Voor een democratische toekomsteconomie: nadenken over een linkse digitale agenda

Auteur: 
Bernd Riexinger

De nieuwe sprong die de digitalisering maakt, zou weleens verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor het werk en het dagelijkse leven. Vaak wordt dat enkel als doemscenario geschetst. De duidelijke stijging van de arbeidsproductiviteit en nieuwe productievormen kunnen echter ook kansen bieden voor een evenwichtigere, zelf bepaalde balans tussen werk en gezin, voor een sociaal rechtvaardigere en milieuvriendelijkere organisatie van de economie – en voor nieuwe vormen van democratie, waarbij ook rekening wordt gehouden met het privéleven en werk.

Uitdagingen van de digitalisering

Door de digitalisering ontstaat er een “globale informatie- en communicatieruimte” (Boes e.a. 2014) die bedrijven kunnen gebruiken als een soort “eBay voor arbeidskrachten”. Tot dusver konden multinationals in onbeperkte mate internationaal op zoek gaan naar arbeidskrachten zonder ze aan het bedrijf te binden. De snelheid waarmee de technologie zich ontwikkelt, maakt het mogelijk dat “economisch sterke krachten op ‘bewegingsoorlogen’ (Gramsci) overschakelen” (Ohm/Bürger 2015: 20). Zo komen, door de op wereldschaal handelende multinationals, de bestaande, nationaal georganiseerde structuren zoals medezeggenschap, arbeidsrecht en de verzorgingsstaat als actieterreinen van de vakbonden nog meer onder druk te staan. De mogelijkheden die reeds ontwikkeld zijn, zoals crowdsourcing en cloudworking, veranderen de arbeidsrelaties dramatisch. Met opdrachtcontracten tewerkgestelde nieuwe schijnzelfstandigen vallen niet onder het arbeidsrecht en de medezeggenschapwetten. Door hun ruimtelijke verspreiding en hun tewerkstellingsbasis, één bepaald project, zijn ze moeilijk te organiseren. Momenteel zijn er via portals zoals freelancer.com ongeveer 15 miljoen van dat soort freelancers actief. McKinsey gaat ervan uit dat dat er tegen 2020 zo’n 160 miljoen zouden kunnen zijn (zie Bontrup 2015).

Het zou erg kortzichtig zijn om te denken dat alleen mensen met weinig kwalificaties door de risico’s van de digitalisering getroffen zullen worden. De hogere kwalificatie-eisen en de veranderingen in de productieorganisatie zouden ook tot een massale “crisis van geschoolde arbeidersgroepen” (Ohm/Bürger 2015: 20) kunnen leiden. In de industrie zal er diepgaand gediscussieerd moeten worden. Kiest men voor een meer horizontale arbeidsorganisatie met minder hiërarchie of komt er een polarisering tussen teams van sterk gespecialiseerde geschoolde arbeidskrachten, die hogere kwalificaties en meer ruimte hebben om hun werk in te vullen dan de huidige geschoolde arbeiders, en precair tewerkgestelden, die weinig ruimte hebben om hun werk in te vullen (zie Hirsch-Kreinsen 2014). Voor de maatschappij bestaat de grootste uitdaging erin te verhinderen dat er een grotere kloof ontstaat. Want daarvan zou slechts een kleine groep hooggekwalificeerde en mobiele specialisten profiteren terwijl grote groepen geschoolde arbeid(st)ers erop achteruitgaan en er een groeiend segment ‘cyberprecariaat’ ontstaat dat heen en weer gaat tussen werkonzekerheid, het statuut van éénmanszelfstandige en werkloosheid (zie Candeias 2012: 547). “Hoogtechnologische werkloosheid” (Haug 2005), die niet enkel door het ontstaan van nieuwe tewerkstellingssectoren kan worden gecompenseerd, wordt een bepalend kenmerk van het gedigitaliseerde kapitalisme. Daardoor dreigt een groeiend deel van de maatschappij blijvend uitgesloten te worden van deelname aan het maatschappelijk leven.

De digitalisering op de voorwaarden van het neoliberale kapitalisme van de financiële markten dreigt ook om andere redenen de maatschappelijke voorwaarden van een democratie te ondergraven: grote kapitaalinvesteringen, een nieuw soort “globale netwerken om toegevoegde waarde te creëren” (Ohm/Bürger 2015: 23) en toenemende concurrentie in een omgeving van wereldwijde economische crises zullen de concentratie van kapitaal en bedrijven in de hand werken. Daarbij komen de gevaren van big data, nieuwe bewakingstechnologieën en monopolies op maatschappelijk geproduceerde kennis die in handen is van particuliere bedrijven.

Eén ding is zeker: uit zichzelf zal de technologische ontwikkeling niet tot emancipatie leiden. Zonder verandering van de maatschappelijke krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal zal de digitalisering de bestaande tendensen van precarisering, ontgrenzing, het uit elkaar drijven van de arbeidersklasse en het ondergraven van de democratie alleen maar versterken.

Het beleid van de Duitse federale regering wijst precies in die richting, ook al verkondigt iedereen luid dat “Goed Werk” de norm moet zijn. Andrea Nahles, de sociaaldemocratische minister van Arbeid, wil in het kader van de discussies over Werk 4.0 een nieuwe definitie van wat een normale arbeidsovereenkomst is (www.arbeitenviernull.de). Gezien de bestaande precarisering en de verdeeldheid van de arbeidersklasse is dat ook zinvol en noodzakelijk. Maar concrete voorstellen voor de sociale bescherming van (eenmans)zelfstandigen en voor de aanpassing van het arbeidsrecht aan nieuwe tewerkstellingsvormen zoals crowd- en cloudworking laten op zich wachten, net zoals maatregelen om precaire tewerkstelling te bestrijden. De ‘digitale agenda’ van de Grote Coalitie (CDU/CSU en SPD) is eigenlijk een overheidssubsidie van vele miljarden voor private concerns die bedoeld is om het neoliberale, door export gedomineerde economische model tegen de almaar toenemende concurrentie van andere landen te beschermen. Maatschappelijk links moet daar een eigen project tegenoverzetten. Het moet uitgaan van de strijd over hoe arbeid in de toekomst georganiseerd moet worden en perspectieven bieden voor een maatschappij die een nieuwe weg inslaat, een grote transformatie die het neoliberale kapitalisme overstijgt. Wat in een maatschappij als vanzelfsprekend en normaal wordt beschouwd, welke ideeën over goed werk en een goed leven maatschappelijk veralgemeend worden (of kunnen worden) is een vraag van de (klassen)strijd om de hegemonie. Het gaat erom dat de rechten van de verschillende groepen loontrekkenden op goed werk en een goed leven – op dingen die in een rijke maatschappij vanzelfsprekend zouden moeten zijn – zo te formuleren dat ze uitgroeien tot maatschappelijke eisen voor een andere regelgeving voor werk. Maar dat mag niet betekenen dat we simpelweg terugkeren naar de oude ‘normale arbeidsovereenkomst’ van industrieel werk die helemaal op mannen was afgestemd.

Naar een nieuwe normale arbeidsovereenkomst

Arbeid moet voor iedereen veilig, planbaar en korter zijn, de gelijkheid tussen man en vrouw eerbiedigen, eerlijk verdeeld worden, meer ruimte bieden voor zelfbeschikking en democratisch georganiseerd worden. Concreet betekent dat: de toekomst moet planbaar zijn en heeft nood aan cao’s voor iedereen. De Bundesvereinigung der Deutschen Arbeitgeberverbände (BDA), de koepelorganisatie van Duitse werkgevers, wil de digitalisering gebruiken om precaire arbeid uit te breiden. Daarvoor wil ze gebruik maken van contracten van beperkte duur zonder opgave van reden en van outsourcing naar precaire zelfstandigen (opdrachtcontracten, cloudworking) en de cao’s verder uithollen. Daartegen moet worden opgetreden met een brede, maatschappelijke mobilisatie voor het afschaffen van interim-werk, het terugdringen van contracten van beperkte duur en opdrachtcontracten, en voor het omzetten van mini-jobs naar banen met een leefbare verloning en sociale zekerheid. Eenmanszelfstandigheid en cloudworking als vormen van precaire gedigitaliseerde arbeid moeten streng gereguleerd worden en sociale bescherming krijgen: bijvoorbeeld door een minimale vergoeding voor eenmanszelfstandigen en door ze een basisverzekering voor gezondheid en zorg te geven. Door de digitalisering is er ook een nieuwe vorm van internationalisering van de arbeidsrelaties ontstaan – maar er bestaat geen vergelijkbaar internationaal contractenrecht. Daarom is er dringend nood aan nieuwe concepten voor een internationaal recht inzake economie, arbeidsrecht en cao-recht, met sanctionerende bevoegdheden.

Een algemene arbeidsduurvermindering en een herverdeling van het werk is essentieel bij elke sociale denkpiste om de digitalisering te organiseren. Nu al worden miljoenen mensen uitgesloten van een broodwinning en deelname aan de maatschappij, en veel werknemers – vooral vrouwen – werken onvrijwillig deeltijds en zijn dus ‘onderbezet’. Burn-out is door de ontgrenzing van arbeid en door tijdstress uitgegroeid tot een maatschappelijke ziekte. Voor veel mensen wordt het almaar moeilijker arbeid en leven met elkaar te combineren. De nieuwe golf van rationaliseringen maakt een verkorting van de arbeidsduur en een eerlijke verdeling van de arbeid tussen mannen en vrouwen dringender nodig dan ooit. Die arbeidsherverdeling moet de breed gedragen maar concreet zeer uiteenlopende wensen voor meer zelf in te vullen tijd centraal plaatsen en ze in een gemeenschappelijke strijd verenigen. “Arbeid herverdelen in plaats van continue stress en angst voor bestaanszekerheid” zou misschien een goede slogan zijn om samen de schouders te zetten onder eisen zoals een “kortere voltijdse baan” van 28–32 uur en flexibele modellen die beantwoorden aan verschillende levensfases, bijvoorbeeld sabbatjaren, tijdskrediet voor het gezin en loopbaanonderbrekingen om opleidingen te volgen. Door een algemene arbeidsduurvermindering zou de belofte van de digitalisering, namelijk meer zelf bepalen hoe je werkt en leeft, voor iedereen werkelijkheid kunnen worden: het moet kunnen dat mensen werken om te leven en niet omgekeerd. Het gaat daarbij ook om een existentiële vraag van de democratie: als de lonen dalen en arbeid verder ontgrensd wordt, stijgt de concentratie van rijkdom en macht in handen van slechts enkele superrijken en grote multinationals.

De flexibiliteit zelf bepalen

Als reactie op de digitalisering eist de BDA, de koepelorganisatie van Duitse werkgevers, dat de arbeidstijd verder geflexibiliseerd wordt (door bijvoorbeeld arbeidstijdrekeningen). Onder druk van de bedrijvenlobby weigert de Grote Coalitie (CDU/CSU en SPD) een doeltreffende antistresswet goed te keuren. Maar dat is nu precies wat er nodig is: een rem op continue stress, burn-out en werk op oproepbasis. Naast betere voorschriften voor arbeidsbescherming en individuele vetorechten bij overbelasting hebben ondernemings- en personeelsraden ook nood aan afdwingbare medezeggenschapsrechten wanneer het gaat om vragen over de uitwerking van de arbeidsorganisatie, over arbeidsduur en over de personeelsbezetting van het betreffende arbeidsveld. (http:// www.linksfraktion.de/folder/stress-lass-nach-gute-arbeit-mitbestimmung). Tijdens overlegvergaderingen die in cao’s zijn vastgelegd, zou een collectieve gedragscode voor de omgang met stress en overbelasting kunnen worden uitgewerkt waarbij een verzetsmogelijkheid wordt ingebouwd.

Daarnaast moet er ook uitgebreid aandacht worden besteed aan het recht op opleidingen en verdere ontwikkeling in alle levensfases. De kwalificatie van werknemers is een maatschappelijke taak die niet op de individuen mag worden afgewenteld. Door de overheid gefinancierde programma’s (door hogere belastingen voor bedrijven en kapitaalkrachtigen) voor deeltijds werken en studeren en tijdskrediet voor verdere opleidingen moeten gepaard gaan met een massale uitbouw van een onderwijssysteem dat voor iedereen toegankelijk is. Dat moet zo georganiseerd worden dat kennis op het hoogste niveau zelfstandig verworven kan worden en vaardigheden voor de democratische invulling van werk en technologische ontwikkeling verder ontwikkeld worden.

Voor zo’n nieuwe regelgeving over arbeid in de toekomst moet gestreden worden, zowel in de bedrijven, bij cao-onderhandelingen als in de maatschappij. Een sleutelvraag is de organisatie van nieuwe vormen van de klasse van het ‘digitaal precariaat’: van precaire softwareontwikkelaars over miljoenen click- en crowdworkers tot het personeel van nieuwe reusachtige multinationals zoals Amazon. Maar dat alleen volstaat niet: alleen wanneer we ons ook inzetten voor de belangen van de (nog) door cao’s beschermde, georganiseerde, maar (in verschillende vormen) onder zware druk staande ‘kernen’ van de industrie en de overheidssector kan voorkomen worden dat die ‘naar beneden’ worden bijgesteld. Een nieuwe normale arbeidsovereenkomst moet daarom als een verbindende strategie opgevat worden, om bruggen te bouwen tussen de eisen en ervaringen van de meest uiteenlopende soorten loonafhankelijken: werklozen, laaggeschoolde arbeid(st)ers en bedienden in sectoren die weinig betalen (en die extra gevaar lopen dat hun werk weggerationaliseerd worden), precaire eenmanszelfstandigen, de (hoger gekwalificeerde) werknemers in de private en de openbare dienstverlening.

Hierbij kan een belangrijke rol weggelegd zijn voor werknemers in de sociale sector: intussen werken daar beduidend meer mensen dat in de exportindustrie, de meesten daarvan zijn vrouwen die, ondanks de toenemende eisen en kwalificaties, nog altijd onderbetaald en vaak precair tewerkgesteld zijn. Bij de stakingen in de sociale sector en de discussies in de gezondheids- en ziekenzorg speelt de kwaliteit van het werk een centrale rol. Eisen zoals bij het Charité-ziekenhuis in Berlijn om het personeelsbestand aan de noden aan te passen mikken in zekere zin op kernelementen van het neoliberale exportmodel. Maar tegelijk richten ze hun pijlen ook op het daaraan gekoppelde beleid dat alles wat sociaal is onvoldoende financiert en wil vermarkten. Het uitbouwen van sociale dienstverlening en infrastructuur voor iedereen, in combinatie met een opwaardering en deprecarisering van arbeid die in die sector wordt gepresteerd, kan ertoe leiden dat er een ‘brug’ van solidariteit wordt geslagen tussen werklozen, precair tewerkgestelden en werknemers uit de overheidssector en de industrie. Zo zou de Nieuwe Normale Arbeidsovereenkomst een belangrijke opstap kunnen zijn naar een transformatie die nog verder gaat en met het neoliberale exportmodel breekt.

Aanzetten tot een democratische toe-eigening van de digitale productiekrachten

Bij de hegemoniestrijd voor een sociale, ecologische organisatie van de digitalisering, met inachtneming van de gelijkheid tussen man en vrouw, staat de democratie centraal. Ondanks de medewerking van de vakbonden komen op de ‘platforms’ van de ministeries die verantwoordelijk zijn voor de digitale agenda van de federale regering toch vooral experts en de winstbelangen van de bedrijven aan bod. Ook de sociaaldemocratische strategie van een ‘verbond voor werk’ is, door de krachtsverhoudingen binnen het gedigitaliseerde kapitalisme, geen recept voor een gegarandeerd succes. Integendeel, net zoals de vorige plannen resulteert het in een beknotting van de vakbonden binnen het neoliberale nationale beleid. Op de nieuwe versie van corporatistisch concurrentiebeleid moet maatschappelijk links reageren met een visie voor een “economische democratie van de 21e eeuw” (zie Urban 2013).

Uitgaand van de ervaringen op de werkvloer moet de strijd voor een democratisering van arbeid gekoppeld worden aan het vooruitzicht van een democratisering van de volledige maatschappij. Door de digitalisering worden er hogere eisen gesteld aan de competenties van de werknemers en aan hun productiekennis. Zeker in tijden van complexe machinesystemen die bijzonder vatbaar zijn voor storingen en van automatisch georganiseerde arbeidsprocessen ontwikkelen werknemers vanzelf de bekwaamheid om het productieproces te organiseren. Tegelijkertijd worden het zelf invullen van het werk en samenwerking door bedrijven onmogelijk gemaakt door rendementsdruk en permanente herstructureringen. Meer verantwoordelijkheid bij het werk moet hand in hand gaan met meer invloed. Daarom zijn er afdwingbare medezeggenschapsrechten nodig bij beslissingen over investeringen en vetorechten tegen bijvoorbeeld outsourcing. In hun eentje zijn ondernemingsraden niet in staat mee vorm te geven aan een allesomvattende hervorming van gezondheidszorg, arbeidsorganisatie, investeringen en technologische innovatie. Daarom streven we naar nieuwe vormen van rechtstreeks medezeggenschap over de vormgeving en organisatie van arbeid. Wat waar geïnvesteerd wordt, mag niet langer worden overgelaten aan financiële markten en multinationals. Alleen zo kan de digitalisering evolueren naar een materiële basis van een sociaalecologische reorganisatie van de economie en de maatschappij.

Om democratisch te kunnen beslissen over investeringen, kennis en het gebruiken van technologie, moet aan een reeks voorwaarden worden voldaan: privé-infrastructuren in de sectoren IT, communicatie en onderzoek moeten publiek eigendom worden. De financiële markten moeten worden ingekrompen door vermogenden, hedgefondsen en banken drastisch te belasten en ze moeten onder democratische controle geplaatst worden.

De maatschappelijke rijkdom moet voor toekomstgerichte openbare investeringen gebruikt worden. Overheidssubsidies kunnen gekoppeld worden aan de opbouw van eigendomsaandelen door de werknemers. We moeten een toekomstgerichte openbare sector opbouwen waarin zowel plaats is voor de verdere ecologische en democratische ontplooiing van onderzoek en ontwikkeling als voor industriële productie op basis van nieuwe technologieën in de vorm van openbare ondernemingen, coöperaties en genootschappen. Zo kunnen technologische innovaties democratisch en met het oog op maatschappelijk zinvolle doelstellingen vormgegeven worden. Bovendien kan de maatschappelijke arbeid alleen zinvol en rechtvaardig (ook tussen mannen en vrouwen) verdeeld worden door arbeidsduurvermindering en een arbeidsherverdeling te combineren met toekomstgerichte overheidssubsidies. En hoogtechnologische massawerkloosheid kan voorkomen worden door nieuwe arbeidsplaatsen te creëren in een uitgebouwde en voor iedereen toegankelijke openbare dienstverlening.

Aansluitend bij wat ik tot dusver heb gezegd, zouden twee concrete projecten de aanzet tot zo’n verandering kunnen bevorderen.

1. Een investeringsprogramma voor het uitbouwen van een openbare, sociale en op de behoeften afgestemde infrastructuur voor goed onderwijs, degelijke gezondheidszorg, ziekenzorg, mobiliteit, energievoorziening en wonen voor iedereen kan resulteren in meer dan een miljoen arbeidsplaatsen die door cao’s en sociale regelgeving beschermd zijn. Markt en concurrentie hebben niets te zoeken in onderwijs, gezondheidszorg, afvalverwerking, ouderenzorg, stads- en streekvervoer enz. Die doelstelling zou op de genoemde actieterreinen een op de behoeften afgestemde en voor iedereen gratis toegankelijke sociale infrastructuur mogelijk moeten maken – kortom een ‘infrastructuursocialisme’.

2. Een investeringsfonds ter bevordering van een solidaire toekomsteconomie. Dat zou helpen om de digitalisering een aanzet te laten zijn tot een ‘solidaire economie’. En de focus op gemeenschappelijk bezit zou zo gecombineerd kunnen worden met het innovatieve gebruik van de digitalisering voor een sociaaleconomische reorganisatie. Het zal daarbij vooral gaan om het versterken en ontwikkelen van coöperaties op het vlak van ecologische stedenbouw, op de noden georiënteerde gezondheidszorg, levenskwaliteit van gepensioneerden en generatieoverschrijdende projecten. En om de ontwikkeling van ‘digital commons’ in de onderwijs- en in de cultuursector. Een gesubsidieerde sector van solidaire economie die gelijke tred houdt met de technologische ontwikkeling is een sociaal en democratisch alternatief voor de subsidiëring van concerns en middenstandsbedrijven waar vaak precaire arbeidsomstandigheden gehanteerd worden.

Het is tijd dat links zich via mobiliserende, onmiddellijke eisen en doelstellingen op middellange termijn over een digitale agenda buigt. Het zou ook een interessante, toekomstgerichte opdracht zijn die kan leiden tot een samenwerking tussen vakbonden, partijen, ecologische en sociale initiatieven en bewegingen. Als linkse partij wil Die Linke de motor worden van die discussie.

In een toekomstige democratische economie moeten de rijkdom die door de kennis van de maatschappij gegenereerd wordt en de vruchten van de digitale revolutie iedereen ten goede komen. De eigendomsverhoudingen zijn hier allang tot ketens verworden die verhinderen dat de technologische vooruitgang zijn gebruikswaarde ten dienste kan stellen van de mensen. De mogelijkheden om arbeid en leven zelf in te vullen en voor een nieuwe vorm van democratie zijn gigantisch. De democratische mogelijkheden en het productiepotentieel van het internet kunnen pas volledig tot ontwikkeling komen als wij de dominantie van het kapitalistische eigendom verslaan.

Bernd Riexinger is co-voorzitter van Die Linke in Duitsland. In deze bijdrage verwerkt hij argumenten uit vroegere artikels voor het jaarboek Gute Arbeit en het tijdschrift luXemburg, in de periode 2015-2016.


Literatuurlijst

Andreas Boes, Tobias Kämpf, Barbara Langes, Thomas Lühr (2014): Informatisierung und neue Entwicklungstendenzen von Arbeit. In Arbeits- und Industrieso- ziologische Studien, nr. 1, mei 2014, 7 Jg., p. 5-23.

Heinz Bontrup (2015): Die Kannibalisierung der Arbeit. In Neues Deutschland, 3 juni 2016.

Bundesministerium für Arbeit und Soziales (BMAS 2015): Grünbuch. Arbeiten 4.0. Berlijn. Zie: www.arbeitenviernull.de.

Mario Candeias (2012): Kybertariat. In Historisch-kritisches Wörterbuch des Marxismus. Deel 8/I, Hamburg, p.  545-558.

Carl B. Frey, Michael A. Osborn, (2013): The Future of Employment: How susceptible are Jobs to computerisation? OMS-Working Paper. Oxford.

Haug, Wolfgang-Fritz (2005): High-Tech-Kapitalismus. Analysen zu Produktionsweise, Arbeit, Sexualität, Krieg und Hegemonie. Hamburg.

Hartmut Hirsch-Kreinsen (2014): Wandel von Produktionsarbeit – Industrie 4.0. In Soziologisches Arbeitspapier, nr. 38. Technische Universität Dortmund.

Christof Ohm, Manfred Bürger (2015): Ausblicke auf Industrie 4.0 und ihr Kybertariat. In Das Argument, 311, p.  17–31.

Bernd Riexinger (2015): Wege zum Infrastruktursozialismus In Zeitschrift luXemburg, nr. 23/2015. Zie: http://www.zeitschrift-luxemburg.de/wege-zum-infrastruktursozia- lismus/

Bernd Riexinger (2016): Für ein neues Normalarbeitsverhältnis und Wirtschaftsdemokratie. Perspektiven für ‘gute Arbeit’ angesichts der Digitalisierung. In Lothar Schröder/Hans-Jürgen Urban: Gute Arbeit – Digitale Arbeitswelt – Trends und Anforderungen. Jaarboek van de IGM. Frankfurt.

Hans-Jürgen Urban (2013): Wirtschaftsdemokratie des 21. Jahrhunderts. Konturen und Realisierungsbedingungen eines gesellschaftlichen Transformationsprojektes. In Der Tiger und seine Dompteure. Wohlfahrtsstaat und Gewerkschaften im Gegenwartskapitalismus. Hamburg

Zentrum für europäische Wirtschaftsforschung (ZEW 2015): Übertragung der Studie von Frey/Osborne (2013) auf Deutschland. Kort rapport voor het BMAS. Kort rapport, nr. 57.