Vlaanderen en het neoliberaal regionalisme

Auteur: 
Pol De Vos

Met het Vlaanderen in Actie-plan (ViA) wil de Vlaamse regering haar concurrentievermogen in Europa verbeteren. We analyseren het beleid van deze coalitie (CD&V, SP.A en N-VA) voor wat betreft het concurrentievermogen en de werkgelegenheid en stellen vast dat dit kritiekloos gebaseerd is op de Europese dictaten. Vlaanderen wil de beste leerling van de neoliberale klas zijn. Alle regeringspartijen – ook N-VA – steunen voluit dit beleid. Dit beleid biedt geen perspectief, noch voor de industrialisering, noch voor de werkgelegenheid, noch voor het lenigen van de groeiende sociale noden.

De crisis in Vlaanderen

“De Vlaamse economie is sterk getroffen door de crisis”, lezen we in De Standaard van 19 juni 2013. “De werkgelegenheid in de Vlaamse KMO’s daalt. Het aantal startende ondernemers in Vlaanderen daalt. De aanwervingsprognoses in de Vlaamse bedrijven staan op het laagste peil in tien jaar. Sinds 2008 ging in de Vlaamse KMO’s 5,75 %van alle jobs verloren. In de industriële sectoren was er zelfs een verlies van meer dan 10 %. De Vlaamse bouwbedrijven zeggen in de laatste twaalf maanden ongeveer 3.000 jobs te hebben verloren, onder meer doordat de gemeenten veel minder geld hebben uitgetrokken voor wegenwerken.”[1]

Vlaams minister-president Kris Peeters (CD&V) ontkent niet langer dat er problemen zijn. Eind april 2013 wuifde hij nog elke kritiek op zijn beleid weg: “Vlaanderen zal in 2020 aan de Europese top staan. We denken niet aan de quotes in de krant van morgen, maar wel aan de krantenkoppen in 2020. En ik heb er vertrouwen in dat we in 2020 als kop zullen lezen, ‘Vlaanderen bij Europese top’.”[2] Maar sinds juni denkt hij daar anders over. “We kunnen niet meer wachten tot na de verkiezingen. Er moet nu iets gebeuren”, klinkt het vandaag. Peeters wil dat de federale regering nog vóór de verkiezingen van mei 2014 de loonkosten verlaagt. “Zonder de steun van de federale regering sta ik nergens. De volgende bijsturing van de federale begroting van 2013 is hét moment om dit grote probleem eindelijk aan te pakken.”[3]

Als CD&V-kopman voor de Vlaamse én de federale verkiezingen heeft Peeters de federale regering en ook de Waalse en Brusselse deelregeringen een concurrentiepact voorgesteld. Hiermee wil de CD&V haar “samenwerkingsfederalisme” concreet vorm geven tegenover het “conflictfederalisme” van de N-VA. Het pact moet een antwoord bieden op de roep om steun van de Vlaamse patroons en op de vraag van de federale regering aan de deelstaten om bij te dragen aan de begrotingsinspanningen. Peeters wil meebetalen aan de globale begroting van België en zelfs het Vlaams begrotingsevenwicht in vraag stellen.[4] Maar in ruil eist hij nu, onmiddellijk, twee procent loonlastenverlaging van de federale regering. De CD&V wil zich presenteren als de partij die resultaten boekt door met anderen akkoorden te sluiten en zich zo afzetten tegen de N-VA. “Niet samenwerken, is nefast voor de Vlaamse ondernemingen”, vindt Peeters.

Hij is ervan overtuigd dat hij zijn regio door het neoliberale moeras kan loodsen. Al sinds 2010 blijft hij herhalen dat Vlaanderen de beste leerling van de klas wil (en zal) zijn: “De mondialisering verplicht ons om gericht en versneld het industrieel weefsel te vernieuwen om het welzijn te vrijwaren. Dit besef maakt onderdeel uit van economische en politieke discussies in Europa. Vlaanderen wil zich positioneren als voorloper, als trekker van die vernieuwing.”[5] De Vlaamse minister-president rekent daarvoor op zijn regionaal economisch plan Vlaanderen in Actie (ViA).[6] Maar volgens cijfers van de Vlaamse administratie evolueert nauwelijks 38 % van de economische ViA-projecten positief, stagneert 33 % en krijgen bijna evenveel projecten (29 %) het label ‘negatief’ mee.[7] Als het Vlaamse beleid in de voorbije jaren niet het beoogde effect heeft gehad, moeten we het dan niet in vraag stellen?

De Europese context

Het Vlaamse beleid onder leiding van Kris Peeters situeert zich dus volledig binnen het Europese. Net als voor commissievoorzitter Barroso zijn voor Kris Peeters internationalisering en innovatie sleutelwoorden: “We zullen rekening moeten houden met een nieuwe benadering via waardeketens, clusterbeleid, deelname in internationale netwerken, partnerships en vooral, via méér innovatie.”[8] Hij belooft dat de Vlaamse regering daartoe ‘de juiste instrumenten’ zal ontwikkelen en is zelfs van mening dat Vlaanderen voorloopt op Europa: “Toen we ViA en Pact 2020 lanceerden, met als doel tegen 2020 bij de top vijf van Europese regio’s te behoren, waren we echte voorlopers. De Europese 2020-strategie, die pas later is opgestart, is zelfs in belangrijke mate een kopie van onze Vlaanderen in Actie.”[9]

Het versterken van het concurrentievermogen staat hierbij centraal. De klassieke neoliberale recepten moeten een gunstig investeringsklimaat scheppen voor de multinationals. Met dure regiomarketing en beloftes van ‘financiële stimuli’ allerhande concurreert Vlaanderen met de omliggende regio’s.

De zesde staatshervorming, die een nieuwe reeks bevoegdheden naar de regio’s overhevelt, zal de concurrentie tussen de gewesten in België nog aanscherpen. Uiteraard is dit voor Vlaams minister Geert Bourgeois (N-VA) nog niet voldoende. Met een volgende staatshervorming wil hij in 2014 nog een stap verder gaan: “In 2014 moet Vlaanderen de sociaaleconomische hefbomen in handen hebben om zijn eigen beleid te kunnen voeren. (…) “Dat is geen separatisme. N-VA gaat voor confederalisme. Het zwaartepunt van de bevoegdheden moet bij de deelstaten liggen. (...) De klemtonen om dit beleid te kunnen voeren moeten bij de eigen deelstaten liggen, zodat ze elk hun eigen beleid kunnen bepalen. En wat ze dan nog samen willen doen, bijvoorbeeld defensie en justitie, moeten ze dan bepalen.”[10] Peeters en de CD&V zijn het daar niet mee eens. Zij willen eerst alles uit de huidige staatshervorming halen. Maar ook deze huidige stap dreigt de onderlinge concurrentie op te drijven en de weerstand tegen een verdere afbraak van vakbonden en sociale organisaties – die vaak sterk nationaal georganiseerd zijn – te verzwakken.[11]

Er is trouwens iets eigenaardigs aan de hand in ons land. Alle zegebulletins over Vlaanderen ‘in actie’ in vergelijking met het ‘talmende’ Wallonië ten spijt, evolueren de economische groeicijfers van Vlaanderen en Wallonië vrij gelijklopend. Enkel Brussel heeft (licht) afwijkende cijfers.[12]

België is één globale economische entiteit is ondanks de verschillen tussen de regio’s. Een opsplitsing van de economie was nergens voor nodig. De Vlaamse en de Waalse economie zijn in de eerste plaats afhankelijk van de buurlanden. De splitsing kwam er vooral om de regio’s met elkaar te doen rivaliseren en alle sociale normen naar beneden te drukken. In laatste instantie drijft ze vooral de onderlinge concurrentie op, zodat zowel Wallonië als Vlaanderen ‘beter’ met elkaar en met de andere Europese regio’s kunnen concurreren om de neoliberale ratrace te winnen.

Vlaanderens concurrentiestrijd binnen Europa

Vlaanderen heeft een open exporteconomie die sterk georiënteerd is op de Europese Unie en vooral op de directe buurlanden met respectievelijk 75 % en 50 % van de export, in de eerste plaats chemische en farmaceutische producten, minerale producten (doorvoer via de Antwerpse haven), machines, toestellen en voertuigen, elektrisch materieel en kunststoftoepassingen [13]

Vlaanderen zet alles op alles om de interne Europese competitie te winnen door de productiefste en de goedkoopste te zijn. Productiever worden, arbeidskrachten goedkoper en investeringen voor multinationals aantrekkelijker maken enzovoort; dat is het doel. De resultaten van het Vlaamse beleid worden voortdurend vergeleken met die van de andere Europese regio’s. Op het vlak van de intra-Europese uitvoer blijft het Duitse marktaandeel relatief hoog, niet in het minst vanwege de delokalisering naar de geografisch nabij gelegen ‘lageloonlanden’ van de EU12.[14]

Om economisch te groeien ziet de Vlaamse regering heil in de samenwerking met de omliggende landen. Vlaanderen, Duitsland, Frankrijk en Nederland (en ook Wallonië maar die regio wordt niet vermeld) zijn sterk geïntegreerd. Maar binnen dat geheel is Duitsland de locomotief.[15] Het belang ervan blijkt ook uit de Strategienota Duitsland die de Vlaamse regering in 2006 heeft uitgewerkt.[16] Vlaanderen wil zijn wagonnetje aan de Duitse locomotief vasthaken. Zo kunnen we de Vlaamse (en eigenlijk de Belgische) economische strategie samenvatten: “De geografische nabijheid heeft geleid tot een wederzijdse afhankelijkheid op het vlak van mobiliteit en transport. Goede verbindingen tussen beide landen via waterweg, spoorweg, (regionale) luchtvaart, ondergronds transport (pipelines) of autoweg zijn van belang voor de economische ontwikkeling van beide, voor de welvaart van Vlaanderen in het algemeen en de ontwikkeling van onze havens in het bijzonder. Ongeveer 15 % van het hinterlandvervoer van de haven van Antwerpen gaat naar Duitsland en voor Gent en Zeebrugge is dit respectievelijk 11 en 13 %. (…) Deze keuze ligt voor de hand. Duitsland, hoewel niet onmiddellijk aangrenzend, is van groot belang voor Vlaanderen. Dit heeft vooral te maken met economische factoren zoals handel en investeringen. (…) Noordrijn-Westfalen is een dichtbevolkt Land (18 miljoen inwoners), waarmee op verschillende terreinen samenwerking plaatsvindt. (…) Wellicht biedt een trilaterale vorm van samenwerking met Nederland als derde partner interessante perspectieven.”[17]

Peeters is ook voorstander van een nauwere samenwerking met Nederland om ‘een nieuwe gezamenlijke Gouden Eeuw’ te creëren. Het oude Rijnlandmodel, dat staat voor een sociaal gecorrigeerde markteconomie, moet vervangen worden door een ‘model van de Lage Landen. “Het Rijnlandmodel heeft sommigen onder ons risicoschuw gemaakt”, vond Peeters in maart 2013. Een model van de Lage Landen moet “de troeven van Vlaanderen en Nederland combineren met het beste van de Duitse en Scandinavische modellen: de loonkosten en energiekosten aanpakken, meer loopbaanflexibiliteit en een stabiel ondernemersklimaat.”[18] Maar dit sterk neoliberale model is niet geschikt om verkiezingen te winnen. In de aanloop naar 2014 schuift CD&V-voorzitter Wouter Beke dan toch maar weer het Rijnlandmodel naar voor.[19] Het model van de Lage Landen blijft nog even in de kast liggen.

Wat ook de retoriek moge zijn, Vlaanderen onderschrijft onverkort het huidige Europese beleid van interne concurrentie tussen de regio’s en met andere blokken in de wereld. Zo stelt de Vlaamse regering: “Zowel het industriebeleid als het innovatiebeleid schrijven zich in de bredere EU-beleidsagenda in van de Lissabonstrategie voor groei en jobs. (…) De Vlaamse regering hecht het grootste belang aan een snelle en succesvolle uitkomst van de vrijhandelsonderhandelingen (Doha-ronde) binnen het multilaterale kader van de Wereldhandelsorganisatie. Enkel via dit kader kan men komen tot een transparant en rechtvaardig internationaal vrijhandelsregime.”[20]

Concurrentievermogen: productiviteit, loonkost en loonkost per eenheid product

Laten we even de neoliberale concurrentielogica volgen: Vlaanderen wil er alles aan doen om goedkoper en beter te zijn dan de anderen. De productiviteit en de loonkost spelen daarin een centrale rol. Eerst de arbeidsproductiviteit: op lange termijn neemt ze toe. Maar de crisisjaren eisen hun tol. Vanaf 2010 is er weer groei, maar in 2011 is het reële niveau van 2007 of 2008 nog niet opnieuw bereikt (zie figuur 2).

Figuur 1.  Arbeidsproductiviteit in het Vlaams Gewest (in kettingeuro’s[21] met referentiejaar 2000)

Arbeidsproductiviteit in het Vlaams Gewest

Bron: Studiedienst van de Vlaamse regering, Pact 2020 - Vlaanderen in Actie. Meeting kernindicatoren 2012. Zie: www.PACT2020.be, p. 15.

In vergelijking met de vijftien innovatieve benchmarkregio’s[22] staat het Vlaamse Gewest in 2008 op de vierde plaats, na drie Nederlandse regio’s. Maar uit onderstaande figuur 3 blijkt ook dat – in vergelijking met 2000 – heel wat regio’s hun achterstand tegenover Vlaanderen hebben goedgemaakt terwijl de ‘betere’ regio’s hun voorsprong hebben vergroot.[23]

Figuur 2.  Arbeidsproductiviteit in 2000 en 2008 (indexen, Vlaanderen = 1000)

Arbeidsproductiviteit in 2000 en 2008

Bron:    Eurostat, Research Centre of the Flemish Government.

In deze concurrentiestrijd speelt de loonkost een belangrijke rol. In 2008 bedroeg de gemiddelde arbeidskost in Vlaanderen 46.809 euro. Daarmee scoort Vlaanderen (uiteraard in termen van een zo goedkoop mogelijke productie en niet in functie van de koopkracht) ‘slecht’: we behalen de dertiende plaats op zestien benchmarkregio’s. Enkel West- en Zuid-Nederland en Denemarken hebben een nog hogere gemiddelde arbeidskost. De Duitse en Britse benchmarkregio’s en Baskenland zijn de goedkoopste…

Maar een correcter en belangrijker criterium is de loonkost per productie-eenheid. Die is een maatstaf voor het concurrentievermogen en wordt bepaald door de verhouding tussen de loonkost per werknemer en de arbeidsproductiviteit (bruto toegevoegde waarde per werknemer). Men streeft naar een lagere loonkost per eenheid product. Tussen 2002 en 2007 was er een daling, maar in 2008 en 2009 ging de loonkost weer omhoog (figuur 2). Het tussentijdse rapport van 2012 heeft daar een duidelijke verklaring voor: “Het werknemersbestand hield beter stand omwille van een vertragende reactie op conjunctuurbewegingen en omwille van de sociale bescherming van werknemers.” Met andere woorden: dankzij de sociale wetgeving (onder meer de bescherming tegen afdankingen) en het verzet van de vakbonden, konden de patroons de economische crisis niet (nog meer) op de arbeiders afwentelen.

In een Europees kader behaalt Vlaanderen in 2008 qua concurrentievermogen de vijfde plaats dankzij zijn hoge productiviteit. Alleen enkele Duitse regio’s, Finland en Baskenland scoren beter. De hoge productiviteit compenseert in belangrijke mate de loonkost. Maar binnen het neoliberale denkkader van de concurrentiestrijd is dit onvoldoende, want andere regio’s doen het straks nóg goedkoper. Uiteindelijk duwen alle Europese landen elkaar in een neerwaartse spiraal – het Duitse model achterna – met loonafbraak, jacht op de werklozen en minijobs als ‘oplossing’.

De Vlaamse strategie: uitgroeien tot een concurrentiële polyvalente kenniseconomie

ViA-2020 moet Vlaanderen tegen 2020 weer in de top vijf van de Europese regio’s brengen door de ontwikkeling van een competitieve, polyvalente kenniseconomie. Tegelijk moet de ‘werkgelegenheid’ (waarmee men vooral de ‘tewerkstellingsgraad’ bedoelt) gestimuleerd worden.[24] Alleen zo kan Vlaanderen zijn welvaart in stand houden, stelt Via-2020. Het plan omvat een brede waaier van maatregelen op het vlak van economie, financies, sociale ontwikkeling, cultuur, milieu enzovoort. Toch is in de eerste plaats de economische onderbouw van belang. Alle andere beleidsdomeinen zitten gevangen in het neoliberale keurslijf dat hiermee wordt opgelegd. Concurrentievermogen is het dwingend denkkader.

Concrete maatregelen zijn: 1. innovatie; 2. buitenlandse investeerders aantrekken; 3. inzetten op logistiek en mobiliteit; 4. een groenere economie; 5. steun aan bedrijven om hen door de crisis te loodsen. We geven de hoofdlijnen aan.

Uitbouw van een kenniseconomie

De Vlaamse industrie heeft een zeer hoog productiviteitsniveau ontwikkeld. Dat groeimodel heeft echter grenzen: hoe meer een economie ontwikkeld is, hoe moeilijker het wordt om de productiviteit nog te verhogen. Om het concurrentievermogen toch verder te verbeteren, moet er extra ingezet worden op kennis en innovatie. Maar in de neoliberale logica dient die innovatie niet in de eerste plaats om de grote maatschappelijke problemen aan te pakken, zoals de ecologische ramp die op ons afkomt of de enorme uitdagingen op het vlak van scholen en woningen en leefbare werkomstandigheden, maar om het nu al dolgedraaide productiviteitsmodel nog verder voort te stuwen.

In 2006 was 11,7 % van de Vlaamse werkende beroepsbevolking actief in de kennisintensieve sectoren (technologische diensten of medium- en hoogtechnologische industrie). Dit is meer dan in de EU27 maar minder dan in Duitsland (14,2 %). Het doel is om tegen 2014 3 % van het bruto binnenlands product te spenderen aan Onderzoek en Ontwikkeling (O&O). Dat was 1,92 % in 1997, 2,37 % in 2001 en 2,15 % in 2010.

Voor de Vlaamse regering kadert deze innovatie in “een ‘Nieuwe Industriële Politiek’ die een langetermijntransformatie nastreeft van de Vlaamse industrie”. Meer onderzoek moet leiden tot nieuwe producten die de concurrentiekracht van de Vlaamse economie vergroten. Een hoger aantal mensen aan het werk in kennisintensieve sectoren, meer innovatie in alle sectoren en een toenemend aantal patentaanvragen, dat is het doel. Speerpuntdomeinen zijn informatie- en communicatietechnologie (ICT), gezondheidszorg, logistiek en elektriciteitsnetwerken, en eco-innovatie.

Kris Peeters: “Vandaag wordt 50 % van Onderzoek & Ontwikkeling op wereldvlak uitgevoerd door ‘slechts’ 700 grote bedrijven. Het toont nog maar eens aan dat we onze grote bedrijven in Vlaanderen alle ondersteuning moeten bieden op een verdere groei en ontwikkeling.”[25] Volgens Peeters ligt hier een taak voor de overheid: steun aan de innovatie van multinationals. Vaak wordt de rol van de overheid (en de universiteiten) in die innovatie onderbelicht. Nochtans zijn veel vernieuwingen gebaseerd op fundamenteel onderzoek aan universiteiten, gefinancierd door de belastingbetaler. Ook privéonderzoek wordt gesteund met publieke fondsen. Maar nieuwe uitvindingen en brevetten worden doorgaans op de markt gegooid zonder volwaardige return op het geïnvesteerde overheidsgeld.[26] Waarom worden de kosten gesocialiseerd en de winsten grotendeels geprivatiseerd? Is het niet logisch dat de resultaten van publiek gefinancierd onderzoek ook (mee) onder publieke controle blijven?

Vlaanderen in dienst van de multinationals

Binnen de Europese Unie (en wereldwijd) beconcurreren de regio’s elkaar om deze multinationale ondernemingen zo aantrekkelijk mogelijke voorwaarden aan te bieden. Bijvoorbeeld in de automobielindustrie. Door (vooral) de productievermindering van VW/Audi in Vorst en de sluiting van Opel Antwerpen heeft Vlaanderen sinds 2006 aanzienlijke verliezen geleden. In 2012 daalde de Belgische autoproductie zelfs met 9 %. De aangekondigde sluiting van Ford Genk in 2014 maakt de situatie nog problematischer. Ook veel toeleveringsbedrijven en -diensten moeten dan noodgedwongen de deuren sluiten. Niet alleen dreigt Limburg een economische woestijn te worden, de sluiting zal bovendien een erg negatieve invloed hebben op het geheel van de economische resultaten van Vlaanderen.

En wat doet de Vlaamse regering van Peeters en Co? Het enig mogelijke in dit economisch systeem: nog meer cadeaus beloven aan multinationals, nog meer belastingverminderingen, nog meer flexibiliteit. De regionale opbodpolitiek wordt nog aangescherpt. In ViA-2020 klinkt dit zo: “Een doeltreffend acquisitiebeleid[27] veronderstelt onder meer een efficiënte regiomarketing, een snelle detectie van mogelijke kandidaat-investeerders, een duidelijke en volgehouden briefing van kandidaat-investeerders over onze sterke troeven ten opzichte van de ons omliggende regio’s en een intensieve begeleiding van de kandidaat-investeerders bij selectie van sites, de site visits en het eventueel daaropvolgende investeringstraject.” Maar zo’n beleid maakt Vlaanderen erg afhankelijk van die multinationals. Strategische beslissingen (bijvoorbeeld voor de autoproductie) worden in het buitenland genomen. Vaak is de keuze het gevolg van strategische marketing (voorkeur voor grote nationale markten) en het nastreven van een politiek evenwicht (voorkeur voor grote landen).[28]

Logistiek en mobiliteit: havens, spoorwegen en wegen

Logistiek is een belangrijke Vlaamse troef. Het ViA-plan stelt dat de weg, het spoor, het water en de lucht verder moeten ontwikkeld worden als transportmodi. De Vlaamse regering wil samen met Nederland de Deltaregio promoten. “De globalisering wordt een inherent onderdeel van ons model”, verklaarde Peeters. Vooral op logistiek vlak moeten Vlaanderen en Nederland zich samen verkopen in de wereld. “Multinationals kiezen immers niet langer voor de haven van Antwerpen of voor de haven van Rotterdam als logistieke uitvalsbasis”, aldus Peeters. “Zij kiezen voor de Deltaregio. Zij kiezen voor een geheel van diensten dat op een heel kleine oppervlakte beschikbaar is.” De Deltaregio moet “wereldwijd bekend staan als het logistieke centrum van Europa. De BRICS-landen zullen de Deltaregio gebruiken als toegangspoort naar Europa”, droomt Peeters.[29]

Maar als er niet drastisch wordt ingezet op spoor- en waterwegen zal België – en zeker Vlaanderen – helemaal dichtslibben. Vandaag al zijn Antwerpen en Brussel filekampioenen. In Brussel staat de automobilist gemiddeld 85,4 uur per jaar in de file. Antwerpen volgt op de tweede plaats met 76,7 uur per jaar. Los Angeles, Milaan en Londen vervolledigen de top vijf. België in zijn geheel zadelt de bestuurder op met gemiddeld 59,7 uur fileleed, wat nog eens een eerste plaats oplevert. Nederland volgt op de tweede plaats met 46,1 uur. Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) hangt aan de verkeersknoop een kostenplaatje vast van 1 tot 2 % van het bbp.[30]

ViA stelt zich tot doel tegen 2020 minder dan 5 % verliesuren te creëren op de hoofdwegen (op het totaal aantal gereden vervoeruren) en wil tegelijk de milieu-impact van het goederen- en personenvervoer beperken. Een Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ontwikkelt de missing links in weg-, water- en spoorvervoer. Wat daarbij opvalt, is de tegenstelling tussen enerzijds de precieze becijfering van de verwachte impact van deze mobiliteitsplannen op verliesuren en anderzijds het feit dat er voor de milieu-impact wel retorische maar geen becijferde doelstellingen bestaan. De saga van de Antwerpse Lange Wapperbrug of -tunnel is een goed voorbeeld…

Groene etiketten

In het ViA-plan staat een mooie paragraaf over duurzame ontwikkeling: “Het uiteindelijke succes van een vlotte omschakeling naar een groene economie, als bouwsteen van het DNA van de Vlaamse samenleving, is inherent verbonden aan de ontwikkeling van een geïntegreerd en doordacht beleid ten behoeve van de komende generaties, door het realiseren van de doelstellingen van het Pact 2020, waarbij zowel de ecologische, de sociale als de economische belangen elkaar moeten aanvullen en ondersteunen. De groene economie bouwt immers voort op de principes van duurzame ontwikkeling, waarbij niet alleen het milieu, maar ook de sociale en economische ontwikkeling van onze maatschappij centraal staan.”

ViA-2020 droomt van een groen economisch beleid door de schepping van groene banen en de ontwikkeling van kennis en innovatie voor groene toepassingen en hernieuwbare energie. Een masterplan groene economie moet hieraan invulling geven. Innovatie moet “de uitstoot van broeikasgassen met 20 % verminderen ten opzichte van 1990, het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het finale energieverbruik opvoeren tot 20 %; en een verbetering bereiken van de energie-efficiëntie met 20 %.” Maar ‘een groenere economie’ die onderworpen is aan de concurrentielogica en de nood aan hoge winstcijfers is zeer kwetsbaar. Het typevoorbeeld is uiteraard de emissiehandel: een volstrekt artificiële markt waarop een heel bizar product wordt verhandeld, namelijk het recht op CO2-uitstoot. Intussen is die markt jaarlijks ettelijke tientallen miljard euro waard.

Dan is er nog de zogenaamde ‘groene stroom’, door Tom De Meester vakkundig geanalyseerd in zijn boek Opgelicht. Op vijf jaar tijd is het marktaandeel van duurzaam geproduceerde elektriciteit gestegen van 17 naar 54 %, zo blijkt uit de statistieken van de VREG, de toezichthouder op de Vlaamse energiemarkt. Maar volgens officiële statistieken wordt in België niet 54 % groene stroom geproduceerd, maar slechts 7 %. In plaats van te investeren in innovatie bedriegt men liever de bevolking. “Grijze stroom wordt verpatst als groene stroom”, schrijft De Meester. “Wat leveranciers als groene stroom verkopen, komt gewoon uit de kerncentrale van Doel of de gascentrale van Jemappes-sur-Sambre. Maar er wordt een groen etiket opgeplakt.”[31] Creatief, dat wel… maar allesbehalve groen!

Een ander ingrediënt van het masterplan is de idee dat de vrije concurrentie zal leiden tot groene innovaties en nieuwe technologieën die de planeet zullen redden. Net zoals zonnepanelen almaar efficiënter en goedkoper worden, zou de vrije concurrentie vroeg of laat leiden tot de ontwikkeling van wondertechnologieën die heel de problematiek van de klimaatverandering uit de wereld zullen helpen. Maar zo werkt het niet. In dit systeem is er maar één maatstaf: de winst. De vrije markt en het neoliberalisme kunnen het klimaat niet redden, net zoals ze de welvaart en het welzijn van de bevolking niet kunnen verzekeren. Niet in Vlaanderen, niet in België, en niet in Europa. Als alles ondergeschikt wordt gemaakt aan de winstlogica, is er immers geen plaats voor een sociaal en ecologisch beleid. Een dergelijk beleid vereist een planmatige, publieke en democratische ontwikkeling van de samenleving.

Werkgelegenheid

Terwijl de in de industrie gecreëerde toegevoegde waarde in stijgende lijn ging, daalde de totale industriële tewerkstelling in Vlaanderen van 469.500 in 1995 naar 376.000 in 2011 (figuur 4). Daar waar de Vlaamse industrie in 2011 20 % minder mensen tewerkstelde dan in 1995, was de daling over dezelfde periode kleiner in Wallonië (-13 %) en ging gepaard met een sterkere relatieve toename van de toegevoegde waarde. De Vlaamse industrie deed het in de voorbije tien jaar minder goed dan de Waalse (al vertrok die van een lager startniveau). Dit is onder meer te verklaren uit de sectorale samenstelling. Zo zijn de textiel- en de automobielindustrie veel omvangrijker in Vlaanderen dan in Wallonië. Die twee sectoren hebben het de voorbije jaren in heel West-Europa hard te verduren gekregen.[32]

Figuur 3. Industrie: evolutie tewerkstelling en (bruto)toegevoegde waarde (index 1995=100) in het Vlaams en Waals Gewest (1995-2011)

Industrie: evolutie tewerkstelling en (bruto)toegevoegde waarde  (index 1995=100) in het Vlaams en Waals Gewest

Bron:    HERMREG (Bewerking Steunpunt WSE).

Noot:    De evolutie van de (bruto)toegevoegde waarde wordt gemeten volgens constante prijzen.

Figuur 4 toont ook hoe de industrie in 2009 fors terugvalt, terwijl de toegevoegde waarde procentueel sterker daalde dan de tewerkstelling. In die periode werd de productiedaling immers deels opgevangen door werknemers minder uren te laten werken of door gebruik te maken van het stelsel van tijdelijke werkloosheid. Vooral in de automobiel- en de metaalsectoren werd de vermindering van het arbeidsvolume in eerste instantie opgevangen door zulke maatregelen. Maar ondertussen viel de beslissing over de sluiting van Ford Genk en van een belangrijk deel van ArcelorMittal in Luik.

Merk op figuur 5 de sterke daling van de tewerkstelling in de zes grootste industriële takken sinds 1970. In de textielsector was er tussen 1970 en 2011 een daling van 86 %, van 220.000 naar nauwelijks 30.000 werknemers. Ook ging er een pak banen verloren in de metaalsector (van 220.000 naar een kleine 100.000 of -56,4 %) en bij de vervaardiging van machines en toestellen (van 150.000 naar 69.000 of -53,2 %). In de voedingsindustrie daalde de tewerkstelling tussen 1970 en het begin van de jaren 1990 van 137.000 naar een kleine 100.000 werknemers. Opvallend is dat de tewerkstelling daar sindsdien relatief constant is gebleven. Ook de chemische nijverheid is stabiel, al lag de tewerkstelling in 2011 (72.000) lager dan in 1970 (84.000). De automobielsector (vervaardiging van transportmiddelen) kende van 1970 tot begin jaren 2000 een relatief stabiele tewerkstelling, rond de 70.000 werknemers. Vanaf 2000 ging het echter bergaf, zodat er in 2011 nog nauwelijks 43.000 mensen aan het werk waren. Met de sluiting van Ford Genk in het verschiet valt hier een verdere daling te verwachten. [33]

Figuur 4. Evolutie tewerkstelling in de belangrijkste industriële sectoren (België, 1970-2011)

Evolutie tewerkstelling in de belangrijkste industriële sectoren  (België, 1970-2011)

Bron:  EU Klems Database (Bewerking Steunpunt WSE).

De dalende tewerkstelling is in belangrijke mate het gevolg van een sterke toename van de arbeidsproductiviteit (en dus een hogere toegevoegde waarde per arbeidskracht). In theorie zou dit kunnen leiden tot een verder doorgedreven arbeidsverdeling, betere arbeidsvoorwaarden en meer investeringen in de sociale sector. Maar de neoliberale logica staat haaks op deze sociale doelstellingen. Terwijl een deel van de werknemers hyperflexibel en altijd beschikbaar moet zijn, is een ander deel werkloos en hopeloos op zoek naar een vaste baan.

Een deel van deze daling van de werkgelegenheid in de industrie is daarnaast te wijten aan de strategie van ‘zelfstandige’ onderaannemingen. Al is het moeilijk daar concrete cijfers op te plakken, in veel sectoren is een deel van de directe banen in de industrie overgeheveld naar dienstverlenende KMO’s (naast andere ‘onafhankelijke’ KMO’s die ook tot de industrie worden gerekend). Deze indirecte tewerkstelling is vaak slechter betaald en nog flexibeler. Het bestaan van deze KMO’s is volledig afhankelijk van de bedrijfsstrategie van de multinational in kwestie. Ford Genk is daar een duidelijk voorbeeld van. De aangekondigde bedrijfssluiting betekende meteen ook de doodsteek voor tal van ‘zelfstandige’ bedrijven.

Hoe de Vlaamse regering de werkgelegenheid wil stimuleren…

Het Vlaamse arbeidsmarktbeleid streeft in essentie twee doelstellingen na: 1. het verlagen van de loonkost en 2. het verhogen van de werkzaamheid. Samen met de verdere flexibilisering van de arbeid vormen zij een belangrijk onderdeel van het concurrentiebeleid. De patroons moeten gemakkelijker en goedkoper werknemers kunnen inzetten en ontslaan. Zo wordt een hogere productiviteit nagestreefd. Dit deel van het arbeidsmarktbeleid staat dus niet ten dienste van de werkgelegenheid maar van de internationale concurrentieslag.

Lagere loonkosten

Van het Europese over het federale tot het Vlaamse beleidsniveau: steeds wordt de daling van de loonkost naar voor geschoven als essentiële doelstelling ‘voor de verbetering van ons concurrentievermogen’. Hierboven zeiden we al dat de loonkost maar een zeer beperkte rol speelt in het concurrentievermogen van Europa in de wereld, en dat de lagelonenconcurrentie vooral gevoerd wordt tussen de regio’s binnen Europa zelf.

Daarnaast hoor je vaak dat lagere loonkosten ‘vanzelf’ meer werkgelegenheid zouden opleveren. Dit verband tussen loonkosten enerzijds en tewerkstelling anderzijds wordt aangegeven door de loonelasticiteit. Voor België wordt die geschat op 0.13. Dit betekent dat een daling van de reële loonkost met 10 % de tewerkstelling op lange termijn doet stijgen met 1,3 %. Deze zeer onelastische arbeidsvraag maakt dat een toename of vermindering van de reële arbeidskost slechts een beperkte invloed heeft op de tewerkstelling. ‘De schepping van meer tewerkstelling’ kan dus niet als argument gebruikt worden voor loonmatiging, bijvoorbeeld door een verdere afbraak van het Belgische loonindexeringsmechanisme. Enerzijds blijkt het negatieve effect op de tewerkstelling van een mogelijke loonkostenstijging door indexering kleiner dan verwacht. Anderzijds zou een afschaffing van het indexsysteem een koopkrachtdaling kunnen veroorzaken die de geaggregeerde vraag aantast.[34],[35]

Werkzaamheid

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) verwacht voor 2014 een stijging van de werkloosheid in België van 8,6 naar 8,9 %.[36] Hetzelfde geldt voor de meeste landen van Europa. Spanje en Griekenland zullen werkloosheidscijfers halen van bijna 28%. Enkel Duitsland kan een daling van 5,3 naar 4,7 % tegemoet zien. “Het zijn de jongeren en laaggeschoolden die het zwaarst worden getroffen”, waarschuwt de organisatie. Maar, zo voegt de OESO eraan toe, oudere werknemers vervroegd uit de arbeidsmarkt laten stappen zou niets oplossen. De crisis op de arbeidsmarkt moet bekampt worden met structurele maatregelen…

Deze crisis op de arbeidsmarkt is het gevolg van een structurele crisis op Europees en wereldwijd niveau. Je zou dan ook verwachten dat de ‘structurele’ maatregelen die de OESO voorstelt invloed zouden hebben op het aantal openstaande banen door ‘de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen’. Het tegendeel is waar: men gaat achter de slachtoffers aan. De OESO wil vooral dat er meer middelen worden uitgetrokken voor de activering van werklozen. En natuurlijk voor meer flexibiliteit en lagere lonen.

Doelstelling – vertaald in wetstratees en gebaseerd op Europese richtlijnen – is “het actieve arbeidsmarktbeleid doeltreffender te maken door specifiek op oudere werknemers en kwetsbare groepen gerichte maatregelen te treffen”.

De zesde staatshervorming is hier van belang omdat een hele reeks bevoegdheden op dit terrein worden overgeheveld naar de regio’s. “Meer mensen aan het werk in meer werkbare situaties en in carrières die gemiddeld langer duren.” Dat is de algemene teneur van het Vlaamse arbeidsmarktbeleid.

De Vlaamse regering wil de arbeidsparticipatie van vrouwen en mannen in de leeftijdsgroep 20-64 jaar op 75 % brengen door een grotere participatie van jongeren, ouderen en laaggeschoolden en een betere integratie van legale migranten. Niet door meer werk aan te bieden in de sociale sector of in de overheidsondernemingen, wél door de individuele werkzoekende zélf verantwoordelijk te stellen om de competitie voor de schaarse jobs te winnen. Als onderdeel van de globale ratrace om de meest concurrentiële regio van Europa te worden, is er nu dus ook de individuele ratrace om de meest interessante capaciteitenportefeuille voor te leggen.

Werkenden en werkzoekenden moeten hun bekwaamheden en hun ervaring beheren als een aandelenportefeuille en een zo goed mogelijke return on investment nastreven.

De Vlaamse regering wil deze logica de wind in de zeilen geven door vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen door middel van bijscholingen en herscholingen en door minderheidsgroepen (vrouwen, allochtonen) beter te ondersteunen. Competentieversterking, herscholing en extra opleidingen zijn op zich een goede zaak. Maar hier dreigt de balans door te slaan naar ‘alles in functie van de onderlinge concurrentie tussen de werknemers’. Daarnaast is er nog de problematiek van het onderwijs. De kwaliteit moet omhoog maar er is zogezegd onvoldoende geld voor nieuwe scholen, laat staan om leraars beter te begeleiden en te motiveren.

Ook het versterken van de ‘ondernemerscultuur’ is een doelstelling van de Vlaamse regering. Dit moet gebeuren door het aanmoedigen van jonge starters, van ondernemerschap bij vrouwen, allochtonen en ouderen… Essentieel daarin zijn de zogenaamde ‘brugprojecten’. Zij moeten een brug slaan tussen het onderwijs en de ondernemingswereld. De theorie in het onderwijs verbinden met de praktijk in de bedrijfswereld en zo het ondernemerschap stimuleren bij de schoolgaande jeugd – van het basisonderwijs tot aan de hogescholen en universiteiten. Vanuit pedagogisch perspectief is dit een zeer ideologiserende evolutie, waarbij een brede en gezond kritische maatschappelijke basisopleiding wordt verminderd en ondergeschikt gemaakt aan een neoliberale economische logica.

Flexibiliteit tot het uiterste

De precaire situatie van het werklozenstatuut verhoogt de druk op de werklozen om slecht betaalde en zeer flexibele jobs te aanvaarden. Een dergelijk activeringsbeleid op basis van onderlinge concurrentie op een overbezette arbeidsmarkt leidt vooral tot meer flexibiliteit, minder stabiele jobs en lagere lonen. In verschillende Europese landen is het zogenaamde ‘nul uren’-contract de nieuwe trend: een werkcontract waarin de werkgever totale beschikbaarheid eist zonder ook maar één uur werk te garanderen.[37],[38],[39],[40]

De logica van de Vlaamse regering (en van bijna elke regering in de Europese Unie) die pretendeert dat het versterken van het concurrentievermogen zal leiden naar economische groei die ‘onze welvaart’ in stand zal houden en ‘ons sociaal stelsel’ zal vrijwaren, botst frontaal met de realiteit van een toenemend aantal euromiljonairs én een groeiend leger van armen.

“Eén Vlaming op tien leeft in armoede”, titelt Het Laatste Nieuws op 21 juni 2013. “De kinderarmoede is in tien jaar tijd zelfs verdubbeld en ligt nu ook op bijna 10 procent.”

Hoewel de Vlaamse regering armoedebestrijding tot absolute topprioriteit uitriep, zijn er volgens Netwerk tegen Armoede nauwelijks concrete maatregelen genomen: er zijn kleine stappen gezet in verband met de toegang tot de arbeidsmarkt, tegen kinderarmoede, er is de proactieve dienstverlening enzovoort. Maar de deadline voor 43.000 bijkomende sociale woningen is verschoven van 2020 naar 2023. De huurpremie is er enkel voor wie al vijf jaar wacht op een sociale woning.

Maar vooral: de tegenstelling tussen dit schuchtere beleid van ‘armoedebestrijding’ enerzijds, en de agressieve ‘armoedeversterking’ door het nemen van structurele maatregelen op het vlak van arbeidsmarkt, werkloosheid en sociale zekerheid anderzijds, verscherpt voortdurend.

Op een krappe arbeidsmarkt worden de slachtoffers van dit beleid als concurrenten tegen elkaar uitgespeeld. In een samenleving met ongeziene rijkdom worden sociale rechten als onderwijs, arbeid en welzijn constant uitgehold.[41]

Er zijn geen maatschappelijke problemen meer. Werkloos? Arm? Gediscrimineerd? Eigen schuld, want je beheert je ‘competentieportefeuille’ niet goed.

Pol De Vos (pdvos at itg.be) is geneesheer en doctor in de medische wetenschappen. Hij werkt aan het Departement Openbare Gezondheid van het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen. Hij is lid van de Studiedienst van de Partij van de Arbeid van België. Bibliografie op poldevos.blogspot.com.


[1] De Standaard, 19 juni 2013.

[2] Het Laatste Nieuws – De Morgen, 30 april 2013.

[4] Het Laatste Nieuws, Regeringen gaan werk- en competitiviteitspact sluiten, 18 juni 2013. Zie: www.hln.be/hln/nl/957/Binnenland/article/detail/1654106/2013/06/18/Reger....

[5]  Kris Peeters, Toespraak op de Staten-Generaal van de Industrie, 5 februari 2010.

[8] Kris Peeters, op. cit.

[9] Engineeringnet Magazine, september 2011, p. 10-13. Zie: www.mainpress.com/nederlands/dossier_automation/pdf/krispeeters.pdf.

[10] De Morgen, 20 maart 2013.

[11] Herwig Lerouge, Welke inzet hebben de verkiezingen van 2014 in Vlaanderen?, Marxistische Studie, nr. 103, september 2013.

[12] Henri Houben, De Belgische economische strategie: zich vasthaken aan de Duitse locomotief, Marxistische Studies, nr. 104, 2013.

[13] Studiedienst Vlaamse Regering, Kernindicatorenmeeting 2012. Vlaanderen in Actie 2020. Brussel. 2012.

[14] EU12: Bulgarije, Cyprus, Tsjechië, Estland, Hongarije, Litouwen, Letland, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije.

[15] Henri Houben, Idem.

[16] Vlaamse Regering, Afdeling Buitenlandse Zaken, Strategienota Duitsland, 2006. Brussel.

[17] Idem.

[18] De Tijd, 12 maart 2013.

[19] Nicolas Bouteca, Waar staat het moedige midden nu voor?, De Morgen, 20 juni 2013.

[20] Kris Peeters, Beleidsnota 2009-2014. Economie. Zie: http://www.vlaanderen.be/sites/default/files/documents/11_economie_belei....

[21] Kettingeuro: om de volumegroei van het bbp te meten is het nodig om uit te gaan van constante prijzen. De Europese Unie update hiervoor elk jaar de prijsstructuur.

[22] Benchmark: een referentiekader of ijkingskader dat toelaat prestaties van apparaten, systemen of organisaties te vergelijken.

[23] Government of Flanders, Flanders Outlook 2012. A benchmark of Flanders amongst the European regions. Brussel, februari 2012.

[24] De tewerkstellingsgraad of werkzaamheidsgraad meet het aandeel werkenden in de bevolking (op beroepsactieve leeftijd). Onder ‘werkenden’ verstaan we iedereen die in een bepaalde referentieweek minstens één uur betaalde arbeid heeft verricht (definitie van de Internationale Arbeidsorganisatie).

[25] Kris Peeters, Toespraak op de Staten-Generaal van de Industrie, 5 februari 2010.

[27] Acquisitiebeleid: in deze context bedoelt men hiermee het beleid dat erop gericht is nieuwe multinationale ondernemingen te zoeken, te vinden en te binden.

[28] Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie. Panorama van de Belgische Economie in 2012, p. 127. Zie: http://economie.fgov.be/nl/binaries/Panorama_2012_NL_TOT_tcm325-228508.pdf.

[29] De Tijd, 12 maart 2013.

[31]  Tom De Meester, Opgelicht, EPO, Antwerpen, 2013, p. 64.

[34] Wout Laenen, Cindy Moons, Damiaan Persyn, De invloed van loonlasten op de vraag naar arbeid: een vergelijkende studie van België en de buurlanden. HUB Research Paper 2011/10.

[35] Het begrip totale vraag (ook wel geaggregeerde vraag) is een in de macro-economie gebruikte keynesiaanse term (gewoonlijk aangegeven door het symbool Y ) voor de geaggregeerde vraag in een gegeven economie. De totale vraag bestaat uit de vijf volgende elementen: Yd = C + I + G + NX waarbij C staat voor de consumptie van de huishoudens, I voor investeringen, G voor overheidsuitgaven (Engels: government), NX = X – M voor de handelsbalans, X voor export, en M voor import.

[36] De Morgen, OESO verwacht stijgende werkloosheid voor België in 2014, 16 juli 2013.

[39] Reuters, One million British workers on zero-hours contracts – survey, 5 augustus 2013. Zie: uk.reuters.com/article/2013/08/05/uk-britain-employment-zero-idUKBRE97409D20130805.

[40] De Standaard, 5 augustus 2013. Zie: www.standaard.be/cnt/dmf20130805_00681649.

[41] Bea Cantillon, Veerle de Maarsschalk, De sociale investeringstaat: enkele kritische overwegingen bij een nieuw beleidsparadigma, CSB, oktober 2012.