Veiligheidsbeleid op scherp na de terroristische aanslagen tegen Charlie Hebdo

Auteur: 
Raf Jespers

Een links antwoord op het law and order-beleid

De terroristische aanslag op Charlie Hebdo van januari 2015 heeft het debat over de veiligheid op scherp gezet. Van de gelegenheid heeft de Belgische regering gebruik gemaakt om een resem maatregelen die al in het regeerakkoord waren aangekondigd, ook effectief door te voeren. Links mag het veiligheidsbeleid niet overlaten aan rechts en conservatieven. Naast kritiek op een beleid dat vooral inzet op repressie en controle van de bevolking, moet links een volwaardig alternatief aandragen. De bevolking heeft recht op en vraagt erom een leven te kunnen leiden zonder angst. Het gaat niet alleen om angst om inkomen, werk en toekomst, maar ook om veilig op straat te kunnen rondlopen.

De strategie van de spanning na 9/11

De heersende krachten maken van crisisperiodes gebruik om het repressieapparaat en controlemaatregelen tegen de bevolking aan te scherpen. Zij doen dit om er gebruik van te kunnen maken in periodes van ernstige sociale spanningen.

     Het gaat om de gekende ‘strategie van de spanning’. Dit is niet nieuw. Ook reeds in de periode van de moordpartijen van de Bende van Nijvel (1982-1985) en de terreur van de CCC (1984-1985) in België, of na de bomaanslag in het treinstation van Bologna (1980) en de terreuracties van de Rode Brigades (1970-1980) in Italië, werd van die spanningssfeer in de samenleving gebruik gemaakt om het repressieapparaat te versterken. Zo kreeg de Belgische rijkswacht meer middelen en manschappen als reactie op de terreur van de jaren 1980.

     Het ging toen om gelokaliseerde terreurdaden en tijdelijke fenomenen. In de recente geschiedenis is er sinds 9/11, Madrid en Londen veel radicaler ingegrepen. Terrorisme en de strijd ertegen zijn altijd een fenomeen geweest, maar 9/11 heeft terrorisme tot een wereldwijd gegeven en een never ending story gemaakt.

     Zowel de Belgische regering als de EU grepen 9/11 aan, niet alleen om het terrorisme te bestrijden, maar vooral om de ganse bevolking onder controle te brengen.

     Edward Snowden heeft die gang van zaken krachtig samengevat in een speech van 17 december 2013: “Deze programma’s gaan nooit over terrorisme: ze gaan over economische spionage, sociale controle en diplomatieke manipulatie. Ze gaan over macht.”[1]

     In plaats van het beleid te concentreren en te richten op de terroristen van welk pluimage ook, werd het brede net uitgegooid. De ganse bevolking werd in het bad getrokken. De onthullingen van Snowden over de praktijken van de Amerikaanse geheime dienst NSA en van de Britse geheime dienst GCHQ (Government Communications Headquarters) laten hier geen twijfel over bestaan. Zwart op wit tonen de documenten die Snowden boven water bracht aan dat zowat iedereen – van Merkel tot de klanten van Belgacom – bespioneerd werd.

     Niet alleen Snowden maar ook het Hof van Justitie van de Europese Unie, de hoogste gerechtelijke instantie van de EU, bekritiseerde die gang van zaken. Dat in Luxemburg gevestigde Hof gaf fundamentele kritiek op dit beleid. Op 8 april 2014 vernietigde het Hof in een historisch arrest de EU-dataretentierichtlijn van 2006.[2] Deze richtlijn was een reactie op de terreuraanslagen in Madrid en Londen. De EU verplichtte de lidstaten om alle internet- en telefooncommunicatiegegevens te bewaren gedurende minimum zes maanden. In die enorme hoeveelheid aan data zou dan gespeurd kunnen worden naar terroristen en zware criminelen. Omdat die brede aanpak de privacy van miljoenen burgers aantastte heeft het Hof de richtlijn vernietigd. “De burgers hebben het gevoel permanent onder controle te worden geplaatst”, schreef het Hof.[3] “Dergelijke aanpak is disproportioneel en niet in verhouding tot het nagestreefde doel, de strijd tegen zware criminaliteit en terrorisme.”[4] De overheid mag inbreuk maken op bepaalde vrijheden, maar hier zijn grenzen aan. Hanteer de precieze focus, maar houd uw handen af van de grondrechten van de massa van de burgers. De dataretentierichtlijn is strijdig met artikel 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, besliste het Hof. Die artikels bepalen dat eenieder recht heeft op de eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie, en op de bescherming van zijn persoonsgegevens.

     Het arrest komt er op neer dat de overheid in de strijd tegen het terrorisme niet alles mag, en vooral niet de vrijheden van alle burgers zomaar mag aantasten. Dit arrest moet door alle progressieven en democraten echt gekend zijn en gebruikt worden in de verdediging van de privacy. Dit arrest zou een verplichte leidraad moeten vormen voor alle politici, politie- en veiligheidsdiensten die na de aanslagen in Parijs opnieuw uitpakken met allerlei repressieve maatregelen.

     Dit historische arrest wordt door de EU en de Belgische regering niet echt ernstig genomen, hoewel de dataretentierichtlijn in haar geheel en met terugwerkende kracht naar 2006 nietig werd verklaard. Het gaat nochtans om een drastische uitspraak waarin de privacy-krijtlijnen, die niet mogen overschreden worden in de strijd tegen criminaliteit en terrorisme, worden uitgetekend. Zo laat de Belgische regering na om de eigen Belgische dataretentiewet van 30 juli 2013, die naast een omzetting van de EU-dataretentierichtlijn ook nog op een veel bredere manier de privacy van de Belgische burgers aantast, in te trekken. Het zou een signaal zijn dat de uitspraak van Luxemburg au sérieux wordt genomen. Niet dus.

     Een tweede leidraad zou moeten bestaan in de evaluatie van alle maatregelen – wetten, instellingen, maatregelen op het terrein van justitie, politie, inlichtingendiensten en migratie – die na 9/11 in België, maar ook wereldwijd, werden genomen. Het ging om een massa maatregelen. In de EU alleen al meer dan 200. In België enkele tientallen. Het ging om uitzonderingsmaatregelen die verantwoord werden door 9/11 en door de terreuraanslagen in Madrid (2003) en Londen (2005). Ik som enkele van de Belgische maatregelen op die na 9/11 onder de vlag van de strijd tegen terrorisme en zware criminaliteit werden genomen: een zeer strenge antiterrorismewet die het mogelijk maakt om op een brede schaal niet enkel terroristen maar ook sociale en politieke opposanten aan te pakken; het Europees aanhoudingsmandaat; de reeds genoemde dataretentierichtlijn; de aanleg van ‘zwarte lijsten’ van terreurverdachten waarop echter ook gewone politieke opposanten voorkwamen; een massa onderzoeksmethoden voor de politie en veiligheidsdiensten zoals telefoontap, hacking van computers, infiltratie… Ook werden er op EU-niveau nieuwe instellingen uitgebouwd zoals Europol, Eurojust en Frontex om de samenwerking van de politie- en justitiediensten te versterken.

     Het ging in vele gevallen om uitzonderingswetten en uitzonderingsmaatregelen, maar zij werden nooit geëvalueerd, laat staan teruggeschroefd in rustiger periodes. Ze werden standaard.

     Het is dan ook niet te verwonderen dat Edward Snowden, wanneer hij vanuit Moskou in oktober 2014 een videoconferentie houdt in Brussel opmerkt dat “niet de terroristische bedreigingen het grootste gevaar vormen voor de democratie, maar wel de massa-surveillance”.[5]

     Een gevolg van het brede net is dat de vrijheden en rechten van iedereen in het gedrang komen. Vrijheden en rechten worden echter niet beschermd door ze op algemene basis in te perken voor iedereen. Hoe meer geconcentreerd op de echte doelwitten, hoe minder ook de grondrechten van de bevolking in het gedrang komen.

     Bovendien wérkt deze brede aanpak niet afdoende. Ze draagt er integendeel toe bij dat mensen en middelen niet of onvoldoende geconcentreerd worden op de specifieke groep van terroristen. Een studie van de New America Foundation toont aan dat het in bulk en massaal opslaan van persoonsdata “geen enkele wezenlijke impact heeft op de preventie van terrorisme”.[6] Snowden zegt in dit verband terecht dat “hoe meer data van ieder verzameld worden hoe meer de aandacht verspreid geraakt, en hoe meer de kans bestaat dat wie de aandacht verdient aan de aandacht ontsnapt”.[7] Die aanpak heeft precies het omgekeerde effect. Door het bos worden de bomen niet meer gezien.

     Het uitgebreide arsenaal aan uitzonderingsmaatregelen heeft de aanslagen in Brussel (op het Joods cultureel centrum) en Parijs niet kunnen verhinderen, hoewel de daders geen onbekenden waren en een jihadverleden hadden. Zij zijn door de mazen van het net geglipt. Anderzijds toont Verviers, waar twee potentiële terroristen in januari 2015 werden doodgeschoten, dat het gebruik van de klassieke onderzoeksmethoden geconcentreerd op potentiële terroristen resultaat geeft. Deze personen in Verviers werden al lange tijd door de staatsveiligheid in het oog gehouden met de klassieke inlichtingenmethoden zoals telefoontap.

Na Parijs: meer van hetzelfde

Het regeerakkoord dateert van oktober 2014, ruim twee maanden voor de terreur in Parijs. Reeds in het regeerakkoord zaten een aantal van de 12 maatregelen die de regering na Parijs doorvoert.

     De eerste vraag die moet gesteld worden is of de bestaande middelen niet voldoende zijn en of zij efficiënt worden gebruikt. “Stop met het opbouwen en hervormen en zorg dat al het bestaande functioneert”, zegt VUB-professor Paul De Hert.[8] Dit standpunt is terecht: er zijn al enorm veel mogelijkheden om de strijd tegen de terreur efficiënt te voeren. De regering wil de informatieuitwisseling tussen administratieve en gerechtelijke diensten en overheden optimaliseren. De regering wil ook de analysecapaciteit van de Staatsveiligheid versterken, om meer mensen te kunnen inzetten voor terrorismebestrijding en het aantal mensen dat zich specialiseert in terrorismebestrijding gevoelig uit te breiden.

     Dit lijkt logisch, maar de voorwaarde is wel dat dit gebeurt om terroristen op te sporen en niet om een nog meer uitgebreide en gecentraliseerde informatie over politieke, sociale of vakbondsbewegingen op te zetten. Ook de privacy is hierbij in het geding. Hoe meer informatie, maar vooral hoe meer uitwisseling en centralisatie ervan, hoe meer de intrusie in de privacy. De Ligue des droits de l’Homme vraagt dat de regering “bijzonder waakzaam zou zijn voor de mogelijke perverse gevolgen van deze maatregel voor het geheel van de burgers”.[9] Bij het plan om de twee inlichtingendiensten (Staatsveiligheid, Veiligheid van het leger) nauwer te doen samenwerken moet ook voorbehoud gemaakt worden (p. 131).[10] Beide inlichtingendiensten hebben een gans andere doelstelling: de ene de bestuurlijke veiligheid, de andere de militaire veiligheid van het land.

Wat wil de regering nog meer?

Eén van de belangrijkste nieuwigheden is de oprichting van een Nationale Veiligheidsraad, naar het voorbeeld van de NSA (National Security Agency) in de VS. Dit stond reeds in het regeerakkoord. De regering opteert voor een ‘totaalaanpak’ inzake veiligheid. Er komt een totaal nieuwe veiligheidsstructuur, met een politieke kern en met een bestuurlijke kern. De politieke kern is het Ministerieel Comité Inlichtingen en Veiligheid met naast de eerste minister ook de ministers van Justitie, Defensie, Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken en de vice-eersteministers.

     De bestuurlijke poot wordt naar het voorbeeld van het Amerikaanse NSA, de nieuw op te richten Nationale Veiligheidsraad. Hierin worden alle diensten en aspecten van veiligheid en inlichtingen gecentraliseerd (p. 144). Over de gevaren die een dergelijke nooit geziene centralisatie van macht en vooral van inlichtingen inhoudt, staat geen woord in de regeringsverklaring. De door Snowden onthulde ontsporingen van het NSA zouden nochtans moeten aanzetten tot voorzichtigheid bij de oprichting van een dergelijk machtig orgaan. De Amerikaanse Nationale Veiligheidsraad bespioneert, op basis van een geheim gerechtelijk bevel, haar burgers op massale schaal: zowel telefoongesprekken, mails als bezochte internetsites. Een dergelijke uitgebreide gegevensoverdracht wordt doorgaans enkel toegestaan in het kader van specifieke verdenkingen. Zelfs de vroegere democratische vicepresident Al Gore vindt dit ‘geheim blanco bespioneren obsceen schandalig’. Het toont de mate aan waarin onze fundamentele democratische rechten in het geheim moeten wijken voor de eisen van niet ter verantwoording te roepen inlichtingendiensten. De Nationale Veiligheidsraad zal het Ministerieel Comité systematisch informeren maar er is geen melding van democratische controle op die Nationale Veiligheidsraad, bijvoorbeeld door het parlement. Een nieuwigheid in dat kader is dat voortaan niet meer het OCAD, het coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, beslist over het niveau van dreiging, maar wel de Nationale Veiligheidsraad.[11] Zo wordt het bepalen van de ernst van de dreiging niet meer een beslissing van experts, maar een politieke beslissing. Politiek geïnspireerde doelstellingen dreigen in de plaats te komen van een nuchtere objectieve analyse. Dit dient de belangen van de bevolking niet. Zo adviseerde OCAD in januari 2015 om het dreigingsniveau 3 te beperken tot Joodse instellingen en politiecommissariaten, terwijl de regering het op het ganse grondgebied van toepassing verklaarde. Zo had de ganse bevolking te maken met de verhoogde veiligheidstussenkomsten van politie en leger.

     De regering wil ruimere mogelijkheden voor telefoontap en een verstrenging van de antiterrorismewetgeving. Wie die materie wat kent weet dat er reeds ruime onderzoeksmethoden bestaan en de terrorismewetgeving al zeer streng is. Het probleem is niet op de eerste plaats het gebrek aan mogelijkheden, maar wel de mensen en middelen om deze – geconcentreerd op terroristen – efficiënt aan te wenden. Dat de bijzondere opsporingmethoden worden uitgebreid tot de nieuwe terroristische misdrijven die in 2013 werden ingevoerd (aanzetten, rekruteren, training) is betwistbaar daar die nieuwe wetgeving op zich op zeer gespannen voet staat met het legaliteitsbeginsel. Die begrippen zijn zo ruim en het terrorisme is zo breed gedefinieerd in de strafwet dat de onderzoeksmethoden die om die misdrijven op te sporen worden voorgesteld, ook problematisch zijn. De regering wil ook een nieuw terroristisch misdrijf invoeren, namelijk verplaatsing naar het buitenland voor terroristische doeleinden. Daar terrorisme in de Belgische strafwet een zeer brede definitie heeft, bestaat de vrees dat dit misdrijf, dat nu wordt doorgevoerd om Syriëstrijders te straffen, straks ook wordt aangewend tegen zij die op reis gaan om een politieke of sociale beweging te bezoeken die niets met terrorisme te maken heeft, maar in de ogen van de Belgische staat daarmee ten onrechte wordt gelijkgesteld. Wat bijvoorbeeld met een arts die zich naar de Palestijnse Gazastrook begeeft? Wordt dit ook ‘reizen naar het buitenland voor terroristische doeleinden’?

     Een andere maatregel van de regering is de intrekking van de Belgische nationaliteit, om, aldus de regering, “te voorkomen dat iemand naar gebieden trekt waar terrorisme bedreven wordt”.[12] De vraag is of dit potentiële terroristen echt gaat afschrikken. Het is een symbolische en stigmatiserende maatregel omdat hij enkel Belg-geworden-vreemdelingen treft. Het gaat om een flagrante discriminatie van personen afkomstig uit de migratie. Het creëert een categorie ‘minderwaardige Belgen’, tweederangsburgers, zij die ooit het risico lopen om de Belgische nationaliteit te verliezen. Ook het internationaal recht en het EU-recht verzetten zich tegen die maatregel.[13] De achterliggende bedoeling van het afnemen van de nationaliteit is het terugsturen van die persoon naar zijn land van herkomst. Maar de meeste Syriëstrijders zijn precies kinderen van de tweede of derde generatie migranten, die meestal ook in België zijn geboren. De huidige Belgische nationaliteitswet laat in zeer uitzonderlijke omstandigheden de intrekking van de nationaliteit toe, maar niet voor wie in België is geboren. Intrekking van de nationaliteit en uitzetting uit België zou bovendien ook problematisch zijn omdat in veel gevallen hierdoor ook het recht op gezinsleven, dat gewaarborgd is door het EVRM, wordt getroffen. Ten slotte zou dit ook neerkomen op een dubbele straf, waar terroristische Belgen die niet uit de migratie afkomstig zijn, niet mee kunnen gestraft worden. Die discriminatie op basis van afkomst is ook betwistbaar. De maatregel ligt in de logica van wie van het terrorisme een ‘wij tegen zij’ zaak willen maken, een logica van uitsluiten in plaats van een beleid dat ‘nieuwe Belgen’ een volwaardige plaats wil geven in de samenleving.

     De regering hoopt het terrorisme af te remmen door tijdelijk identiteitskaarten in te trekken en geen paspoort meer af te leveren. Dit is niets nieuws, want in het kader van een gerechtelijk onderzoek kunnen deze maatregelen al door een onderzoeksrechter bevolen worden. De regering wil die bevoegdheden nu overhevelen naar de minister van Binnenlandse Zaken na advies van het Federaal Parket en dit voor alle situaties waarbij een persoon een risico vormt voor de openbare orde of veiligheid. Dit is een zeer verregaande maatregel die een verschuiving betekent van de rechterlijke naar de uitvoerende macht. Dergelijke maatregelen moeten onder de bevoegdheid blijven van de onderzoeksrechter daar zij thuishoren in het strafrechtelijk domein en niet het speeltuig kunnen worden van politieke berekeningen. In dezelfde lijn ligt de maatregel om de nationale tegoeden van terroristen of gelden die zouden verband houden met terrorisme te bevriezen. De regering wil dat dit actiever gebeurt.

Meer kaki op straat

Meest in het oog springend is de inzet van het leger voor ‘statische bewakingsopdrachten’. Dit stond ook reeds in het regeerakkoord.

     Dat is een wens die de Antwerpse burgemeester Bart De Wever reeds meermaals uitte. Zowel na de aanslag op het Joods Museum te Brussel als na de blokkades van de foorkramers wou de Antwerpse burgemeester het leger inzetten. Het is een belangrijk onderdeel van de versterking en uitbreiding van het veiligheidsapparaat. Zo wordt het leger dat getraind is om het land te verdedigen en oorlog te voeren, gebruikt voor het handhaven van de binnenlandse veiligheid, wat niet tot haar taken behoort. Wanneer er straks harde sociale acties komen is het denkbaar dat de regering het leger inzet zoals gedurende de staking van 1960-61.

     Na Parijs zullen Europa en België niet meer zijn wat ze geweest zijn. De war on terror wordt niet meer alleen in Syrië of Irak gevoerd, maar nu ook in Europa zelf. De terugkerende Syriëstrijders en de terroristen zijn de enemy within, de binnenlandse vijand. Er is sprake van de clash of civilisations. Militarisering van het binnenlands veiligheidsbeleid vanuit een oorlogslogica is het laatste wat mag gebeuren. De inzet van paracommando’s dreigt een blijvend onderdeel te worden van de binnenlandse veiligheidspolitiek.

     Zal de inzet van het leger iets bijbrengen aan de strijd tegen het terrorisme? Voor het preventief bewaken van potentiële doelwitten op spanningsmomenten valt iets te zeggen. Tot nu toe deed de politie dat, zonder problemen. De politie is mans genoeg om de veiligheid te waarborgen en is daar ook voor opgeleid.

     Het is indicatief dat voor het eerst door de N-VA-burgemeester van Antwerpen om het leger werd geroepen toen de foorkramers – oliebollenverkopers – met hun trucs zijn stad blokkeerden. Het is ook veelzeggend dat er militaire oefeningen komen in de Antwerpse haven, één van de cruciale plaatsen van het vakbondsprotest einde 2014. Dat dit nu doorgevoerd wordt als maatregel tegen het terrorisme stemt tot nadenken. Meer kaki op straat heeft een enorme impact op de sfeer in de maatschappij. Het subjectieve onveiligheidsgevoel neemt toe. Het gaat om een maatregel die heel breed focust. De hele bevolking zal moeten wennen aan de aanwezigheid van militairen. Eens gewend, kan het leger ook ingezet worden op ogenblikken van sociale beroering. Het is vooral vanuit de N-VA dat die dubbele agenda rond het inzetten van het leger gevoed wordt.

     Er zijn nog andere bezwaren. Vincent Gilles, voorzitter van VSOA-Politie spreekt in dit verband over “demagogische maatregelen”.[14] Hij wijst erop dat politie en militairen “niet hetzelfde beroep” doen en dat het beter zou zijn om de politie de nodige middelen te geven zodat zij alle taken van binnenlandse veiligheid kunnen waarmaken.[15] De politie is gevormd, opgeleid en gestructureerd om de binnenlandse veiligheid en de openbare orde in het land te verzekeren.

     Van zijn kant zegt ACOD-Defensie dat “geloven dat een militair gevormd is om politietaken uit te voeren in de grote steden, bewijst dat men nooit een voet in een kazerne heeft binnengezet”.[16] De structuur, het materiaal en de opleiding van het leger zijn inderdaad gericht op oorlogssituaties en op de verdediging van de grenzen, niet op handhaving van de binnenlandse orde. Het leger opereert op vijandelijk terrein. Het leger is niet gevormd om de publieke rust te verzekeren en de democratie te verdedigen. Het gaat om een belangrijke democratische kwestie: in een democratie moet het leger wegblijven uit het straatbeeld en bij de binnenlandse ordehandhaving. Militaire dictaturen en ingrepen tegen de democratische orde zoals in Latijns-Amerika in de jaren 1960-1970 of in Turkije maken duidelijk dat een erg gecentraliseerde, gestructureerde en gewapende macht als het leger een gevaarlijk instrument is om democratisch verkozen regeringen omver te werpen of grote volksbewegingen te onderdrukken.

     Er is ook nog een wettelijk bezwaar tegen het opvoeren van het leger. Volgens artikel 43 van de Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst kan een burgemeester enkel het leger opvorderen wanneer én de lokale politie én de federale politie niet meer over voldoende middelen beschikken om in geval van “ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde de openbare orde te handhaven of te herstellen”.[17] Wanneer in januari 2015 het leger in de straten van enkele grootsteden verschijnt is die dubbele voorwaarde niet vervuld. De regering had op dat ogenblik het dreigingsniveau 3 afgekondigd: dit houdt in dat de dreiging mogelijk en waarschijnlijk is. Deze omvang van dreiging beantwoordt niet aan de vereisten van ‘ernstige en nakende’ bedreiging van artikel 43. Die vereiste is wel aanwezig bij het dreigingsniveau 4 dat wordt afgekondigd als de dreiging ‘ernstig en zeer nabij’ is, wat dus overeenstemt met de begrippen die in artikel 43 zijn opgenomen. Dit lijkt een puur juridische discussie, maar dat is ze niet. Het is niet zomaar dat de Belgische wetgever deze nuances heeft gemaakt, daar het Belgisch Parlement heeft willen vermijden dat te snel beroep wordt gedaan op het leger. Dit is een democratische kwestie: het leger enkel inschakelen wanneer het land aan de rand van een crisis staat door een ernstige en zeer nabije terroristische dreiging. Dat de regering deze wetten naast zich neerlegt schendt niet alleen de rechtsstaat, maar wijst er ook op dat zij de democratische verworvenheid in deze belangrijke kwestie van tussenkomst van het leger in het binnenland op de helling zet.

De strijd tegen de radicalisering: het ei van Columbus

De regering gaat de strijd tegen radicalisering opdrijven.

     Zij wil de salafistische radicalisering binnen de gevangenismuren aanpakken door aparte detentie-eenheden voor geradicaliseerde gevangenen. De Ligue des droits de l’Homme merkt hierbij op dat zij, en met haar verschillende internationale organisaties, reeds lang een ander beleid vragen dat er op neerkomt de opvoeding en herintegratie van de gevangenen in de maatschappij te bevorderen. “De gevangenis op zich, zoals het beleid nu gevoerd wordt, bevordert de radicalisering. In de gevangenissen enkel inzetten op de versterking van het veiligheidsregime is volledig contra-productief”, argumenteert de Ligue.[18]

     De belangrijkste strijd tegen de radicalisering situeert zich buiten de gevangenismuren. De regering hanteert ‘radicalismen’ als containerbegrip en spreekt niet enkel over salafistische radicalen. Er wordt ook geen duidelijke invulling gegeven aan wat onder radicalisme moet verstaan worden. Het is een dermate ruim en rekbaar begrip, dat bovendien wordt ingevuld door de politieke, religieuze en maatschappelijke visie die eenieder heeft. Door het brede begrip radicalisme te hanteren komen ook allerlei alternatieve en oppositiebewegingen in het vizier, zeker in tijden van sociale spanningen.

     De regering wil de radicalisering aanpakken met een beleid op preventief, proactief, justitieel en bestuurlijk vlak (p. 143).

     Ze wil de toepassing en herziening van de Wet van 1 augustus 1973 betreffende de diensten bij een vreemde leger- of troepenmacht (om de Syriëstrijders te straffen) en specifieke maatregelen tegen geradicaliseerde jongeren zoals – reeds vermeld – het afnemen van de Belgische nationaliteit, het intrekken van de identiteitskaart, het niet afleveren van een paspoort en het bevriezen van tegoeden…

     Naast deze specifieke maatregelen zijn er ook structurele maatregelen. Op niveau van de arrondissementen komen er local taskforces, die informatie doorgeven aan en samenwerken met de lokale politiezones. Er komen gemengde teams van lokale en federale politie en specifieke opleidingsprogramma’s. Gegevens over gewelddadige radicalisering zullen via het bestuurlijke luik van de Algemene Nationale Gegevensbank (ANG) worden uitgewisseld tussen de relevante veiligheidspartners. Toezicht op de financiering van het terrorisme wordt verscherpt via de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI). Er zal internationaal overlegd worden, en jihadstrijders en hun reisgegevens worden geregistreerd op een internationale terrorismelijst. Radicaliserende, haatzaaiende, jihadistische inhoud van websites en sociale media zal worden bestreden. Er komt een wettelijk kader voor het anoniem patrouilleren op het internet (zodat kan geïnfiltreerd worden in sites…).

     De regering wil bij de aanpak van radicalisering, net zoals bij de criminaliteitsbestrijding, ook brede lagen van de bevolking inschakelen: onder meer door “een intensieve dialoog met religieuze verantwoordelijken en het middenveld” (p. 146). Dit is een nieuwe tendens om lokale besturen, OCMW’s, jeugdclubs, jeugdbewegingen, sportclubs, kerken, moskeeën, scholen en wijkagenten in te schakelen om als lokale voelsprieten elk ‘radicaal’ gedrag te signaleren aan de autoriteiten. Dit is nefast voor het sociale leven.

     IS en de vrees voor terugkerende Syriëstrijders zijn feiten die terecht ongerustheid wekken. Maar al die maatregelen, en zeker wanneer zij samen worden beschouwd, bouwen een aantal fundamentele rechten af. Door het afnemen van paspoort en nationaliteit, verbod op verblijf, afnemen van sociale zekerheid, speciaal gevangenisregime… creëert de overheid een categorie rechteloze en stateloze burgers.

     Terroristen van welke overtuiging ook moeten hard worden aangepakt. Want zij maken de samenleving kapot en geven zuurstof aan de ‘strategie van de angst’. De bevolking heeft recht om in veiligheid te leven, om zonder angst op straat te komen.

     Maar dit veiligheidsbeleid kan gebeuren door specifieke en tijdelijke maatregelen in plaats van een permanente uitzonderingstoestand te creëren die de burgerrechten en vrijheden op de helling zet en de rechtsstaat uitholt.

     De verwijzing naar het jihadisme is een gemakkelijk glijmiddel. Als het enkel over jihadisme zou gaan, zou enkel die term gebruikt worden. Dat is niet het geval. Dit maakt mogelijk dat de ‘integrale aanpak radicalisering’ in bepaalde omstandigheden een veel ruimere toepassing kan krijgen.

     Radicalisme is een ruim begrip, waarvan de invulling bepaald wordt door de maatschappelijke positie die de veiligheidsdiensten zelf innemen. De strijd tegen radicalisering kan dan toelaten om – nog breder dan in het kader van het terrorisme – elke oppositie onder controle te plaatsen.

     Zo schrijft oud-journalist Paul Goossens: “Wedden dat Binnenlandse Zaken binnenkort zijn redenen zal vinden om de lijst van terroristische organisaties naar links te verruimen.”[19] Onder de vlag van de aanpak van radicalisering worden gevaarlijke precedenten doorgevoerd die in geval van breed en radicaal sociaal verzet in hun geheel of in onderdelen kunnen worden aangewend tegen de sociale oppositie.

Meer blauw op straat

In de regeringsverklaring is de slogan ‘meer blauw op straat’ letterlijk opgenomen. Dus ook meer politie op straat.

     De operationele capaciteit voor de ordehandhaving zal ook opgedreven worden door hiervoor mensen en budget vrij te maken (p. 138-139), door een samenwerking van de bijzondere bijstandsteams van lokale en federale politie (p. 135), door de federale reserve (FERES) en de interventiekorpsen (CIK) te versterken zodat ze soepeler en meer efficiënt kunnen worden ingezet ten voordele van de lokale politie in geval van incidenten, rampen of onvoorziene gebeurtenissen van grote omvang (p. 139). De regering bereidt zich hier duidelijk voor op het verzet tegen haar beleid en tegen dit van de Europese Unie.

     Ook de privatisering van het politiewerk wordt in dat kader gesteld. De regering wil meer niet-politiemensen inschakelen bij politietaken. Zo zal het bekijken van beelden van bewakingscamera’s door “specifiek gemachtigden of daartoe opgeleide personen” kunnen gebeuren (p. 133). Ook taken die niet tot de kerntaken van de politie behoren, zullen kunnen worden uitgevoerd door private veiligheidsdiensten (p. 134). Het is een eerste aanzet voor privatisering van de politie. Privé (politie)diensten zullen evenmin de regels vastgelegd in de wet op het politieambt moeten respecteren.

     De rol van de burgemeester in het tuchtrecht van de politie wordt beperkt (p. 135). De tuchtcontrole door de burgemeester (en de gemeenteraad) op de politie is een belangrijk aspect van democratische controle.

     De macht van politie- en veiligheidsdiensten neemt drastisch toe, terwijl de mogelijkheid tot wettelijk verweer van de burger tegenover mogelijke misbruiken van deze diensten wordt afgebouwd. “Respect voor het ambt van politieagent staat centraal” (p. 134). “In onze samenleving is geen plaats voor geweld tegen veiligheidsberoepen.” De integriteit van de politiemensen dient ten alle tijde gegarandeerd te worden bij de uitvoering van hun functie; daartoe wordt, onder meer, hun identiteit beschermd (p. 139).

     Een democratische politie verdient respect. Maar de regering gaat eraan voorbij dat het gebruik van geweld door burgers, ook tegen de politie, al wettelijk geregeld is: het is verboden, tenzij uit wettige verdediging.[20] In 2010 werden de straffen voor geweld tegen politiemensen reeds drastisch opgevoerd.[21]

     Aan de bescherming van de burgers tegen het geweld van de politie verliest de regeringsverklaring geen woord. Nochtans zijn er de voorbije jaren diverse zaken aan het licht gekomen van onverantwoord gebruik van geweld door politiediensten (onder andere de zaak van Jonathan Jacob, die doodgeslagen werd in een politiecel in Mortsel).

     De regering zal zelfs “naar een oplossing zoeken voor manifest onterechte klachten tegen het politiepersoneel en ander veiligheidspersoneel” (p. 139). Het valt te verwachten dat er (penale) sancties worden opgelegd aan wie een ‘onterechte’ klacht neerlegt. Dat kan enkel de burger afschrikken die een klacht tegen de politie zou willen indienen. Het valt te vrezen dat bepaalde politiemensen dit als een vrijgeleide zullen aanzien om brutaal en racistisch op te treden. Net als het voorstel om de identiteit van de politiemensen te beschermen. Nog maar in maart 2014 werd een nieuwe wet aangenomen die een (beperkte) identificatie van de politie verplicht maakte.[22] De vraag is wat de regering hier precies van plan is. Wil de regering verbieden om voortaan politiegeweld op smartphones vast te leggen?

Integrale Veiligheid?

Er komt een nieuwe kadernota ‘Integrale Veiligheid’ in overleg met de lokale overheden, de deelstaten en (wat nieuw is) de Nationale Veiligheidsraad. Die kadernota moet uitmonden in een Nationaal Veiligheidsplan in 2017 (p. 132). Het aantal prioritaire criminaliteitsfenomenen zal beperkt worden. De vraag is wat wel en niet zal aangepakt worden. Het enige wat concreet vermeld wordt, is de aanpak van de grenscriminaliteit. En marginale ‘veiligheids’-fenomenen zoals daklozen en bedelaars (komt er een nieuwe wet op de landloperij?), kraakpanden (regeling om uitdrijving te versnellen), malafide organisaties en slijterijen (strenger aanpakken) en drugs (verbod gebruik publieke ruimte; geen gedoogbeleid) worden wel vernoemd (p. 133). Harde aanpak in plaats van tolerantie en sociale oplossingen dus.

     Dat geldt ook voor degenen die genieten van uitkeringen. “Uitkeringsfraude en grensoverschrijdende sociale fraude tasten de draagkracht van onze sociale zekerheid aan. Ze moeten samen en met gelijke slagkracht worden aangepakt.” (p. 53)

     “Er wordt verder ingezet op datamining en kruising van gegevens tussen de inspectiediensten, de sociale zekerheidsinstellingen, de fiscale administratie, de Kruispuntbank van Ondernemingen en derde instanties om dubbel gebruik van sociale uitkeringen of oneigenlijke cumuls van een uitkering met een loon te vermijden en om ontduiking van sociale bijdragen tegen te gaan.” (p. 54)

     Wanneer het echter gaat over de fiscale fraude die de schatkist tientallen keren meer kost, is er sprake van “respect voor de belastingplichtige: de fiscus behandelt de belastingplichtige met respect. Fiscale controles zijn nooit aangenaam maar wel noodzakelijk, en gebeuren daarom klantgericht, correct en efficiënt”. (p. 80) En: “Bovendien zouden inspectiediensten zich in de eerste plaats meer als partner van de ondernemingen kunnen opstellen, zeker wanneer er sprake is van een eerste overtreding.” (p. 81)

De Europese Unie: het beleid versneld en scherper doorvoeren

In een nota van 17 januari 2015 stelt de Europese Raad haar plannen voor om een antwoord te bieden aan de “nooit geziene, brede en [23]

     De EU heeft na 9/11 al ruim 200 maatregelen in de strijd tegen het terrorisme genomen. Ook hier met een duidelijk dubbele agenda en met een brede focus.

     Deze lijn wordt verdergezet in de maatregelen die na Parijs gepland worden. De meeste van die plannen zaten al een tijd in de pijplijn.

     Het belangrijkste luik is de voorkoming van radicalisering. Hefboom hierbij is het counteren van de radicalisering via het internet en vooral op de sociale media. De EU zal hiervoor een Forum opzetten waarbij de EU-instellingen, de lidstaten, de industrie en de civiele maatschappij en de VS betrokken worden. In eerste instantie wordt dan ook gemikt op een totale check van wat op het internet circuleert. In tweede instantie stelt de EU een pakket maatregelen voorop om door opvoeding, training, jobs en integratie de onderliggende factoren van radicalisering te ontmijnen. Ten slotte worden er programma’s uitgebouwd voor het afbouwen van het engagement van jongeren die geradicaliseerd zijn, en om hen te deradicaliseren en te rehabiliteren. Deze laatste maatregelen kunnen ondersteund worden zo zij uitgaan van een terechte bekommernis om de oorzaken waarom jongeren zich tot terrorisme aangetrokken voelen, weg te nemen.

     De EU mikt verder op strengere grenscontroles en doorgedreven informatieverwerving. Eén van de prioritaire maatregelen die hierbij vooropgesteld wordt is het European Passenger Name Record (PNR), met inbegrip van een intra-EU-PNR. De persoonsgegevens van alle vliegtuigpassagiers die vanuit de EU buiten de EU vliegen, maar ook van de vluchten binnen de EU zullen bewaard en uitgewisseld worden. Opnieuw zullen hier alle passagiers de dupe van worden. De privacy van miljoenen mensen komt zo op de helling: de EU-diensten zullen van iedereen die zich binnen of buiten de EU per vliegtuig verplaatst belangrijke persoonsgegevens bewaren. Het Europees Parlement heeft zich tegen die gang van zaken al geruime tijd verzet omdat het vragen had bij de schending van zoveel privacy, maar na Parijs probeert de Europese Raad dit verzet te breken. De EU-Raad vraagt verder dat de Commissie ‘zo snel als mogelijk’ een nieuw wetgevend voorstel zal doen voor de dataretentierichtlijn, die door het Hof van Justitie vernietigd werd. Ook hier valt te vrezen dat de persoonsdata die via telefoon en internet vrijgegeven worden opnieuw in het vizier komen.

Een links veiligheidsbeleid?

Professor Coolsaet, die het terrorisme in de geschiedenis bestudeerde, merkt op dat het (anarchistisch) terrorisme een enorme terugval gekend heeft vanaf het ogenblik dat de georganiseerde arbeidersbeweging in de 19e eeuw is opgekomen. Het individueel verzet tegen onrecht dat voor sommigen uitmondde in een individuele of soms door een kleine groep georganiseerde, gewelddadige aanslag, werd in grote mate vervangen door het georganiseerde verzet van de arbeidersbeweging, zowel in de politieke als in de syndicale organisaties.

     Dit is vandaag ook de uitdaging, op de eerste plaats naar de jongeren uit de migratie. Het is een taak van de georganiseerde arbeidersbeweging om die jongeren een plaats te geven in de sociale strijd en hen zo een zinvol en democratisch perspectief te bieden. Zo moeten zij ook betrokken worden bij de beweging voor een sociale, democratische, ecologische en vredelievende maatschappij, waar zij hun plaats kunnen innemen zonder discriminatie. Dit is een cruciale uitdaging in de strijd tegen het terrorisme.

     Daarnaast zal de voedingsbodem voor terrorisme niet worden weggenomen zonder de oorzaken ervan aan te pakken. Alle vormen van terrorisme moeten veroordeeld worden, ook het staatsterrorisme.

     Naar aanleiding van de Europese Conventie tegen het terrorisme van 1979 werd als definitie van terrorisme “blind geweld tegen de bevolking” gehanteerd. Een eenvoudig begrip dat de essentie van terrorisme aanhaalt. Het VN-charter had al gesteld dat ook staten slechts geweld tegen andere staten konden gebruiken als ze zelf werden aangevallen of met toestemming van de VN. Terrorisme in alle vormen, gebruik van blind geweld tegen burgers of zonder internationaal mandaat, moet veroordeeld worden.

     Een links beleid tegen terrorisme zal verder het respect voor de fundamentele rechten van de burgers als uitgangspunt hebben. Deze zijn onder meer vastgelegd in het Europees Verdrag van de rechten van de Mens (EVRM) van 1950 en in de mensenrechtenconventies van de VN van 1966. Zij kwamen tot stand precies als reactie op de barbarij en rechteloosheid van de burgers onder het fascisme en nazisme. Een aantal van deze rechten, zoals privacy en vrije meningsuiting, zijn niet absoluut, maar de afwijking van die rechten moet beantwoorden aan de criteria die hiervoor zijn vastgelegd: is de afwijking noodzakelijk in een democratische samenleving, is zij proportioneel en dus niet buitenmaats, is het niet mogelijk om een minder ernstige aantasting van die vrijheid te realiseren door een andere maatregel te treffen. Kortom, het gaat om de principes van noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit.

     Links kan hierbij teruggrijpen naar het zeer belangrijke arrest van 8 april 2014 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat precies de dataretentierichtlijn van de EU vernietigde omdat ze strijdig was met de privacy en met het recht op gegevensbescherming. De grondrechten en vrijheden mogen niet het slachtoffer worden van het terrorisme, want anders hebben de terroristen gewonnen.

     Links zal ook de dubbele agenda van het beleid inzake terrorisme aanklagen. Er kan niet toegelaten worden dat onder de vlag van de strijd tegen het terrorisme hidden agenda’s tegen de sociale beweging worden doorgevoerd. Links zal ook permanent de sociale controle en de Big Brother ontwikkelingen aanklagen, niet enkel vanuit de overheid maar ook vanuit de multinationals.

     Links moet ook verdedigen dat de veiligheidsbenadering van het terrorisme vooral preventief dient te geschieden, door infoverzameling, info-uitwisseling, in kaart brengen, …

     Wat het repressieve onderdeel van het veiligheidsbeleid betreft moet opgekomen worden voor het terugschroeven van de uitzonderingswetgevingen en uitzonderingsmaatregelen. Terroristen moeten hard worden aangepakt en bestraft maar met hun re-integratie in de maatschappij voor ogen.

     Om te vermijden dat vakbonden en politieke en sociale bewegingen door de repressieve antiterreurwetten worden getroffen kan een wetsvoorstel zoals ingediend door Groen-Ecolo op 10 september 2014 ondersteund worden. Dit wetsvoorstel wil het strafwetboek wijzigen om “activiteiten van politieke, vakorganisatorische, menslievende, levensbeschouwelijke of religieuze aard dan wel met enig ander rechtmatig oogmerk” uit te sluiten van het toepassingsgebied van de strafwet.[24]

Privacy: voor het grote geld, niet voor Jan Modaal

“Een bijzonder aandachtspunt is de bescherming van de privacy.” (p. 147) Dat klinkt mooi en veelbelovend.

     Om de geloofwaardigheid van die woorden enige kracht bij te zetten had de regering kunnen aankondigen dat ze de Wet van augustus 2013 waarbij de telefoon- en internetcommunicatiedata van alle burgers gedurende een jaar worden bewaard, zou intrekken. Het zou een concrete stap geweest zijn zeker nadat het Europees Hof van Justitie in april 2014 de Europese Richtlijn waarop die Belgische wet gebouwd was, had vernietigd. Maar niet dus.

     De Big Brother-maatschappij komt met deze regering bijzonder snel dichterbij.

     Dat de regering de kritieke infrastructuren, het wetenschappelijk en economisch potentieel en de overheidssystemen wil beschermen tegen de cyberdreiging, is niet meer dan normaal. De massale hacking door NSA en andere diensten van deze voor het land cruciale structuren vraagt om een betere bescherming (p. 208). Maar wat wel een probleem stelt, is dat ze ook het doen en laten van elke gewone burger in dit land tot in elk detail wil kennen, ook al gaat het om zaken die niets met terrorisme of misdrijven te maken hebben.

     Een bijzonder gevaarlijke tendens is de wil om allerlei databanken aan mekaar te koppelen of bestaande databanken drastisch uit te breiden. De informatisering van justitie zal afgestemd worden op de informatisering bij de politie met het oog op een vlottere informatiedoorstroming (p. 111 en p. 137). De nieuwe ICT van het gevangeniswezen (Sidis Suite) zal op termijn gekoppeld worden aan de kruispuntbank sociale zekerheid (p. 124). De gegevensbank van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren (CKP) zal uitgebreid worden door er, naast niet betaalde bankkredieten ook niet betaalde rekeningen voor energie, telecom, personenbelasting… in onder te brengen. In die gegevensbank zullen ook personen met huurachterstanden opgenomen worden (p. 129). Justitiewatcher Jan Nolf uitte hierbij terecht de kritiek dat verhuurders deze databank zullen raadplegen en zo de zogenaamde zwakke huurders dreigen uitgesloten te worden op de huurmarkt. De twee inlichtingendiensten zullen informatie optimaal uitwisselen (p. 132). Het bestuurlijk luik van de Algemene Nationale Gegevensbank (ANG) van de politie zal toegankelijk worden voor de geïntegreerde politie (p. 145).

     Een databank mag enkel gegevens bevatten die verband houden met het doel ervan en de data mogen enkel voor dat doel gebruikt worden en niet voor iets anders.[25]

     Eén categorie blijft buiten schot: de grote financiële vermogens. Alle gegevens van de gewone man worden zorgvuldig in deze databanken verzameld. Maar er komt opnieuw geen vermogenskadaster. Het is tijd dat die elementaire democratische opdracht vervuld wordt, en dat er een inventaris wordt aangelegd van de rijkdommen in ons land. Laat ons de rijkdom in kaart brengen. Die rijkdom moeten we kennen om hem te activeren, om opnieuw te investeren in de samenleving, in plaats van ze te verbergen in belastingparadijzen.

Raf Jespers (raf.jespers at progresslaw.net) is advocaat bij Progress Lawyers Network. Hij is lid van de Liga voor de Mensenrechten en van de Internationale Vereniging van Democratische Juristen. Hij is auteur van het boek Big Brother in Europa, EPO Antwerpen 2010.


[1] Edward Snowden, An Open Letter to the People of Brazil, Folha de S.Paulo, 16 december 2013.Zie: http://www1.folha.uol.com.br/internacional/en/world/2013/12/1386296-an-o.... Andy Stevens, Snowden: ‘NSA-spionage gaat niet over terrorisme, maar over macht, De Standaard, 17 december 2013. Zie: http://www.standaard.be/cnt/dmf20131217_00891766.

[2] Arrest van 8 april 2014, Hof van Justitie van de Europese Unie, gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12.

[3] Arrest van 8 april, Hof van Justitie van de Europese Unie,

[4] Arrest van 8 april, Hof van Justitie van de Europese Unie,

[5] Edward Snowden, Videoconferentie Vrijheidsfestival te Brussel, 23 oktober 2014. Zie:

[6] Glenn Greenwald, Nulle part où se cacher, JC Lattès, Parijs, 2014, p. 286.

[7] De Morgen, 22 januari 2015.

[8] Paul De Hert, De Belgische politie- en veiligheidsagenda voor Europa is gematigd en Panopticon, 2009, 6.

[9] Ligue des droits de l’Homme, 19 januari 2015. Zie: http://www.liguedh.be/espace-presse/130-communiques-de-presse-2015/2242-....

[10] Regeerakkoord, 9 oktober 2014. Zie: www.premier.be/sites/default/files/articles/Accord_de_Gouvernement_-_Reg.... De paginanummers in de tekst verwijzen naar de pagina in deze versie van het

[11] Er zijn vier dreigingsniveaus: 1= laag, 2=gemiddeld, 3=ernstig, 4=zeer ernstig (KB 28 november 2006, artikel 11 §6). Ernstig: indien blijkt dat de dreiging tegen de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse mogelijk en waarschijnlijk is.

[12] VTM-nieuws, 16 januari 2015.

[13] Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten, Jaarrapport, 19 december 2013.

[14] La Libre, 14 januari 2015.

[15] Ibid.

[16] Ibid.

[17] Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, 7 december 1998. Zie: http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&c....

[18] Ligue des droits de l’Homme, 19 januari 2015.

[19] Tweet, 21 oktober 2014, @PaulGoossens2.

[20] Artikel 37bis en 38 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt bepaalt in welke gevallen de politie geweld mag gebruiken. Artikel 257 wetboek Strafrecht sanctioneert politie die zonder wettige reden geweld gebruikt. Artikel 416 wetboek Strafrecht bepaalt dat er geen misdrijf is wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van wettige verdediging van zichzelf of van een ander.

[21] Artikel 280 wetboek Strafrecht.

[22] Wet van 4 april 2014 tot wijziging van artikel 41 van de wet op het politieambt; deze wet kwam er na een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

[23] Council of the European Union, DS 1035/15, 17 januari 2015. Zie: https://archive.org/stream/pdfy-K9vv-wDwEyzhTKU6/eu-council-ct-ds-1035-15_djvu.txt .

[24] Wetsvoorstel 10 september 2014 van Stefaan Van Hecke en Zakia Khattabi, Doc 54 0248/001.

[25] R. Jespers, Big Brother in Europa, uitg. EPO, 2010, p. 128-134.