dreigt in de armoede of de sociale uitsluiting te belanden, een op tien mensen lijdt er honger. Het beschikbaar inkomen van het armste deciel van de bevolking is met 26 % gedaald, terwijl dat van het rijkste deciel met 8 % is gestegen. Dit laat duidelijk zien welke sociale keuzes het crisisbeleid heeft gemaakt. De helft van de achttien- tot vierentwintigjarigen denkt er over het land te verlaten en 300 000 mensen zijn in de laatste vier jaar al effectief geëmigreerd.

De Ierse economie is nog lang niet hersteld: het bruto binnenlands product (bbp) ligt nu 8 % lager dan voor de crisis. De werkloosheid bedraagt op dit ogenblik 12,6 %, wat drie keer zoveel is als tijdens de periode voor de crisis. 26,5 % van de jongeren tussen 15 en 24 vindt geen job. De staatsschuld, die tussen 2007 en 2010 als gevolg van de bankreddingen was opgelopen van 25 tot 91 % van het bbp, is volgens de recente prognoses in 2013 nog verder gestegen tot 124 %. Het is nu wel duidelijk wat het hoofddoel was van het financiële crisisbeleid: men wilde de Europese financiële sector redden en zo ook de onderliggende vermogens van de rijksten. Hiervoor heeft men de welvaart van de hele samenleving opgeofferd en is men bereid torenhoge werkloosheidcijfers, armoede en ellende te aanvaarden.

Gered dankzij de euro?

Aan het begin van de crisis klopten de Europese instanties zich op de borst. Dankzij de euro werd de Europese economie voor het ergste behoed. Begin 2009 publiceerde de Commissie rapporten vol lof voor de eindeloze wijsheid waarmee die grote monetaire zone was gecreëerd en dankzij dewelke een opeenvolging van devaluaties, zoals in 1993, kon worden vermeden.

De Griekse crisis in december 2009 hebben ze dan ook niet zien aankomen. Ze deden er acht maanden over om een plan te bedenken dat moest dienen als reactie op de internationale speculatie.

De Europese experts waren van mening dat Europa door de recessie werd getroffen omdat de lidstaten in het verleden fouten hadden gemaakt. Griekenland had met zijn rekeningen geknoeid om onrechtmatig tot de eurozone te kunnen toetreden. Het hield zich niet aan de voorwaarden inzake groei en stabiliteit (een begrotingstekort van maximaal 3 % van het bbp en een staatsschuld onder de 60 % van het bbp).

Maar in het geval van Spanje of Ierland was er helemaal geen fraude in het spel. In 2007 bedroeg de Spaanse staatsschuld 36,2 % van het bbp en die van Ierland 24,9 %. Tot in 2007 hadden beide landen zelfs een begrotingsoverschot.

Al deze landen worden nochtans door hetzelfde bezuinigingsprogramma en de sociale afbraak leeggezogen en verpletterd. Op economisch vlak werd het snel duidelijk dat deze programma’s erger zijn dan het kwaad dat ze moeten bestrijden. Een eenvoudige analyse maakt al snel duidelijk dat er in de gebieden die het meest door de economische crisis zijn getroffen, een gebrek aan activiteit is. Dit doet de belastinginkomsten kelderen en drukt op de begroting. Zo komen we in een negatieve spiraal terecht. Hierdoor komt het trouwens dat Europa tot op vandaag nog steeds niet uit de crisis raakt. De Europese politiek wordt slechts logisch, wanneer we de zaken vanuit het standpunt van de multinationals bekijken. Deze willen de grote buitenlandse markten veroveren, vooral die in de opkomende landen. De vraag op de binnenlandse markt is dus de minste van hun zorgen. De lonen worden voornamelijk gezien als een kost die zo veel mogelijk moet worden verlaagd. En is dat niet net waar besparingsplannen voor dienen? Ze hebben geen andere dieperliggende motieven en verklaren de onverzettelijkheid van de Europese instellingen.

De staatsgreep van Brussel

De Europese Unie wordt eigenlijk vanaf het begin geleid door de machtige werkgeversgroepen. Dit zijn onder andere de verschillende nationale werkgeversorganisaties, verenigd in de groep BusinessEurope en de Europese Ronde Tafel van Industriëlen (ERT). Hoewel deze organisatie amper vijftig leden telt, zijn zij het die aan het hoofd staan van de machtigste industriële groepen van Europa. Ze vertegenwoordigen een totaal zakencijfer van 1000 miljard euro en hebben 6,6 miljoen werknemers in dienst.

In het begin van de jaren tachtig komt de Ronde Tafel met haar voorstel voor een eengemaakte markt met een munt. Ze bedenken hiervoor strikte convergentiecriteria: dat worden de ‘Maastrichtnormen’. Begin 2002 beginnen ze met de voorbereidingen voor de volgende stap: het economisch bestuur. Het eengemaakt monetair gebied moet een eengemaakt economisch beleid voeren. Daarom is er een sterk economisch bestuur op Europees niveau nodig. Ze vinden dat de Europese Unie onvoldoende bevoegdheden heeft om met succes te kunnen deelnemen aan de steeds meedogenlozere concurrentiestrijd met de VS, Japan en de opkomende landen.

De vorige Europese Verdragen eisten dat de Staten hun overheidstekort onder de 3 % van het bbp hielden en dat hun staatsschuld niet hoger was dan 60 % van het bbp.

Deze doelen werden echter niet bereikt. De oorzaken hiervan zijn de economische crisis, de hulp aan banken en grote bedrijven, en het verzet van de werknemers tegen de ontmanteling van de sociale zekerheid. Door de jarenlange bezuinigingen is het aandeel van de inkomens van de werknemers in de nationale rijkdom sinds de jaren tachtig fel gedaald, maar nog niet voldoende voor Europa. Al voor de crisis had de bevolking niet veel op met het Europese beleid. Met 54,87 % nee-stemmen verwerpen de Fransen op 29 mei 2005 het ontwerp voor een Europees constitutioneel verdrag. Niet lang daarna volgt Nederland het Franse voorbeeld.

Men heeft het op een sluwe manier en met een andere naam toch laten doorgaan: het Verdrag van Lissabon. Het werd op 1 december 2009 van kracht. Ook de Ieren mochten tegen deze tekst stemmen zoveel ze wilden, er was toch niets aan te doen. De Europese overheden hebben hen laten herstemmen tot het uiteindelijk werd aangenomen.

Er heerste ook veel ongenoegen over de maatregelen die door de Lissabon-strategie werden opgelegd. Deze strategie – niet te verwarren met het Verdrag – werd in 2000 afgesloten. Toen ze werd uitgewerkt was een meerderheid van de Europese regeringen ofwel helemaal ofwel gedeeltelijk in handen van socialistische partijen. Dat was onder meer het geval in de grootste landen: Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk. Ze moest in het komende decennium, dus tegen 2010, van de Europese Unie de meest dynamische en competitieve (kennis) economie van de wereld maken. Het succes van deze strategie zou door twee kernindicatoren worden aangetoond: de werkgelegenheidsgraad9 moest de 70 % bereiken en het niveau van onderzoek en ontwikkeling (O&O) moest minstens 3 % van het bbp bedragen.10 De flexibele arbeidsduur, het tijdelijke werk en het deeltijdwerk, dit alles is massaal door de Lissabon-strategie uitgewerkt. Hier is de georganiseerde jacht op de werklozen begonnen, om ze super-actief te maken in de wanhopige zoektocht naar een baan. Maar we hebben nog veel meer aan de Lissabon-strategie te danken, zoals de geleidelijke afschaffing van het vervroegd pensioen, de toename van de uitzendkantoren, de privatisering van de telecomsector, van de post en de spoorwegen, de algehele commercialisering van het onderwijs en de gezondheidszorg, ... Een programma volledig naar de wensen van de Europese werkgevers.11

Op 31 december 2010 konden we de rekening opmaken. Bij alle vijftien landen die met het programma waren gestart, bedroeg de werkgelegenheidsgraad maximaal 65,4 % en O&O kwam niet hoger dan 2 % van het Europese bbp.12

Maar een crisis is het ideale moment om dingen te forceren. De Europese Commissie heeft handig gebruik gemaakt van de stofwolk die door de crisis is opgeworpen, om eindelijk uit te voeren wat het bij daglicht nooit had kunnen doen. De redding van de euro en van de eurozone blijkt het ultieme argument om nieuwe bevoegdheden naar de Europese instellingen over te hevelen, in de eerste plaats naar de Commissie.

De werkgeversorganisaties wilden al lang de speelruimte van de lidstaten inperken. Ze wilden ook dat ze sterker stonden tegen de weerstand van de vakbonden bij de opstelling van hun begroting en het bepalen van hun prioriteiten in het fiscale en sociale beleid. Ze eisten dat de begrotingen en belangrijkste maatregelen op economisch vlak van de lidstaten door de Europese instanties zouden worden doorgelicht vooraleer ze werden aangenomen. Maar ook dat ze, indien nodig, worden aangepast om zo tot een globale coherentie van de begrotingen te komen. En hun wil zal geschieden.

De nationale begrotingen van de lidstaten en hun sociale en economische plannen worden in een dwangbuis gedrongen en moeten telkens de goedkeuring van de Europese Commissie verkrijgen. Sinds 2009 zijn slechts vijf lidstaten aan de strikte en meedogenloze procedure voor het economische herstel ontsnapt: Denemarken, Estland, Finland, Luxemburg en Zweden. Alle andere zijn door dezelfde molen gehaald: inkrimping van het ambtenarenkorps, vermindering van de uitkeringen voor werklozen en gepensioneerden, afschaffing van diverse sociale voordelen, BTW-verhoging, verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, ...

Daarop volgt het six-pack, de benaming voor zes wetgevende maatregelen die aan de grondslag liggen van het economisch bestuur van de EU. Vier voorstellen gaan over de begrotingsdiscipline, twee nieuwe verordeningen beogen de efficiënte screening en aanpak van macro-economische wanverhoudingen binnen de EU en de eurozone. Het niet naleven van deze nieuwe Europese verbintenissen zal worden bestraft. Dat is een nieuwigheid in de Europese wetgeving.

Op 28 september 2011 keurde het Europees Parlement in Straatsburg dit geheel van zes maatregelen goed.

Vanaf 2012 gaat dan het zogeheten Europees semester in. Van januari tot juni bespreken de lidstaten met de Europese Commissie alle structurele hervormingen, maatregelen om de groei te bevorderen, om begrotingsdiscipline en de fiscale controles te verbeteren. Tijdens de tweede helft van het jaar moeten de lidstaten deze beslissingen omzetten en uitvoeren.

Dan is er nog het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de EU, kortweg het VSCB of Begrotingsverdrag. Dit Verdrag, een toepassing van de six-pack-maatregelen, werd op 2 maart 2012 door de 25 staats- en regeringshoofden van de Europese Unie ondertekend. De Belgische parlementen, met inbegrip van de afgevaardigden van de socialistische en groene partijen, hebben het bekrachtigd.

Het VSCB verplicht elk land om, op vlak van begroting, een middenlangetermijndoelstelling (MTD) aan te nemen die het structurele begrotingstekort van 0,5 % van het bbp niet mag overschrijden. Dit noemt men de ‘gouden begrotingsregel’. Men heeft dus het criterium van de 3 % begrotingsdeficit van Maastricht verstrengd en verplichtend gemaakt (en voorzien van sancties).

Om het Belgische tekort terug te brengen van 2,8 % in 2012 naar 0,5 % in 2015 zal de regering dus 11 miljard moeten besparen.

Indien de overheidsschuld van een van de landen 60 % van het bbp overstijgt, dan verbindt de regering zich ertoe deze overschrijding aan het tempo van een twintigste per jaar af te bouwen. De Belgische staatsschuld bedraagt 100 % van het bbp en loopt op tot 365 miljard. De regering voorziet een daling met 7,0 % van de schuldenlast tussen 2013 et 2016. Dat betekent een vermindering met 2,3 % per jaar.

Wanneer een land de regels niet naleeft, moet het bij de Commissie en de Europese Raad een programma indienen met dwingende structurele hervormingen. En indien het de doelstellingen niet haalt, riskeert het vanaf 2014 zelfs een boete van 0,2 % van het bbp. Voor België zou dit neerkomen op zo’n 700 miljoen euro.

De objectieven van het structurele hervormingspact zijn vastgelegd in de EU 2020-strategie. Dit is de opvolger van de Lissabon-strategie. De regeringen moeten aangeven hoe ze deze doelstellingen denken te halen. De Commissie vertelt hun niettemin welke pistes ze kunnen volgen. Om het werkgelegenheidsniveau te bereiken dat door de EU 2020-strategie op 75 % is vastgelegd, kan men kiezen uit: langer werken, de pensioengerechtigde leeftijd verhogen, flexibiliteit, deeltijdwerk en uitzendarbeid, de sociale bijdragen verminderen, de bescherming tegen ontslag afbouwen en de werkloosheidsuitkeringen inperken.

Tot nu toe vielen deze zaken officieel onder de nationale bevoegdheden. In theorie is dat nog altijd zo. Maar nu kan de Europese Commissie eindelijk tussenkomen bij het vastleggen van de lonen, de indexering, de sociale wetgeving en de fiscaliteit. Precies zoals de werkgevers van de Ronde Tafel en van BusinessEurope het wilden.

Tijdens een Congres in april 2013 – een jaar voor de verkiezingen dus – lanceert Paul Magnette zijn verkiezingscampagne. Hij zegt dat de PS, waar hij voorzitter van is, tegen het Europese six-pack heeft gestemd. Met dit six-pack zouden de besparingsmaatregelen immers nog strenger worden. Tegelijkertijd stelt hij een socialistisch six-pack voor.13 Daaruit blijkt dat de PS eigenlijk maar tegen een deel van het six-pack heeft gestemd, ze gaan akkoord met de essentie ervan en passen het zelf ook toe. Vier van de zes rapporten gaan over het begrotingsbeleid. Zowel de christendemocratische als de liberale partij hebben die goedgekeurd. De socialistische partij daarentegen heeft hier tegen gestemd. Maar ze hebben geen bezwaar tegen de besparingspolitiek en passen die ook toe in de landen waar ze aan de macht zijn. Ze zeggen dat bezuinigen ‘zonder een beleid voor economische groei en herstel gedoemd is te mislukken’. Maar wanneer ze het VSCB eind december 2013 dan toch goedkeuren, aanvaarden de socialisten en de groenen natuurlijk ook dat deel van het six-pack dat ze in november 2011 hadden aangevochten. Met het VSCB worden de liberale dictaten van de EU voor de landen in de eurozone nog dwingender. Aangezien de PS voor de VSCB heeft gestemd, verliezen Magnettes voorstellen voor een socialistisch six-pack op het laatste Congres van de PS in april 2013, nu echt alle geloofwaardigheid.

Het six-pack van de PS, dat zijn in de eerste plaats protectionistische maatregelen, zoals douanetarieven voor landen (vooral uit de Derde Wereld) die de sociale en milieunormen niet naleven. Verder bevat het ook de eis voor een Europees minimumloon dat overeenkomt met 60 % van het mediane loon van het land in kwestie. De Europese Centrale Bank moet rechtstreeks kunnen ingrijpen om de Staten te helpen, zonder de particuliere investeerders te moeten financieren. De PS wil ook de depositobanken en de investeringsbanken, die kunnen speculeren, van elkaar scheiden in plaats van de banken te splitsen en een openbare financiële sector uit te bouwen.

De EU moet voor de PS ook een Europees industriebeleid uitwerken. Maar men moet de Europese industrie, dat wil zeggen de eigenaars van de Europese multinationals niet verdedigen, maar de Europese tewerkstelling en dus ook de Europese openbare diensten en bedrijven.

En tenslotte vraagt de PS een belasting op de financiële transacties in gans Europa. En waarom ook geen miljonairstaks?

Maar na dit ietwat vooruitstrevend programma te hebben voorgesteld keuren ze het VSCB goed, dat elke vorm van progressief beleid blokkeert, en voeren ze dagelijks een beleid waar ze zogezegd zelf niet achterstaan. Dan is het toch duidelijk dat de voorstellen van de PS enkel dienen om kiezers te lokken?

Een ander Europa?

Velen voelen zich vandaag de dag verloren in dit Duitse Europa dat een model oplegt van sociaal verval, de-industrialisering en ontkenning van de meest elementaire democratische rechten.

Robert Salais is een Franse econoom. Sinds begin deze eeuw is hij hoofd onderzoeksprojecten bij de Europese instellingen. Hij heeft, maar dan vanop afstand, meegewerkt aan de verschillende beleidsvormen die de communautaire overheden hebben ingevoerd. En hij is verbijsterd door de manier waarop ze de economische crisis in de verschillende landen hebben aangepakt.

Zo schrijft hij: “Het lijkt erop dat de Europese politieke klasse, die bestaat uit de regeringspartijen (gematigd links en klassiek rechts), een toekomst voor Europa kiest waarbij bureaucratische instellingen zonder enige democratische legitimiteit de bevolking onder politieke en financiële voogdij zullen plaatsen. Het links dat we vandaag de dag in de regeringen terugvinden, is niet langer een kracht die een tegenwicht biedt aan de excessen van het kapitalisme. Voor de Europese multinationals is Europa niet meer dan een speeltuin en ze gebruiken het huidige links als hulpkracht om hun strategieën makkelijker te kunnen doorvoeren.”14

Vroeger dacht hij dat de neoliberale politieke veranderingen van de jaren tachtig aan de bron van deze uitholling liggen. Maar wanneer hij wat dieper doorgraaft naar de basis van de Europese structuur, realiseert hij zich dat de regels die velen vandaag onaanvaardbaar vinden, eigenlijk al van bij het prille begin in de communautaire instellingen ingekapseld waren.

Het uitgangspunt is duidelijk liberaal. Er is het idee om een grote gemeenschappelijke markt te creëren, maar wel één waar de vrijhandel en de economische waarde van het individu verzekerd zijn. De vakbondsorganisaties zijn dan ook nooit echt bij de oprichting betrokken en ze blijven tot op vandaag een compleet ondergeschikte rol spelen.

Deze bedenkingen komen van Robert Salais, een economist die oprecht in het idee van Europa geloofde, tot hij zich “realiseert van zijn illusies beroofd te zijn”.

De Europese structuur is al van bij de start vergiftigd. In de praktijk zwaaien de machtige werkgeversorganisaties er de plak.

De verantwoordelijken bij de oprichting van de Europese Unie hebben geen enkele rol gespeeld in de onmiskenbare maatschappelijke vooruitgang die Europa in de twintigste eeuw heeft gemaakt. Hun geestelijke vaders hebben die veranderingen proberen tegen te houden, soms zelfs hardnekkig.

De essentie van de maatschappelijke verworvenheden hier in Europa is te danken aan de niet aflatende sociale strijd tijdens tweehonderd jaar industrieel kapitalisme, en aan het bestaan van een reëel en geloofwaardig alternatief, namelijk een echt socialistisch kamp. Het zijn deze factoren die de toenmalige Europese leiders ertoe hebben gedwongen het algemeen stemrecht voor mannen toe te staan. En na de Eerste Wereldoorlog volgden onherroepelijk ook de arbeidsduurverkorting tot werkdagen van acht uur, het socialezekerheidsstelsel en na de Tweede Wereldoorlog ook de institutionele erkenning van de vakbonden en de collectieve arbeidsovereenkomsten.

Die achturige werkdag is door de EU ingeruild voor flexibele werkuren en onzekere banen. De sociale zekerheid wordt stap na stap gesloopt. De duur en het bedrag van werkloosheidsuitkeringen worden beperkt, medicijnen worden steeds minder terugbetaald en er wordt elke keer meer in de pensioenen gesnoeid. De vakbonden worden in een minderheidspositie gedwongen en het Europese Hof van Justitie in Luxemburg ontkracht het nationale sociaal overleg. Elke keer opnieuw vinden de werkgeversorganisaties op Europees niveau wel een aantal ijverige en toegewijde marionetten om hun voorstellen in de Europese instellingen, te beginnen bij de Commissie, door te drukken. De Europese Unie staat niet voor maatschappelijke vooruitgang, maar voor het terugschroeven en zelfs het afschaffen van de sociale verworvenheden.

Zoals sommigen opmerken, is met de Europese Unie ook ‘de winter van de democratie’ aangebroken. We hebben het hier immers over een niet-verkozen Commissie met een enorme macht, die dan toch nog ondergeschikt is aan de belangrijkste lidstaten, met Duitsland op kop. Verder is er een Raad van Ministers die de beslissingen blijft nemen, een Europees Parlement dat niet veel te zeggen heeft en geen wetgevende initiatieven kan nemen, en een Hof van Justitie dat de Europese wetten en richtlijnen in het voordeel van de werkgevers interpreteert. Daarbij komt nog dat er sedert het begin van de crisis een soort niet-verkozen economische regering kan beslissen over wat goed en niet goed is voor de driehonderd miljoen inwoners van de eurozone. De nationale regeringen en parlementen hebben een haast protocollaire functie gekregen. In Griekenland en Italië is de eerste minister ontslagen en vervangen door niet-verkozen technocraten, die daarvòòr actief waren bij grote banken en Europese instellingen. Ze eisen steeds meer offers van de bevolking, zonder dat dit democratisch is beslist. Toen de Grieken een referendum over het zoveelste besparingsplan wilden, werd dit door de EU zelfs geweigerd.

Volle kracht vooruit !

De Europese leiders zijn zich er goed van bewust dat ze dringend een nieuw elan moeten vinden. Het Manifest 2012 van de Europese Volkspartij, waar ook Barroso, Angela Merkel en Herman Van Rompuy deel van uitmaken, benadrukt: “Europa staat vandaag voor de grootste uitdaging van de laatste vijftig jaar.”15 “Wij willen een Europese Politieke Unie. In de komende jaren moet de Europese Unie fundamenteel worden hervormd. De Unie en de lidstaten zullen meer macht samen moeten gaan uitoefenen.”16

Sinds 1 december 2009 heeft de Europese Unie een soort grondwet (het Verdrag van Lissabon) en een wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. De richtlijnen die deze machten opstellen, zijn bindend: de lidstaten moeten ze binnen hun eigen land omzetten in wetten en decreten. Boven het nationale niveau van de staat, staat er dus nog een confederale Europese staat die steeds meer bevoegdheden van de lidstaten overneemt. Maar de Europese Unie is nog niet voor honderd procent een staatsapparaat geworden. Pas wanneer we kunnen spreken over een Europees federalisme, met een federaal Europees staatsapparaat, zoals dat bestaat in de VS en Duitsland, dan pas zal de eenmaking ook op politiek, politie- en militair gebied een feit zijn. Dit is vandaag nog niet het geval.

De hevigste voorstander van die snelle uitbreiding van Europese bevoegdheden is de liberaal Guy Verhofstadt, Europees parlementslid en lid van de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa (ALDE). Hij wil de Europese Unie meteen meer macht en legitimiteit geven. Dat is volgens hem de grootste uitdaging.

De Unie zou direct het statuut van federale staat moeten krijgen. Via algemeen kiesrecht moet de bevolking rechtstreeks de president van de Europese Unie kunnen kiezen en haar budget moet 10 % van het Europese bbp bedragen (op dit ogenblik is dat ongeveer 1 %). De Commissie moet een heuse regering vormen die verantwoording aflegt aan het parlement.

Hij kijkt bezorgd naar de toekomst: “Binnen vijfentwintig jaar zal op wereldschaal geen enkel Europees land nog meetellen. De club van de rijkste landen, de G8 dus, zal bestaan uit de Verenigde Staten, China, India, Japan, Brazilië, Rusland, Mexico en Indonesië. Geen enkele Europese staat zal er nog in voorkomen, zelfs Duitsland niet. Het meest onbegrijpelijke aan die hele geschiedenis is dat het eengemaakte Europa het machtigste en rijkste continent is van de wereld. Rijker dan Amerika en machtiger dan al die nieuwe grootmachten samen.”17

Verhofstadt wil een Europa dat nog liberaler en asocialer is. Hij wil een Europa dat na twee eeuwen van Westerse alleenheerschappij voldoende is gewapend om de opkomst van de andere continenten het hoofd te bieden. Hij wil vooral niets veranderen aan de basisprincipes. De vaste uitgangspunten van de Europese Unie zijn de vier vrijheden: vrijheid van verkeer van kapitaal, van personen, van goederen en van diensten. De leider van de Europese Groenen, Daniel Cohn-Bendit, sluit zich hierbij aan en is zelfs officieel coauteur van Verhofstadts manifest. Om deze positie te rechtvaardigen, verklaart hij: “We vechten samen voor een Europese politieke ruimte waarin we ons vrijuit kunnen uitdrukken. Daarna wordt het een kwestie van politieke machtsverhoudingen.”18

Maar het federale Europa van Verhofstadt en Cohn-Bendit zal toch altijd in de macht blijven van de grote werkgeversgroepen. Meer nog dan op nationaal niveau, zullen de burgers via het algemene kiesrecht een blanco cheque geven aan beroepspolitici, die nauwe banden hebben met de werkgeverswereld. Volgens min of meer officiële schattingen zijn er in Brussel ongeveer 15.000 lobbyisten aan het werk. Zij vertegenwoordigen vooral grote bedrijven en industriële federaties. Over het algemeen zijn ze door de Europese instellingen erkend. Ze worden er warm onthaald als adviseurs of als deskundigen voor studiegroepen van de Commissie. Een deel van de Europese ambtenaren, en dan vooral de hooggeplaatsten, wordt aan het eind van hun mandaat aangeworven door advocatenkantoren die voor het patronaat werken.

Natuurlijk zullen zij ijverig blijven beklemtonen hoe belangrijk het is competitief te zijn, flexibele werkuren te ontwikkelen, onzekere banen te hebben, de werklozen op te jagen, de lonen laag te houden, openbare diensten te privatiseren, sociale en overheidsuitgaven te verminderen, ... Wat kunnen we anders verwachten van Cohn-Bendit en zijn partij? Ze hebben in Duitsland ook niet geaarzeld om zonder veel poespas deel te nemen aan de beruchte regering-Schröder. Die regering heeft de Harz-hervormingen doorgevoerd die aan de basis liggen van het vermaarde ‘Duitse model’.

Een andere visie voor Europa

Vanuit economisch oogpunt is de economische centralisatie over de grenzen heen, onvermijdelijk. Het is het logische verloop van de geschiedenis. Maar de EU als staatsmacht is een reactionaire oorlogsmachine. Ze is door de grote Europese monopolies opgericht tegen de andere economische blokken en tegen haar eigen werknemers. Een Europa dat wordt geregeerd door multinationals, kan nooit een echt sociaal en democratisch Europa zijn. Net zoals ook België niet democratisch en sociaal kan zijn. Niet zolang de grote kapitalistische groepen hun wetten aan de ganse samenleving opleggen. Niet zolang ze beslissen over wat en waar er geproduceerd wordt. Niet zolang ze beslissen wie geld krijgt en waarom. Niet zolang ze – dankzij hun financiële macht – op alle mogelijke manieren op de politieke beslissingen kunnen wegen. Om deze situatie te veranderen, moet het volk de economische hefbomen in handen krijgen en moeten de belangrijkste economische sectoren in handen van de gemeenschap zijn.

Maar vandaag gaat het niet alleen meer om België. De Verenigde Staten van Europa staan in de steigers. Dat verplicht ons te handelen en te redeneren in een Europese context. Het gaat er niet om voor of tegen de EU, of voor of tegen meer Europa te zijn. We moeten vechten in het kader van de EU en we moeten het opnemen tegen de antisociale, antidemocratische en imperialistische politiek van deze Europese Unie.

We vechten voor de afschaffing van het Verdrag van Lissabon dat niet door de bevolking is gestemd en voor de herziening van de basisbeginselen, zodat de overheidsbedrijven niet onderhevig zijn aan de concurrentieregels en ze het statuut van openbare dienst krijgen. Concreet betekent dit de wijziging van de artikels 101 tot 109 van het Verdrag van Lissabon. Op die manier blijft het statuut van ‘openbare onderneming’, met recht op subsidies en kruissubsidies en het recht op monopolie, verzekerd.

Dit impliceert dat de overdracht van nieuwe bevoegdheden naar de EU, moet worden stopgezet. Om te beginnen met de opheffing van het VSCB en andere maatregelen die het antidemocratische ‘economisch bestuur’ stimuleren.

Dit betekent ook dat de strenge bezuinigingspolitiek moet ophouden.

Trouwens waarom nieuwe bevoegdheden overhevelen naar Europa als je nu al progressieve maatregelen kan nemen? Wat betreft belastingen bijvoorbeeld, zijn we echt geen voorstander van het overhevelen van bevoegdheden naar Europees niveau. En gezien haar bevoegdheden op vlak van respect van de concurrentie, is er niets wat de EU verhindert maatregelen te treffen tegen de fiscale paradijzen. Die nam Europa onlangs tegen Iran: in het kader van de sancties tegen dat land , heeft de EU een verbod op financiële transacties uitgebracht, waardoor dertig Iraanse banken uit het internationale betalingssysteem SWIFT werden gesloten.

We vragen ook het Trans-Atlantisch Vrijhandelsverdrag (TTIP) waarover de VS en de EU onderhandelen, te blokkeren. Die onderhandelingen omhelzen drie grote onderwerpen: de vrije toegang tot de markt; de reglementering en de niet-tarifaire belemmeringen; en de regels, principes en nieuwe vormen van samenwerking. Het is de bedoeling komaf te maken met elk concurrentiebeperkend beleid, vooral wanneer dat overheidsbedrijven zoubevoordelen. Het is ook gericht tegen sommige landen waar buitenlandse investeerders veel plaatselijke producten opkopen. Indien dit effectief allemaal doorgaat, zal de Europese Unie de invoer moeten toestaan van tal van verdachte Amerikaanse producten, zoals rundsvlees met hormonen of met chloor gewassen kip. En dan hebben we het nog niet over de genetisch gemodificeerde organismes (ggo's), die hier op het oude continent nog veel meer worden geweerd.

Wat voor de trans-Atlantische werkgevers het allerbelangrijkste is, is dat er een rechtsmacht komt die los staat van de staten. Op die manier kunnen de multinationals de landen aanklagen die bovenstaande regels niet respecteren.

Vechten voor een sociale harmonisering van bovenaf

De EU organiseert sociale dumping in Europa. Sommige richtlijnen over vrij verkeer zetten werknemers uit verschillende lidstaten tegen elkaar op. De detacheringsrichtlijn van 1996 is hiervan een voorbeeld. Ze stimuleert de uitvoer van werknemers naar bepaalde landen. Hoewel ze elders werken, blijven deze werknemers onder het socialezekerheidsstelsel, als er al een is, van hun land van herkomst. Voor de werkgevers betekent dit een forse daling van de loonkost. Doordat dit systeem niet echt wordt gecontroleerd, ontstaan er ook valse detacheringen, met ‘illegale sociale dumping’ als resultaat. Zo worden er postbusbedrijven opgericht in een land met lage sociale lasten. In feite zijn het filialen van bedrijven uit landen met een degelijke sociale bescherming. De werknemers uit dit postbusbedrijf worden in onaanvaardbare omstandigheden in het land van herkomst van deze bedrijven tewerkgesteld, wat dan ook weer daar de werkomstandigheden dramatisch naar beneden haalt. In enkele jaren tijd is het aantal gedetacheerde werknemers opgelopen tot 1,5 miljoen. Dit fenomeen bedreigt het socialezekerheidsstelsel van veel landen. Het is hoog tijd dat de fundamentele rechten van de werknemers belangrijker worden geschat dan het principe van vrij verkeer. Het mechanisme zelf van de richtlijn zet aan tot sociale dumping, zowel door zijn aard als door zijn basisbeginsel. We moeten de richtlijn dus afschaffen en ons niet beperken tot een paar wijzigingen. Er is maar één oplossing: voor hetzelfde werk in een bepaald land moet men hetzelfde loon en dezelfde sociale bescherming krijgen.

De EU mag niet het recht hebben om de lidstaten maatregelen van sociale ontmanteling op te leggen. Integendeel, ze moet een opwaartse sociale spiraal genereren door minimumnormen op te leggen, zoals een minimumloon gebaseerd op een bepaald percentage van het mediaan nationaal inkomen per inwoner.

Het werkgelegenheidsbeleid moet gebaseerd zijn op contracten van onbepaalde duur en tegelijkertijd de huidige lonen respecteren of zelfs verhogen. Voor dezelfde job en hetzelfde takenpakket in eenzelfde bedrijf of op dezelfde plaats, moet iedereen hetzelfde loon krijgen. Het beleid moet de nationale regels voor socialezekerheidsregels respecteren en tegelijk de landen stimuleren (via benchmarking) om zo goed mogelijke omstandigheden te creëren voor de werknemers en de uitkeringstrekkers.

De democratische grondrechten moeten onschendbaar zijn

De democratische grondrechten kunnen niet op een lijn worden gesteld met de ‘vier vrijheden’ die in de huidige hervorming van Monti 2 zijn voorzien.19 Hiermee wil de EU stakingen tegen de sociale dumping van grensoverschrijdende bedrijven, laten verbieden.

De wetgevende macht moet op Europees vlak uitsluitend in handen zijn van het Europees Parlement. De nationale parlementen moeten meer zeggingschap krijgen over Europese kwesties, vooraleer deze worden beslist. Ook moeten we in het middenveld en vooral bij de vakbonden, die in de huidige Europese structuur stiefmoederlijk worden behandeld, heuse ‘tegenmachten’ opbouwen.

We moeten op de autoritaire interventies en uitbreiding van de dictaten reageren door ons nog meer in te zetten voor radicale democratische maatregelen: er zijn volksreferenda nodig over het Verdrag van Lissabon en over de belangrijkste beslissingen over de werking van de Europese Unie.

Iedere burger die niet onderworpen is aan een erkende gerechtelijke procedure, heeft het onschendbare fundamentele recht op bescherming van zijn privacy. Het afluisteren en registreren van communicatie mag enkel in de context van een degelijk beargumenteerde en officieel erkende gerechtelijke procedure (dus in het geval van duidelijke criminele activiteiten die een gevaar voor individuen of de bevolking betekenen). De Europese richtlijn van 2006 betreffende het opslaan van gegevens moet volledig worden herzien. In Duitsland, Roemenië, Tsjechië en Cyprus, hebben de grondwettelijke hoven verklaard dat deze richtlijn ongrondwettelijk is. Ze oordeelden dat de richtlijn “bijzonder zware gevolgen voor de rechten van de burgers en een draagwijdte zonder weerga heeft”, “een onrechtmatig binnendringen is in het sociale leven en de privacy van de burgers” en dat ze kan leiden tot “het opmaken van gedetailleerde persoonlijkheids- en verplaatsingsprofielen van vrijwel alle burgers”.

De wetten tegen het terrorisme maken het in het huidige klimaat mogelijk elke organisatie die voor maatschappelijke verandering ijvert en zelfs vakbonden die bedrijfsbezettingen organiseren om hun eisen kracht bij te zetten, te vervolgen. Die wetten moeten worden afgeschaft.

Een menselijk immigratiebeleid

De Unie vaardigt wetten uit die mooi met mensenrechten zijn behangen. Ze schrijft internationale teksten die het asielrecht erkennen. Maar in de praktijk wordt Afghanen, Irakezen en andere nationaliteiten het statuut van bescherming door onze landen nog veel te vaak geweigerd.

De Europese migratiewetgeving werd ontworpen in de context van de Lissabon-strategie. Belangrijke punten waren de economische groei en het creëren van deeltijdse banen, tijdelijke, onzekere en flexibele contracten en slecht betaalde jobs. Kortom, het aantal beschikbare mensen op de arbeidsmarkt moest worden verhoogd.

Deze strategie mikt ook op innovatie en onderzoek, en dus wordt een braindrain uit andere landen naar de Unie aangemoedigd. Voor de Unie betekenen deze nieuwe werknemers honderd procent winst. Voor hun landen van herkomst daarentegen, die over het algemeen hun opleiding hebben gefinancierd, is dit puur verlies. De ‘Europese blauwe kaart’-richtlijn moet Europa aantrekkelijker maken voor hooggekwalificeerde werknemers. De houders van deze kaart genieten dezelfde behandeling als wie binnen de EU is geboren.

In de sectoren waar men kampt met een tekort aan werknemers, stimuleert de Unie ook de migratie van buitenlandse werknemers. Op die manier voorkomt men dat de Europese werkgevers de lonen van die knelpuntberoepen moet verhogen. Terwijl het vaak door de werkomstandigheden komt, dat die banen zo moeilijk ingevuld raken.

Voor de andere werknemers daarentegen, zij die niet ‘hooggekwalificeerd’ zijn, blijven de duur van de verblijfsvergunning, de voorwaarden om die te verkrijgen, de vernieuwing en het intrekken ervan, de exclusieve competentie van de lidstaten. Deze werknemers hebben dezelfde rechten als de inwoners van de lidstaat waarin ze zich bevinden. Maar ze zijn er wel volledig afhankelijk van hun werkgever. Volgens het statuut blijft de verblijfsvergunning van deze werknemers gelinkt aan de job op grond waarvan ze hun vergunning hebben verkregen. Wie zijn werk verliest, is ook zijn verblijfsrecht kwijt.

Ook in dit ‘selectieve migratie’-beleid zien we de belangen van de werkgevers doorschijnen. Als resultaat krijgen we uiterst kwetsbare arbeidskrachten die dan ook nog eens het hoofd moeten bieden aan onzekere en tijdelijke verblijfsrechten die afhangen van de grillen van de werkgever. De binnenlandse werknemers hebben er absoluut geen baat bij dat de geïmmigreerde werknemers in zo'n positie worden gedrongen waarin ze verplicht zijn om het even welke arbeidsvoorwaarden en lonen te aanvaarden. De oplossing bestaat erin het verblijfsrecht zo snel mogelijk los te koppelen van de job, zodat die overdreven afhankelijkheid ten opzichte van de werkgever in de tijd wordt beperkt. Dit kan door de werknemer na een periode van een jaar een verblijfsrecht van onbepaalde duur toe te kennen.

Verder moeten we een correcte definitie opstellen voor het fenomeen van de knelpuntberoepen. Anders kunnen werkgevers dit als voorwendsel gebruiken om de werkomstandigheden en lonen van bepaalde banen niet te hoeven verbeteren.

Algemeen genomen moeten we de sociale reglementering voor de werknemers binnen de Europese Unie verbeteren en uitbreiden. We moeten de nadruk leggen op de strijd tegen de uitbuiting van de legale migranten, maar ook van de werknemers zonder papieren.

De Europese Unie gebruikt de migratie om haar concurrentievermogen te vergroten. Daarom weigert ze de situatie te regulariseren van die duizenden mensen zonder papieren, die niets anders vragen dan op een legale manier te mogen werken. Mochten zij, die al drie jaar in een Europees land wonen en werken, geregulariseerd worden, dan zouden zowel de geïmmigreerde als de autochtone werknemers minder te vrezen hebben van chantage van de werkgevers.

Het is eveneens belangrijk dat deze – al dan niet gedocumenteerde – geïmmigreerde werknemers bij een vakbond zijn aangesloten, zodat ze kunnen worden verdedigd. En dat de Belgische en migrantenwerknemers samen vechten voor respect voor de rechten van alle werknemers.

Een beleid dat de mensenrechten in acht neemt

Door de oprichting van de Schengenruimte, een gebied zonder binnengrenzen, is de controle op illegale immigratie aan de buitengrenzen van de Unie sterk uitgebreid.

Wie zijn land ontvlucht om binnen in de Europese Unie te raken, doet dat bijna altijd op een illegale manier. Er is immers geen tijd om stappen te ondernemen om de benodigde reisdocumenten te verkrijgen. Maar bovenal is het voor mensen uit een derdewereldland of een land in oorlog niet gemakkelijk om een visum te krijgen bij een consulaat van een van de lidstaten, ook al willen ze best asiel aanvragen eens ze in de EU zijn aangekomen.

In 2004 zette de Europese Unie een half-clandestiene militaire organisatie met de naam Frontex op poten, om Europa tegen hongervluchtelingen te beschermen. Frontex voert een oorlog tegen migranten zonder papieren. Het onderschept de vluchtelingen en drijft ze terug naar het land van waar ze komen. Ze krijgen geen kans een asielprocedure op te starten en worden soms teruggestuurd naar landen die het Vluchtelingenverdrag van Genève niet eens hebben ondertekend.

Frontex overtreedt voortdurend de internationale regels. Door de asielkandidaten uit te wijzen vooraleer ze een aanvraag kunnen indienen, schenden ze het recht om asiel aan te vragen. Ieder jaar sterft een indrukwekkend aantal migranten (schipbreuken op zee, verdwijningen in de Sahara, enz.). Om aan de controles van Frontex te ontkomen, worden de routes steeds gevaarlijker.

Gezien hun geografische ligging zijn Griekenland en Italië de poorten van de Europese Unie. De opvangvoorzieningen zijn er verschrikkelijk. De hypocrisie dat deze landen het volle gewicht van de immigratie op zich moeten nemen, heeft lang genoeg geduurd. Natuurlijk kan België of een andere lidstaat de problemen van de hele wereld niet alleen dragen. Maar het wordt anders als we de Europese Unie in haar geheel beschouwen. Europa draagt een fundamentele verantwoordelijkheid ten opzichte van zij die de zone ‘illegaal’ willen binnenkomen. Het heeft die gebieden gekoloniseerd zonder voor industriële ontwikkeling te zorgen. Daarna heeft het de nieuwe ‘vrije’ staten aan hun lot overgelaten, terwijl het zich bezighield met zijn nationale bedrijven, zodat die lustig verder handel konden drijven en de plaatselijke grondstoffen konden plunderen.

Henri Houben (henri.houben7 at telenet.be) is economist, specialist van de automobielsector. Hij is de auteur van La crise de trente ans : La fin du capitalisme ? Aden, 2011. Hij verricht onderzoek voor de Groupe de recherche pour une stratégie économique alternative (Gresea) en het Instituut voor Marxistische Studies (Imast).

Herwig Lerouge is hoofdredacteur van Marxistische Studies.


1 ACEA, New Vehicle Registrations, Passenger Cars by Countries, diverse jaargangen. Zie: http://www.acea.be/collection/statistics.
Opmerking: De gegevens van 2013 zijn een projectie gebaseerd op de eerste elf maanden van het jaar.

2 De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

3 Voor meer informatie over deze verdraaide werkloosheidsgegevens, zie Emploi, chômage: les deux faces d'un même marché, Gresea Echos, nr. 76, 4e trim. 2013. Zie: http://www.gresea.be/spip.php?article1224.

4 Berekeningen op basis van Eurostat, Arbeidskrachtenenquête, Database. 37 % van de vrouwen werkt deeltijds.

5 Ook in de Unie met 28 landen blijft het percentage gelijk.

6 Berekeningen op basis van Eurostat, Inkomen en levensomstandigheden, Database.

8 Alle cijfers met betrekking tot Ierland zijn terug te vinden op www.attac.at/uploads/medi/backgroundmaterial_ireland_english.pdf

9 De werkgelegenheidsgraad is het aantal actieve personen die minstens een uur per week werken, in verhouding tot de bevolking uit de leeftijdscategorie van vijftien tot vierenzestig jaar.

10 Het bruto binnenlands product (bbp) is de verhandelbare en monetaire rijkdom die op een grondgebied (een land, een regio) binnen een gegeven tijdspanne (een kwartaal, een half jaar, een jaar) wordt gecreëerd.

11 Voor een gedetailleerde analyse van de Lissabon-strategie: Henri Houben, Het nieuwe hoofddoel van de Europese Unie: de Lissabon-strategie, Marxistische Studies, nr. 65, januari-maart 2004.[http://www.marx.be/nl/content/archief?action=get_doc&id=61&doc_id=282]. Henri Houben, De herziening van de Lissabon-strategie: een pijnlijke bedoening... voor de werknemers, Marxistische Studies, nr. 73, januari-maart 2006. [http://www.marx.be/nl/content/archief?action=get_doc&id=67&doc_id=337].

12 Gegevens van Eurostat.

13 Pour un six-pack socialiste, 29 mei 2013. Zie: http://www.ps.be/Pagetype1/Actus/News/Pour-un-six-pack-socialiste.aspx.

14 Robert Salais, Le viol d'Europe. Enquête sur la disparition d'une idée, PUF, Parijs, 2013, p. 13-14.

16 Idem, p. 4.

17 Daniel Cohn-Bendit en Guy Verhofstadt, Voor Europa!, uitgeverij De Bezige Bij Antwerpen, 2012, p. 12.

18 Daniel Cohn-Bendit en Guy Verhofstadt, op.cit., p. 91.

19 Monti 2 is de naam van een voorstel tot Europese regelgeving dat collectieve vrijheden (zoals stakingsrecht) ondergeschikt wil maken aan de economische vrijheid van ondernemen. Zie: www.eurofound.europa.eu/areas/industrialrelations/dictionnary/Definitions/montiiiregulation.htm.