Waarom langer werken voor minder pensioen?

Auteur: 
Kim De Witte

In februari 2014 bracht onze minister van Pensioenen, Alexander De Croo (Open VLD), een studiebezoek aan Zweden. Na zijn bezoek was hij vol lof over het Zweedse pensioenbeleid. “België heeft nood aan een ingrijpende pensioenhervorming en Zweden is een voorbeeld voor ons”, aldus De Croo.[1] Zweden verschoof de last van de financiering van de pensioenen naar de ouderen. Het koppelde de pensioenleeftijd aan de levensverwachting en verlaagde de wettelijke pensioenen.

Niet alleen de inhoud, maar ook de aanpak van de Zweedse hervorming inspireerde onze minister. De hervorming in Zweden werd voorbereid in het geheim, ver van de camera’s en elk democratisch debat. Hetzelfde gebeurde in België. Een Commissie Pensioenhervorming werd geïnstalleerd. Deze commissie was samengesteld uit elf ‘onafhankelijke experts’ of ‘wijzen’. Het democratisch debat over onze pensioenen werd gereduceerd tot een technische discussie onder experts. Drie weken na de verkiezingen van 25 mei 2014 presenteerde de commissie haar voorstellen.

De voorstellen kleuren grotendeels binnen de krijtlijnen van het Europese pensioenbeleid: langer werken, afbouw van de publieke socialezekerheidspensioenen en uitbouw van de private pensioenen. De aanbevelingen van de commissie zouden in werking treden vanaf 2020. Maar de nieuwe rechtse regering kon zolang niet wachten. Zij besliste om een aantal hervormingen nu al door te voeren. Bovendien besliste ze om de commissie langs rechts voorbij te steken: de pensioenleeftijd wordt opgetrokken naar 67 jaar. Een maatregel die de commissie expliciet verwerpt en die in geen enkel partijprogramma stond.

Deze bijdrage geeft een overzicht van de pensioenhervorming die de rechtse regering wil doorvoeren. In een notendop: we zullen allemaal twee tot vijf jaar langer moeten werken voor honderden euro’s minder pensioen per maand. Deze hervorming is onrechtvaardig, onlogisch en onnodig. Een ander pensioenbeleid is noodzakelijk en perfect betaalbaar, indien we andere keuzes maken in het fiscaal en sociaal beleid.

Langer werken voor minder pensioen

Allemaal twee tot vijf jaar langer werken …

De nieuwe regering wil iedereen twee tot vijf jaar langer laten werken. Dat doet ze door de leeftijd op te trekken voor het recht op wettelijk pensioen, vervroegd pensioen, brugpensioen en overlevingspensioen. De regering wil de wettelijke pensioenleeftijd optrekken naar 66 jaar vanaf 2025 en 67 jaar vanaf 2030. Daarna wil de regering de wettelijke pensioenleeftijd nog verder laten stijgen, boven de leeftijd van 67 jaar, in functie van de stijging van de levensverwachting.[2] Nadat bekend werd dat de regering ons wil doen werken tot 67 jaar, was er heel wat opschudding. De voormalige minister van Pensioenen, De Croo (Open VLD), en de nieuwe minister van Pensioenen, Bacquelaine (MR), probeerden de gemoederen te bedaren door te verwijzen naar het recht op vervroegd pensioen.[3]

Maar ook het recht op vervroegd pensioen wordt afgebouwd. De regering wil de leeftijd optrekken naar 62,5 jaar vanaf 2017 en 63 jaar vanaf 2018. In de toekomst zou ook die leeftijd nog verder kunnen opschuiven.[4] Niet alleen de leeftijd, maar ook de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen wordt opgetrokken. Op vervroegd pensioen gaan vanaf 63 jaar wordt slechts mogelijk na een loopbaan van 42 jaar. Wie 43 jaar gewerkt heeft, kan met vervroegd pensioen op 61 jaar. Wie 44 jaar gewerkt heeft, kan met vervroegd pensioen op 60 jaar. Maar drie op de vier vrouwen en één op de vier mannen komt niet aan een loopbaan van 42 jaar.[5] Acht op de tien vrouwen en vier op de tien mannen komt niet aan een loopbaan van 44 jaar.[6] Het recht op vervroegd pensioen is dan ook louter theoretisch voor een zeer grote groep van werknemers. Zij zullen wel moeten werken tot aan de leeftijd van 67 jaar.

Niet alleen de wettelijke en de vervroegde pensioenleeftijd, ook de brugpensioenleeftijd moet omhoog. De gewone brugpensioenleeftijd zou stijgen naar 62 jaar vanaf 2015. Het regeerakkoord voorziet volgende uitzonderingen en overgangsmaatregelen. Werknemers die hun job verliezen vóór 1 november 2014 kunnen nog beroep doen op de huidige leeftijdsvoorwaarden. Dat wil zeggen: brugpensioen op 60 jaar in het algemene stelsel[7], 56 jaar voor lange loopbanen[8], 55 jaar voor ondernemingen in herstructurering[9] en 53 jaar voor ondernemingen in moeilijkheden.[10] De leeftijdsvoorwaarde van 56 jaar voor lange loopbanen wordt opgetrokken naar 58 jaar vanaf 2015. De leeftijdsvoorwaarde van 58 jaar voor lange loopbanen en zware beroepen wordt opgetrokken naar 60 jaar vanaf 2017. De leeftijdsvoorwaarde bij ondernemingen in moeilijkheden of herstructurering wordt opgetrokken naar 60 jaar vanaf 2017. Samengevat kan worden gesteld dat de leeftijd voor het brugpensioen voor alle categorieën wordt opgetrokken met minstens twee jaar. Voor bepaalde categorieën wordt ze opgetrokken met vier tot vijf jaar. Dat is het geval voor werknemers met lange loopbanen en voor werknemers van ondernemingen in moeilijkheden of herstructurering.

Tot slot wil de regering ook de leeftijd voor het recht op overlevingspensioen optrekken. Vanaf 2025 komt er elk jaar één jaar bij, tot aan de leeftijd van 55 jaar. Dat is vijf jaar meer dan de huidige leeftijd van 50 jaar.

… voor honderden euro’s minder pensioen

De nieuwe regering wil ons niet alleen langer doen werken, zij wil ook rechtstreeks besparen op de pensioenen. Het regeerakkoord meldt de afschaffing van de pensioenbonus voor alle werknemers, zelfstandigen en ambtenaren, de afschaffing van het gezinspensioen, de “harmonisering” van het ambtenarenpensioen met dat van de werknemers en de verdere inperking van de gelijkgestelde periodes, meer in het bijzonder de loopbaanonderbreking en het tijdskrediet zonder specifieke motivering.

        De wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact installeerde de zogenaamde pensioenbonus. Deze bonus verhoogde het wettelijk pensioen voor ambtenaren, werknemers en zelfstandigen die na de leeftijd van 62 jaar of na een loopbaan van 44 kalenderjaren actief bleven. De maatregel diende om de bittere pil met betrekking tot de afbouw van het brugpensioen door te spoelen. De regering Michel wil de pensioenbonus volledig afschaffen, met ingang op 1 januari 2015. Dat betekent dat iedereen die actief blijft tot de leeftijd van 65 jaar maar liefst 83,2 euro minder pensioen zal opbouwen (brutobedrag).[11]

Het regeerakkoord voorziet ook dat het gezinspensioen wordt afgeschaft. Dat is een concrete en duidelijke maatregel. Het regeerakkoord voorziet daarnaast dat de regering zal onderzoeken “op welke manier een modernisering van de gezinsdimensie in het pensioensysteem kan worden doorgevoerd”. Dat is een vaag en onduidelijk engagement. De hervorming van het gezinspensioen kan verregaande gevolgen hebben voor de werknemers en zelfstandigen wiens partner geen of onvoldoende pensioenrechten heeft opgebouwd. De volledige afschaffing van het gezinspensioen zou voor werknemers, waarbij één van de twee partners geen pensioenrechten heeft opgebouwd, een vermindering kunnen betekenen van maar liefst 536 euro per maand (brutobedrag). Voor zelfstandigen zou het een vermindering kunnen zijn van 305,5 euro per maand (brutobedrag).[12]

De nieuwe regering neemt ook de ambtenarenpensioenen zwaar onder schot, door middel van vier concrete maatregelen: (1) de afschaffing van de diplomabonificaties, (2) de optrekking van alle tantièmes naar 60, (3) het niet meer laten meetellen van de contractuele tewerkstelling voor de berekening van het ambtenarenpensioen en (4) een nieuwe berekening van het pensioen op basis van een langere loopbaan. Een ambtenaar met een gemiddeld pensioen van 1.599 euro netto dreigt al gauw 298,4 euro pensioen per maand te verliezen door deze maatregelen.[13]

De rechtse regering wil ook sleutelen aan de gelijkgestelde periodes voor de berekening van het pensioen. De gelijkstelling voor loopbaanonderbreking en voor tijdskrediet dat niet specifiek is gemotiveerd, wordt afgeschaft. Iedereen die beroep doet op deze systemen zal per jaar 24,6 euro aan pensioenrechten verliezen.[14]

Invoering puntensysteem = verschuiving van het risico naar de ouderen

De rechtse regering neemt geen genoegen met bovenvermelde maatregelen. Zij wil een structurele aanpassing van ons pensioenstelsel, via de invoering van een puntensysteem.[15] In plaats van pensioenrechten op te bouwen in euro’s, zouden we pensioenrechten opbouwen in punten. Het puntensysteem moet toelaten om het “financieel evenwicht” te bewaren. Dat gebeurt door het risico van de financiering te verschuiven naar de ouderen.

Tijdens ons actieve leven zouden we punten opbouwen. Dat gebeurt op jaarbasis: op het einde van elk jaar wordt vastgesteld hoeveel punten we tijdens dat jaar verworven hebben. Deze punten komen op een individuele rekening te staan. Zij worden omgezet in euro’s wanneer we ons pensioen opnemen. Het aantal euro’s dat een pensioenpunt waard is, wordt elk jaar opnieuw vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met de evolutie van de lonen en de sociale bijdragen. In tijden van economische crisis zal de waarde van een pensioenpunt dalen. Het perverse effect is dat een crisis rechtstreeks gedragen wordt door ouderen die met pensioen gaan.

Het puntensysteem moet ook toelaten om de gelijkgestelde periodes snel anders te waarderen. Een periode van loopbaanonderbreking of werkloosheid kan minder punten opleveren. Volgens de regering moet er immers een groter onderscheid komen tussen mensen die hun loopbaan verlengen door effectieve arbeidsprestaties en mensen die hun loopbaan verlengen via gelijkgestelde periodes. Het puntensysteem moet ook toelaten om bij vervroegde opname van het pensioen een malus toe te passen. Dat betekent dat men niet alleen geen pensioenrechten meer opbouwt bij vervroegde pensionering – zoals dat nu het geval is – maar ook reeds opgebouwde pensioenrechten zou verliezen.

Deze hervorming is onrechtvaardig, onlogisch en onnodig

Onrechtvaardig: stijgende levensverwachting, maar niet in goede gezondheid

De stijging van de levensverwachting is geen nieuw fenomeen. Tussen 1840 en 1880 steeg de gemiddelde levensverwachting bij de geboorte met ongeveer één jaar per decennium. Tussen 1880 en 1940 was dat ongeveer 2 à 3 jaar per decennium.[16] De oorzaak van deze versnelling was in de eerste plaats te wijten aan het terugdringen van de zuigelingen- en de kindersterfte. Een 65-jarige man had in 1841 – de vroegste cijfers waarover we voor België beschikken – een gemiddelde levensverwachting van 11 jaar.[17] Een 65-jarige man heeft vandaag een gemiddelde levensverwachting van 18 jaar.[18] Een 85-jarige man had in 1841 een gemiddelde levensverwachting van 3,9 jaar. Vandaag is dat gestegen tot 5,3 jaar. Dat is een stijging met respectievelijk 7 en 1,4 jaar over een periode van 175 jaar.

Dat iedereen veel langer leeft is dus niet juist. Wel juist is dat méér mensen de kans krijgen om oud te worden. Dat is in de eerste plaats te danken aan het terugdringen van het voortijdige overlijden, wat de gemiddelde levensverwachting in het verleden sterk naar beneden haalde (zuigelingensterfte, kindersterfte, dodelijke arbeidsongevallen, …). Het langer leven is met andere woorden gedemocratiseerd.

Het langer leven is gedemocratiseerd, maar grote verschillen blijven bestaan. Het verschil in levensverwachting tussen de hoogste en de laagste socio-economische groepen in de samenleving bedraagt nog steeds meer dan 7,5 jaar voor mannen en 6 jaar voor vrouwen.[19] Waar deze verschillen de neiging hadden te krimpen in de eerste vier decennia na de Tweede Wereldoorlog, nemen ze nu terug toe[20], omdat de levensverwachting van de hogere socio-economische groepen sneller stijgt dan die van de lagere groepen en omdat de levensverwachting van bepaalde groepen niet stijgt of zelfs achteruit gaat.[21] Waar het onderscheid in levensverwachting vroeger nog verklaard kon worden door het verschil in toegang tot drinkbaar water en hygiëne, is momenteel de rol van betaalbare zorg en van de arbeidsomstandigheden van wezenlijk belang (blootstelling aan gevaarlijke producten, werkritme, belasting van het …).

De levensverwachting als dusdanig zegt tot slot nog niets over de kwaliteit van de geleefde jaren. Als de stijgende levensduur in de eerste plaats neerkomt op het in leven houden van zieke personen, dan is dat natuurlijk een heel ander verhaal dan stijgende levensduur in goede gezondheid. Daarom moet naast de mortaliteit ook de morbiditeit bekeken worden. Nog veel meer dan bij de gewone levensverwachting wordt de gezonde levensverwachting bepaald door de socio-economische groep waar een persoon deel van uitmaakt. Wie een diploma aan de muur heeft hangen leeft 18 tot 25 jaar langer in goede gezondheid. Het aantal jaren dat laaggeschoolden gezond kunnen doorbrengen, kalft bovendien steeds verder af. Waar een 25-jarige vrouw zonder diploma in 1997 gemiddeld tot haar 58e gezond bleef, is dat nu slechts tot haar 49e..[22] 

Het behoud van het recht op brugpensioen en systemen van vervroegd pensioen zorgt ervoor dat ook de mensen die 6 tot 7,5 jaar minder lang leven en die 18 tot 25 jaar minder lang in goede gezondheid verkeren, een recht hebben op rust na een leven van intense arbeid. Het gelijkheidsbeginsel vereist niet alleen dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Het vereist ook dat rekening gehouden wordt met ongelijkheden, teneinde gelijke rechten te verschaffen in de feiten.

Onlogisch: waarom langer werken met 650.000 werklozen?

Onze arbeidsmarkt kampt al meerdere decennia met een overschot aan werkkrachten. Volgens de RVA telt ons land momenteel bijna 648.350 werklozen.[23] Er zijn echter ook 4.498.507 werknemers.[24] Dat is historisch veel. Maar wat gaat er gebeuren wanneer we nu allemaal nog langer gaan werken? Volgens de nieuwe regering zou de plicht tot langer werken leiden tot minder jeugdwerkloosheid. Maar dat blijkt niet uit de praktijk. Het is niet omdat er in bepaalde landen meer ouderen én meer jongeren aan het werk zijn, dat de plicht tot langer werken ook automatisch leidt tot meer jobs voor jongeren. Het is wel omdat bepaalde landen investeren in werk dat de globale werkgelegenheid in die landen hoger ligt, [25]

In België correspondeert de plicht tot langer werken voor de werknemers met geen enkele verplichting in hoofde van de werkgevers. Verschillende maatregelen zijn nochtans mogelijk. Zweden experimenteert met arbeidsduurvermindering (6-urige werkdag mét loonbehoud voor 50-plussers). Denemarken installeerde een recht op aangepast werk. Nederland heeft mechanismen van ontslagbescherming. Deze maatregelen creëren ruimte op de arbeidsmarkt en zorgen voor werkbaar werk, zowel voor jong als oud.

Een studie van de KU Leuven in het kader van Steunpunt Werk en Sociale Economie berekende dat het optrekken van de pensioenleeftijd met twee jaar een negatief effect zal hebben op het aantal banen dat vrijkomt in de nabije toekomst.[26] Dat is dus een feit. De nieuwe regering veegt dit van de tafel met de stelling dat het positieve effect op de jeugdwerkloosheid zich misschien niet voordoet op korte, maar zeker wel op lange termijn. De redenering is als volgt: wanneer ouderen langer aan de slag blijven, moeten er minder pensioenen uitbetaald worden. De overheid beschikt dan over meer budget. Zij kan daarmee de belastingen op arbeid doen dalen. Het gevolg zou zijn: meer werk voor iedereen, ook voor jongeren. Dat is de neoliberale theorie ten top. Maar die theorie wordt opnieuw tegengesproken door de praktijk.

Het aantal werklozen is momenteel historisch hoog. Hetzelfde geldt voor het aantal loonvormen waarop geen of zeer weinig sociale bijdragen moeten worden betaald. Professor Van Langendonck, specialist sociale zekerheid, formuleerde het zo: “De jongste kwart eeuw hebben de meeste landen een politiek gevolgd van ‘vermindering van sociale lasten’ om de concurrentiepositie van de ondernemingen en de werkgelegenheid te verbeteren. België heeft zich op dit gebied als een kampioen opgeworpen, tot in het bijna belachelijke toe. Op dit ogenblik gelden er een twintigtal verschillende regelingen van bijdragevermindering en -vrijstelling, als wanhopige pogingen om onze werkloosheidscijfers naar beneden te krijgen.”[27]

Het effect van de verlaging van de sociale bijdragen op de werkgelegenheid is zeer omstreden. Op basis van de cijfers die socioloog Jan Hertogen onderzocht, is de tewerkstelling de voorbije vier jaar in de industrie, die bij uitstek gebruik maakt van loonlastenverminderingen, gedaald met 48.545 jobs. Tegelijk zijn er 38.000 grotendeels rechtstreeks door de overheid betaalde dienstencheques-jobs bijgekomen, en is er een groei van 63.000 jobs in de sectoren onderwijs en gezondheidszorg. Niet de loonlastenverlagingen van de private sector, maar de investeringen in de publieke sector zorgen voor extra tewerkstelling. Die vaststelling werd al eerder gemaakt door de eregouverneur van de Nationale Bank van België, Fons Verplaetse. In Knack van 24 januari 2010 zegt Verplaetse dat het grootste deel van de tewerkstelling tussen 2000 en 2010 werd gecreëerd door tussenkomsten van de overheid en dat de private sector de laatste 10 jaar geen extra jobs heeft gecreëerd.

De daling van de sociale bijdragen op onze lonen zorgt dus niet voor extra tewerkstelling. Maar zij zorgt wel voor minder inkomsten voor de pensioenen. De pensioenen worden hoofdzakelijk betaald met sociale bijdragen op de lonen. Een daling van deze bijdragen heeft een negatief effect op de financiering van onze pensioenen. Het pensioenprobleem bestaat niet alleen uit stijgende uitgaven, maar ook uit dalende inkomsten. Door de stilzwijgende aderlating van onze sociale zekerheid nemen de sociale bijdragen jaar na jaar af.

Wanneer de opbrengst van langer werken wordt gebruikt voor de daling van de sociale bijdragen voor de bedrijven, dan heeft langer werken natuurlijk weinig effect op de financiering van onze pensioenen. De plicht tot langer werken is dan ook niet logisch. Maar deze plicht heeft niet alleen te maken met pensioenbeleid. Zij heeft ook te maken met arbeidsmarktbeleid. Volgens de voorspellingen van het Planbureau zullen er 169.000 gepensioneerden bijkomen tegen 2019 en nog eens 643.900 tegen 2030.

De toename van het aantal gepensioneerden wordt gecompenseerd door een afname van het aantal kinderen en het aantal werklozen. De verhouding tussen het aantal werkenden en het aantal niet-werkenden blijft daardoor min of meer gelijk. België telt momenteel 1,38 niet-werkenden (gepensioneerden, kinderen, invaliden, werklozen, …) voor elke werkende. Die “economische afhankelijkheidsratio” zou stijgen naar 1,45 in 2030. Dat is een stijging met vijf procent, die volledig wordt gecompenseerd door de stijging van de arbeidsproductiviteit (het steeds-meer-doen-met-minder-mensen).

Meer gepensioneerden vormt dus geen groot probleem. Wat wel een groot probleem vormt voor deze rechtse regering, dat is een drastische daling van het aantal werklozen. Ze zou de lonen kunnen doen stijgen. Dat wil een rechtse regering kost wat kost vermijden (alles voor de bedrijven en de bedrijven voor de maximale winst). Ook die keuze is onlogisch, want de lonen verlagen zal de economische groei vroeg of laat vertragen.

Onnodig: stijgende uitgaven, maar vooral dalende inkomsten

De pensioenhervorming van de rechtse regering is niet alleen onrechtvaardig en onlogisch, zij is ook onnodig. De Studiecommissie voor de Vergrijzing berekent jaarlijks de totale kost die de vergrijzing met zich zal meebrengen. Niet alleen de stijgende uitgaven voor de pensioenen en de gezondheidszorg, ook de dalende uitgaven voor werkloosheid, kinderbijslag, brugpensioenen (werkloosheid met bedrijfstoeslag) en arbeidsongeschiktheid worden in rekening gebracht. De tabel hieronder herneemt het globale overzicht uit het rapport van de Studiecommissie van 2014[28].

Tabel 1. Budgettaire kosten van de vergrijzing op lange termijn volgens de SCvV (in % van het bbp)[29]
 

2013

2019

2030

2040

2060

Verschil
2013-2060

Pensioenen

10,6

11,2

13,7

14,9

14,7

4,1

   werknemersregeling 

5,8

6,1

7,7

8,6

8,4

2,7

   zelfstandigenregeling 

0,8

0,9

1,1

1,2

1,1

0,3

   overheidssector (a) 

4

4,2

4,9

5,2

5,2

1,2

Gezondheidszorg (b)

8,2

8,5

10,1

10,9

10,3

2,1

   acute zorg 

7

6,9

8,3

8,6

8

1

   langdurige zorg

1,3

1,6

1,8

2,3

2,3

1,1

Arbeidsongeschiktheid 

1,7

2

2

1,9

1,5

-0,3

Werkloosheid (c)  

2,1

1,7

1,3

1,2

1,2

-0,9

Werkloosheid met bedrijfstoeslag

0,4

0,3

0,3

0,3

0,3

-0,2

Kinderbijslag 

1,6

1,5

1,5

1,4

1,2

-0,4

Overige sociale uitgaven (d) 

1,6

1,6

1,6

1,5

1,4

-0,3

Totaal 

26,4

26,9

30,5

32,2

30,6

4,2

(a) Inclusief de pensioenen van de overheidsbedrijven ten laste van de staat en inclusief de IGO
(b) Overheidsuitgaven voor gezondheidszorg (acute en langdurige zorg)
(c) Inclusief tijdskrediet en loopbaanonderbreking
(d) Vooral arbeidsongevallen, beroepsziekten, FBZ, tegemoetkomingen aan personen met een handicap en leefloon

Stijgende uitgaven

De uitgaven voor de pensioenen stijgen met 0,6 procentpunten van het bbp tegen 2019 (van 10,6% van het bbp in 2013 naar 11,2% van het bbp in 2019). Ze stijgen verder met 2,5 procentpunten van het bbp tegen 2030 (tot 13,7% van het bbp), wanneer de laatste babyboomers de pensioenleeftijd bereiken[30]. Daar komen nog eens 1,2 procentpunten bij tegen 2040 (tot 14,9% van het bbp). Tussen 2040 en 2060, wanneer de babyboomgeneratie uit de bevolkingspiramide verdwijnt, dalen de uitgaven terug. In 2060 zou het deel van het bbp dat naar de pensioenen gaat 14,7% bedragen. Is dat nu zo overdreven? Natuurlijk niet. Landen als Frankrijk en Oostenrijk betaalden in 2010 al 14,6 en 14,1 procent van hun bbp voor hun pensioenen.[31] Het geld voor de pensioenen verdwijnt ook niet uit onze economie. Het circuleert onder de vorm van consumptie, investeringen en erfenissen.

De tweede grootste uitgavenpost in de sociale zekerheid is de gezondheidszorg. De pensioenen en de gezondheidszorg vormen momenteel bijna drie vierde en in de toekomst meer dan vier vijfde van de sociale zekerheid. De uitgaven voor de gezondheidszorg stijgen met 0,3 procentpunten van het bbp tussen 2013 en 2019 (van 8,2% tot 8,5% van het bbp) en met 1,6 procentpunten tussen 2019 en 2030 (tot 10,1% van het bbp). Vervolgens een verdere stijging met 0,8 procentpunten tegen 2040 (10,9% van het bbp) en, net zoals bij de pensioenen, een daling tegen 2060 (10,3% van het bbp). Een deel van de stijging van de uitgaven voor de gezondheidszorg is te wijten aan de vergrijzing, maar een deel ook niet.[32]

Een aantal kleinere uitgavenposten, zoals arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, brugpensioenen (werkloosheid met bedrijfstoeslag), gezinsbijslagen en overige sociale uitgaven nemen af doorheen de tijd. In totaal stijgen de uitgaven voor de sociale zekerheid met 4,2 procentpunten van het bbp tegen 2060. Dat is minder dan 0,1 procentpunt per jaar. Dat is perfect draagbaar. Indien onze economie groeit met 1,5 procent per jaar, zoals de OESO, de Europese Commissie en de Studiecommissie voor de Vergrijzing voorop stellen, dan volstaat één vijftiende van die groei voor het betaalbaar houden van de sociale zekerheid.

Dalende inkomsten

In de talrijke nationale en internationale studies over de zogezegde onbetaalbaarheid van onze pensioenen wordt telkens gefocust op de stijgende uitgaven die de vergrijzing met zich meebrengt.[33] Maar het pensioenverhaal bestaat niet alleen uit stijgende uitgaven. Er zijn ook dalende inkomsten. Deze beïnvloeden de totale rekensom op lange termijn even sterk. Hieronder gaan we, voor wat betreft België, dieper in op die verborgen kant van het pensioenverhaal, namelijk de dalende inkomsten.

De inkomsten van de sociale zekerheid, waarmee onder andere de wettelijke pensioenen worden betaald, bestaan hoofdzakelijk uit sociale bijdragen (werkgevers- en werknemersbijdragen) en overheidsbijdragen (staatstoelagen, afkomstig uit algemene middelen, en alternatieve financiering, voornamelijk afkomstig uit BTW). Het aandeel van de sociale bijdragen nam af, omwille van een afname van de (directe) lonen in het bbp en omwille van de invoering van talrijke vrijstellingen op de sociale bijdragen (indirecte lonen). De afname van de sociale bijdragen in de financiering van de sociale zekerheid werd gecompenseerd door een toename van de overheidsbijdragen. Deze toename kwam echter onder druk te staan, omwille van de verslechterde toestand van de overheidsfinanciën.

Verschillende internationale en nationale onderzoeken wijzen op een daling van de (directe) lonen als percentage van het bbp. Zo spreekt de UNCTAD van een daling met ongeveer 5 procentpunten van het bbp in de belangrijkste economieën sinds 1980[34]. Dit cijfer wordt bevestigd voor België door verschillende onderzoekers[35]. Het meest gedetailleerde onderzoek is dat van Réginald Savage. Hij komt tot een daling van het loonaandeel binnen het nationaal inkomen met exact 5 procentpunten tussen 1980 en 2008. Savage stelt: “Het gaat wel degelijk om een betekenisvolle en structurele daling van het effectieve of gecorrigeerde loonaandeel dat men vaststelt sinds het midden van de jaren tachtig in vergelijking met de situatie halfweg de jaren zeventig. Dat valt heel bijzonder op wanneer de studie zich op de privésector richt, buiten de openbare besturen.”[36]

Niet alleen de (directe) lonen, ook de sociale bijdragen (of indirecte lonen) zijn gedaald als percentage van het bbp doorheen de tijd. Op basis van de statistische reeksen van de Federale Overheidsdienst voor de sociale zekerheid kan men de evolutie van de bijdragen voor de sociale zekerheid van de werknemers berekenen. De sociale bijdragen voor werknemers als percentage van het bbp lijken te zijn geëvolueerd van gemiddeld 15,6% in de jaren 1980 naar gemiddeld 11,2% in de jaren 2000[37]. Dat is een daling met 4,4 procentpunten van het bbp. Volgens de FOD Sociale zekerheid is het aandeel van de sociale bijdragen in de financiering van de sociale zekerheid tussen 2000 en 2010 gedaald met 6,1 procentpunten, van 67,91% in 2000 naar 61,81% in 2010. Deze daling is vooral te situeren bij de werkgeversbijdragen (daling met 4,12 procentpunten), minder bij de werknemersbijdragen (daling met 1,98 procentpunten)[38]. In 1970 lag het aandeel van de bijdragen in de financiering van de sociale zekerheid voor werknemers nog op 82,23%.[39]

Om de daling van de sociale bijdragen te compenseren, moesten de bijdragen van de overheid voor de financiering van de sociale zekerheid stijgen[40] (de prestaties van de sociale zekerheid in percentage van het bbp zijn immers min of meer constant gebleven sinds 1980[41]). De verslechtering van de overheidsfinanciën zet dit mechanisme van vervanging van sociale bijdragen door overheidsbijdragen onder druk.[42] De Europese Commissie formuleert het als volgt: “De financiële en economische crisis heeft geleid tot een scherpe verslechtering van de openbare financies. Overheidstekorten en schuldgraden zijn sterk gestegen. Dat zet de sociale beschermingsprogramma’s die afhangen van overheidsuitgaven onder druk.”[43] Bijgevolg wordt gezocht naar alternatieve oplossingen. Eén oplossing is mensen langer doen werken voor minder pensioen.

Een sociaal pensioenbeleid is nodig en mogelijk

Noodzaak van een sociaal pensioenbeleid

Volgens een studie van het interuniversitair Consortium Vergrijzing in Vlaanderen en Europa (Convive) heeft België Europees gezien de laagste pensioenen. Een gemiddeld pensioen bedraagt bij ons maar goed de helft van een gemiddeld inkomen, terwijl dat in de ons omringende landen eerder twee derde of vier vijfde is. Wie door ziekte, echtscheiding of een onvrijwillig vervroegd einde aan zijn of haar loopbaan geen kans kreeg om extra middelen opzij te zetten, belandt zowat fataal in armoede.

Volgens het laatste onderzoek terzake, namelijk dat van Berghman, Peeters en Mutsaerts, gebaseerd op gegevens uit het Pensioenkadaster van 2008, bedroeg het wettelijk pensioen gemiddeld 1.599 euro netto per maand voor ambtenaren, 994 euro netto per maand voor werknemers en 663 euro netto per maand voor zelfstandigen. Het bedroeg 1.121 euro netto per maand voor degenen die rechten uit verschillende stelsels combineren.[44] Het gaat hier over gemiddelden, die grote verschillen verbergen.[45] Het wettelijk pensioen voor vrouwen ligt ongeveer 200 euro lager dan voor mannen bij werknemers en zelfstandigen. Bij ambtenaren en gemengde loopbanen is dat verschil kleiner (ongeveer 150 euro). Berghman, Peeters en Mutsaerts maakten ook een herrekening van het wettelijk pensioen volgens de huishoudsamenstelling (alleenstaande mannen, alleenstaande vrouwen en individuen die – gehuwd of ongehuwd – samenwonen). Om het pensioen van een samenwonende vergelijkbaar te maken met dat van een alleenstaande, wordt gebruik gemaakt van het equivalent pensioeninkomen (het totale huishoudelijke pensioeninkomen wordt gedeeld door een equivalentieschaal en vervolgens toegekend aan elk individu binnen het huishouden). Daardoor verdwijnen de erg lage individuele pensioenen van vrouwen (heel wat vrouwen kunnen het lage pensioen binnen hun huishouden immers combineren met een hoger pensioen van hun man). Toch zijn er ook hier erg lage (equivalente) pensioenbedragen in de laagste decielen: rond 500 euro in het eerste deciel, 800 euro in het tweede deciel, 950 euro in het derde deciel, 1.000 euro in het vierde deciel, 1.050 euro in het vijfde deciel, 1.150 euro in het zesde deciel, 1.250 euro in het zevende deciel, 1.300 euro in het achtste deciel, 1.450 euro in het negende deciel en 1.900 euro in het laatste deciel.

Wanneer we bovenstaande cijfers bekijken, dan valt op dat ongeveer 50 % van de gemiddelde effectieve en equivalente wettelijke pensioenen onder of op de armoedegrens liggen (armoedegrens gedefinieerd als 60 % van het mediaan inkomen).[46] Een deel daarvan wordt opgetrokken tot aan de armoedegrens via het minimumpensioen. Maar niet iedereen heeft recht op een minimumpensioen (men moet een loopbaan van minstens 30 jaar kunnen voorleggen). Daardoor heeft ongeveer één of vijf ouderen een pensioen onder de armoedegrens. Ongeveer 30 % van de pensioenen ligt 100 tot 250 euro boven de armoedegrens. Slechts 20 % van de pensioenen ligt meer dan 400 euro boven de armoedegrens. Een versterking van de wettelijke pensioenen voor werknemers en zelfstandigen is dan ook broodnodig.

Krachtlijnen van een sociaal pensioenbeleid

Het Belgische pensioenstelsel schiet tekort op de twee doelstellingen van een goed pensioen: bescherming tegen armoede en degelijke vervanging van het vroegere inkomen uit arbeid. Deze twee doelstellingen hangen nauw samen: de beste bescherming tegen armoede is een goede vervanging van het vroegere inkomen. De pensioenformule voor werknemers en zelfstandigen in België is momenteel bijzonder slecht. Een pensioen is gelijk aan 60 % van het gemiddeld loon (voor alleenstaanden). Dat pensioen ligt voor een grote groep van werknemers en zelfstandigen per definitie dicht bij de armoedegrens (= 60 % van het equivalent mediaan inkomen). Een verbetering van de pensioenformule dringt zich dan ook op. Een sociaal pensioenbeleid garandeert minstens 75 % van het gemiddeld inkomen.

Een sociaal pensioenbeleid voorziet ook in een recht op rust na een leven van intense arbeid. Dat recht wordt concreet gemaakt door een recht op vervroegd pensioen en een recht op brugpensioen, zonder mogelijkheid tot weigering in hoofde van de werkgever en met plicht tot vervanging van een bruggepensioneerde door een jongere werknemer (behalve bij ondernemingen in moeilijkheden). We produceren steeds meer rijkdom met steeds minder werkenden. Dat heeft te maken met de stijgende productiviteit van arbeid.[47]/[48] We moeten het beschikbare werk dan ook beter verdelen. De stijgende productiviteit van de arbeid maakt dat mogelijk en nodig (de stijgende productiviteit heeft ook een kost op vlak van gezondheid, zie hierboven). Een sociaal pensioenbeleid voorziet een recht op brugpensioen vanaf 58 jaar, na minstens 35 loopbaanjaren. Voor zware beroepen en lange loopbanen kunnen de huidige uitzonderingen blijven bestaan. Daarnaast moet er voor alle werknemers een recht op vervroegd pensioen blijven bestaan vanaf 60 jaar na minstens 35 loopbaanjaren.

Betaalbaarheid van een sociaal pensioenbeleid

Het proces van de vergrijzing spreidt zich uit over twintig tot vijftig jaar. Daar moet een langetermijnvisie aan gekoppeld worden, die de rijkdom anders verdeelt. Deze herverdeling vanuit de solidariteit heeft vier hoekstenen.

De belangrijkste is: de sokkel van de sociale zekerheid verbreden met méér stabiele, duurzame en goedbetaalde banen. Het recht op pensioen staat niet los van het recht op werk met een degelijk inkomen. Momenteel is er voor een grote groep van mensen geen recht op werk. Als men echt bekommerd is om de pensioenen van de mensen, dan moet men daar iets aan doen. Een mogelijkheid zou zijn om een miljonairstaks te installeren, die een jaarlijkse belasting invoert van één procent op vermogens boven de één miljoen, twee procent op vermogens boven de twee miljoen euro en drie procent op vermogens boven de drie miljoen euro. Deze taks zou niet minder dan acht miljard euro opbrengen per jaar. Drie miljard euro kan besteed worden voor het creëren van nieuwe banen met stabiele lonen. Dat zal een positief effect hebben op de financiering van de pensioenen.

Een tweede luik van drie miljard euro van deze miljonairstaks kan gebruikt worden voor de financiering van de bijkomende kost voor onze pensioenen. Met dit geld kan ook de eerste pijler worden versterkt en kunnen de laagste pensioenen omhoog. Het Raadgevend Comité voor de Pensioensector (sinds kort de Federale Adviesraad voor Ouderen genoemd) stelde ook al voor om een vermogensbelasting in te voeren, om de transfer tijdens de afgelopen decennia van inkomen uit arbeid naar inkomen uit kapitaal te heroriënteren naar een degelijk inkomen voor gepensioneerden.[49]

Naast nieuwe banen met correcte lonen en een extra financiering via de miljonairstaks, is ook een extra financiering via een betere aanpak van de fiscale fraude mogelijk. Voorwaarden voor een betere aanpak zijn de opheffing van het bankgeheim, de openbaarheid van alle financiële verrichtingen en de zerotolerantie tegen overtredingen. Die fraude komt voornamelijk uit de rijkste bevolkingslagen. Volgens schattingen kost ze ons jaarlijks dertig miljard euro. Drie miljard euro ophalen door een betere strijd tegen fraude moet mogelijk zijn en kan besteed worden aan een fonds voor de financiering van de pensioenen in de toekomst.

Tot slot zal ook de houtworm uit het systeem weg moeten. Die houtworm, dat is de stelselmatige verlaging van de sociale bijdragen aan de sociale zekerheid. Hij vreet al jaren aan het hele stelsel en woekert verder in allerlei extralegale betalingen. Aanvullende pensioenen, maaltijdcheques, ecocheques, … dragen veel minder bij aan de sociale zekerheid. Deze houtworm kost de sociale zekerheid jaarlijks 11 miljard euro aan minder inkomsten en maakt de pensioenen onbetaalbaar.

Besluit: het gevecht voor het recht op pensioen

Het recht op rust met een degelijk inkomen, na een leven van intense arbeid, is een grondrecht. De welvaart die wij samen jaarlijks produceren kan dat recht perfect garanderen. In 1930 schreef John Maynard Keynes dat we in de toekomst met 3 uur werken per dag ruimschoots zouden toekomen, omwille van de stijgende productiviteit van arbeid: “Onze kleinkinderen zullen te weinig werk hebben. Ze zullen de arbeid zo breed mogelijk moeten verdelen. Een shift van drie uur per dag in een 15-urige werkweek kan het probleem oplossen. Drie uur per dag werken zal ruimschoots volstaan.”[50] De productiviteit van arbeid is inderdaad blijven stijgen. De rijkdom die wij nu samen produceren is een veelvoud van de rijkdom in 1930. Maar doordat de verdeling oneerlijk verloopt, wordt de overgrote meerderheid van de bevolking verplicht om harder en langer te werken, voor minder loon en minder pensioen. Dat is onaanvaardbaar. Het recht op pensioen werd niet ‘uitgevonden’ of ‘toegekend’ door een daad van menslievendheid, maar opgebouwd en afgedwongen door sociale strijd. De grote sprongen in de opbouw van het recht werden telkens gezet in periodes van crisis, waarbij de hele samenleving op haar grondvesten daverde. De vraag of de huidige economische crisis zal leiden tot een afbraak of een versterking van het recht op pensioen, zal afhangen van de sociale strijd.

Kim De Witte (kim.dewitte at pvda.be) is licenciaat in de rechten en economie. Hij was gedurende 6 jaar advocaat en werkte daarna 6 jaar aan de KU Leuven waar hij binnenkort een thesis over het recht op pensioen verdedigt. Hij volgt het pensioendossier op voor de PVDA.


[1] G. Tegenbos, “De Croo wil politiek pact over pensioenen”, De Standaard, 20 februari 2014.

[2] Zie punt 2.1.2 van het regeerakkoord (“Moment van opening van het recht op pensioen”).

[3] X., Alleen uitzonderingen zullen tot 67 moeten werken, Het Nieuwsblad, 13 oktober 2014.

[4] Idem.

[5] Zie J. Berghman, H. Peeters en A. Mutsaerts, De pensioenbescherming in België: overzicht en uitdagingen, in P. D’hoine en B. Pattyn (eds.), Over de grenzen en generaties heen – XXI Lessen voor de eenentwintigste eeuw, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2012, p. 111.

[6] Idem.

[7] Op voorwaarde van de aanwezigheid van 35 loopbaanjaren (als man) of 28 loopbaanjaren (als vrouw).

[8] Momenteel is brugpensioen vanaf 56 jaar nog mogelijk mits een beroepsverleden van 40 jaar. Dit stelsel is in principe van toepassing tot 31 december 2015. Het geldt ook voor de werknemer    die aan de voorwaarden voldoet, maar waarvan de opzeggingstermijn eindigt na 31 december 2015.

[9] Vroeger was brugpensioen voor ondernemingen in herstructurering mogelijk vanaf 50 jaar. Maar voor ondernemingen die erkend worden als onderneming in herstructurering na 31 december 2012, wordt de leeftijd van 50 jaar opgetrokken tot 55 jaar.

[10] Vroeger was brugpensioen voor ondernemingen in moeilijkheden mogelijk vanaf 50 jaar. Maar voor ondernemingen die erkend worden als onderneming in moeilijkheden na 31 december 2011, wordt de leeftijd van 50 jaar opgetrokken tot 52 jaar in 2012, tot 52 jaar en 6 maanden in 2013, tot 53 jaar in 2014, tot 53 jaar en 6 maanden in 2015, tot 54 jaar in 2016, 54 jaar en 6 maanden in 2017 en 55 jaar in 2018.

[11] Voor de juiste berekening, zie Studiedienst PVDA, Allemaal twee tot vijf jaar langer werken voor 83,2 tot 298,4 euro minder pensioen, 15 oktober 2014.

[12] Idem.

[13] Idem. Volgens onderzoek van professor Berghman e.a. is het gemiddeld ambtenarenpensioen gelijk aan 1.599 euro netto. (Zie J. Berghman, H. Peeters en A. Mutsaerts, op. cit.)

[14] Idem.

[15] Zie punt 2.1.2 van het regeerakkoord (“Lange termijn: automatische aanpassingsmechanismen”).

[16] I. Devos, De evolutie van de levensverwachting in België, 18e-20e eeuw, Chaire Quetelet 2005, p. 4.

[17] I. Devos, Ibid., p. 5-8; P. Deboosere in J. Corthouts en E. Vanbrussel, “Angst om vergrijzing is onterecht”, De Morgen, 1 juni 2013.

[18] Federaal Planbureau en Algemene Directie Statistiek, Bevolkingsvooruitzichten 2012-2060, mei 2013, p. 19. Het gaat hier over gemiddelden, die grote verschillen verbergen naargelang de geografische en socio-economische achtergrond van de inwoners (zie noot 20). De toename van de levensverwachting zou geleidelijk vertragen.

[19] Zie H. Van Oyen, P. Deboosere, V. Lorant, R. Charafeddine (eds.), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent, Academia Press, 2011, p. 21-22.

[20] Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV), het Centre d’Etudes socioéconomiques de la Santé (SESA) van de Université Catholique de Louvain (UCL) en het Steunpunt Demografie van de VUB, Tackling Health Inequalities in Belgium, Studie uitgevoerd voor rekening van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Federaal Wetenschapsbeleid, 2010, 47 p. (Raadpleegbaar op http://www.kbs-frb.be).

[21] Zo werd er voor vrouwen zonder diploma in België geen enkele stijging vastgesteld tussen 1991 tot 2001 (zie H. Van Oyen, P. Deboosere, V. Lorant en R. Charafeddine (eds.), op. cit., p. 22). De besluiten van dit onderzoek sluiten aan bij resultaten van onderzoeken in het buitenland. De levensverwachting van een Franse arbeidster van 35 jaar ligt 8 jaar lager dan die van een hoog kaderlid (E. Cambois, C. Laborde en J.-M. Robien, “La double peine des ouvriers – Plus d’années d’incapacité au sein d’une vie plus courte”, Population et sociétés 2008, nr. 441). In Estland bedraagt het verschil in levensverwachting tussen een man met het laagste opleidingsniveau en een man met dezelfde leeftijd die over een universiteitsdiploma beschikt 13 jaar (L. Vogel, “Travail et santé : pourquoi certains sont plus égaux que d’autres”, HesaMag 3, 2011, 1e semester). Op bepaalde plaatsen zou er voor bepaalde groepen ook een daling van de levensverwachting zijn. Zo bijvoorbeeld voor de precaire werknemers in Duitsland, waar een daling van de levensverwachting van 77,5 jaar in 2001 tot 75,5 in 2010 werd opgetekend. Voor de inwoners uit het oostelijk gedeelte van Duitsland zou de daling nog sterker zijn: van 77,9 jaar tot 74,1 jaar (B. Odent, “C’est un scandale ! Allemagne: le modèle qui réduit l’espérance de vie”, L’Humanité, 13 december 2011).

[22] Aldus het onderzoek van Dokters van de Wereld, in samenwerking met het RIZIV en de mutualiteiten (zie hierover S. Vandekerckhove, Met hoger diploma blijf je 25 jaar langer gezond, De Morgen, 28 maart 2014). Zie in dezelfde zin H. Van Oyen, P. Deboosere, V. Lorant, R. Charafeddine (eds.), op. cit., p. 29-30 en 34-36; N. Bossuyt, S. Gadeyne, P. Deboosere en H. Van Oyen, Socioeconomic inequalities in health expectancy in Belgium, Public Health 2004, 118(1), p. 3-10.

[23] RVA, cijfer van augustus 2014. Zie: http://www.rva.be/frames/frameset.aspx?Path=D_opdracht_VW/&Items=1&Langu....

[24] Cijfer van het tweede trimester 2014. Zie: http://statbel.fgov.be/nl/statistieken/cijfers/arbeid_leven/werk/.

[25] Zie in die zin de vergelijking tussen 29 landen door Ph. Defeyt, Retarder (encore) l'âge de départ (effectif) à la retraite?, Institut pour un Développement durable (IDD), augustus 2014, 17 p.

[26] Zie de studie van B. Neefs, W. Herremans en L. Sels, “Vergrijzing in de sectoren. Waar is de nood aan vervanging het hoogst?”, WSE-report, 2013, 29 p.

[27] J. Van Langendonck, “Beschouwingen over het niet-loon”, in R. Janvier, G. Van Lemberghen en A. Van Regenmortel, Het loonbegrip, Brugge, die Keure, 2005, p. 236-43. 

[28] Hypothese achter deze cijfers is een stijging van de arbeidsproductiviteit met 1,5% per jaar. Indien de productiviteit hoger zou komen te liggen, dan zullen de uitgaven in percentage van het BBP lager zijn en andersom.

[29] Zie Studiecommissie voor de vergrijzing, Jaarlijks verslag, juli 2014, p. 6.

[30] De babyboomgeneratie is de generatie geboren tussen 1945 en 1965. Zij bereikt de pensioenleeftijd tussen 2010 en 2030.

[31] European Commission, Fiscal Sustainability Report, European Economy 8/2012, DG Economic and Financial Affairs, p. 33.

[32] Zie hierover J. Pacolet en D. Deliège (coördinatoren), “Vergrijzing, gezondheidszorg en ouderenzorg in België”, Belgisch Tijdschrift voor Sociale zekerheid,  2006, afl. 2; M. Saintrain en S. Weemaes, “Accumuler des surplus budgétaires pour faire face au vieillissement démographique en Belgique: réalités et perspectives”, Planbureau, Working paper 5-08, februari 2008, p. 32 (raadpleegbaar op www.plan.be).

[33] Zie bijvoorbeeld European Commission, Fiscal Sustainability Report, European Economy 8/2012, DG Economic and Financial Affairs, 212 p.; zie ook European Commission en Economic Policy Committee, The 2012 Ageing Report: Underlying Assumptions and Projection Methodologies, European Economy 4/2011, DG Economic and Financial Affairs, 310 p. Het laatste rapport werd opgesteld met medewerking van de OESO, het IMF en de ECB.

[34] UNCTAD, Trade and development report 2011, New York and Geneva, United Nations, 2011, 17.

[35] Zie bijvoorbeeld P. Van Rompuy, “Het dalend aandeel van arbeid in het nationaal inkomen: oorzaken en gevolgen”, Centrum voor economische studiën aan de KU Leuven (CES), Leuvense Economische Standpunten, 2010, 29 p.

[36] R. Savage, « Evolutions de la part salariale belge: Essai de quantification rétrospective longue (1960-1970-2007) ”, Service Public Fédéral Finances, Bulletin de documentation, 2009, afl. 3, 79. Voor een methodologische noot bij de studie van Savage, zie de bemerking van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CBR) in de socio-economische nieuwsbrief nr. 188 van 28 februari 2013, p. 3-7. De CBR hanteert een andere methode van berekening. Ook in deze methode is er evenwel sprake van een daling van het aandeel van de lonen in het bbp met 5 procentpunten tussen 1980 en 2010.

[37] Statistische reeksen op www.socialezekerheid.fgov.be.

[38] FOD Sociale zekerheid, Sociale bescherming in België: Essobs data 2010, presentatie kerncijfers 2011, www.socialsecurity.fgov.be. Volgens Jan Bertels, Directeur-generaal van de DG Sociaal Beleid van de FOD Sociale Zekerheid, is dit één van de belangrijkste evoluties in de financiering van het laatste decennium (zie FOD Sociale zekerheid, De kerncijfers van de sociale zekerheid en de positie van België in Europa, persbericht, Brussel, 13 december 2012).

[39] P. Palstermans, Le financement des pensions, CRISP 2011, afl. 2088-89, p. 10.

[40] Vanaf 1995 wordt in de rekeningen van de FOD Sociale Zekerheid een onderscheid gemaakt tussen de “staatstoelagen” en de “alternatieve financiering” van de sociale zekerheid, die voornamelijk gebaseerd is op ontvangsten uit BTW. In wezen gaat het in beide gevallen over financiering met middelen van de overheid.

[41] Volgens Nagels en Plasman bedroegen de uitgaven voor de sociale zekerheid in percentage van het bbp 22,1% in 1980, 23,5% in 1985, 21,6% in 1990, 22,6% in 1995, 21,5% in 2000 en 23,2% in 2004 (J. Nagels en R. Plasman, Element d’économie politique – Critique de la pensée unique, Bruxelles, Editions de l’Université de Bruxelles, 2006, 117).

[42] Volledigheidshalve kan nog worden vermeld dat de Rijksdienst voor Pensioenen een reserve had opgebouwd voor de toekomstige pensioenuitgaven. Deze werd na de invoering van het Globaal Beheer in 1995 ingelijfd door andere, verlieslatende sectoren van de sociale zekerheid (werkloosheid en gezondheidszorg). Het ging over een reserve van 23,09 miljard BEF plus 5,85 miljard BEF (zie de artikelen 1 en 4 van het KB van 18 mei 1998 tot uitvoering van artikel 39bis, § 2, derde lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, Belgisch Staatsblad, 17 juli 1998).

[43] Europese Commissie, Interim EPC/SPC, Joint Report on Pensions, 2010.

[44] J. Berghman, H. Peeters en A. Mutsaerts, op. cit., p. 109.

[45] In het eerste deciel ligt het gemiddeld pensioen rond 150 euro, in het tweede deciel rond 650 euro, in het derde deciel rond 900 euro, in het vierde deciel rond 1.000 euro, in het vijfde deciel rond 1.050 euro, in het zesde deciel rond 1.100 euro, in het zevende deciel rond 1.200 euro, in het achtste deciel rond 1.350 euro, in het negende deciel rond 1.550 euro en in het tiende deciel rond 1.950 euro.

[46] Volgens de Algemene Directie Statistiek lag het mediaan inkomen in België in 2008 op 20.142 euro in België en 21.390 euro in Vlaanderen (zie Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Fiscale statistieken, Gemiddeld en mediaan netto belastbaar inkomen, in euro per jaar, gewesten en grote steden, inkomens 1999-2009, aangiftes 2000-2010). Dat geeft een armoedegrens van 1.007 euro voor België (1.069,5 euro voor Vlaanderen).

[47] De stijging van de arbeidsproductiviteit wordt beschouwd als de grondslag en maatstaf van de economische groei op lange termijn. Bij een stijging met 1,5 % per jaar verdubbelt de arbeidsproductiviteit na 47 jaar. Volgens de prognoses van de OESO blijft de arbeidsproductiviteit in België stijgen met 1,6 % per jaar. Tegenover de toegenomen ‘last’ van de vergrijzing tegen 2060 met 15,9 % (30,6 % van het bbp voor de sociale zekerheid in 2060 tegenover 26,4 % in 2013) staat dus een stijging van de arbeidsproductiviteit met 100 %.

[48] Volgens het Ageing Report 2012 van de Europese Commissie (opgesteld met medewerking van de OESO, het IMF en de ECB) zou het bbp in België toenemen met gemiddeld 1,6 % per jaar tussen 2010 en 2060. In 2060 zou het bbp 812,3 miljard euro bedragen, dat is 2,3 keer zoveel als in 2010 (European Commission en Economic Policy Committee, The 2012 Ageing Report: Underlying Assumptions and Projection Methodologies, European Economy 4/2011, DG Economic and Financial Affairs, p. 274).

[49] Raadgevend comité voor de pensioensector, Advies voor de toekomstige informateur, voor de formateur van de volgende regering en voor de toekomstige minister van Pensioenen, over de pensioenen, 8 juli 2010, p. 4.

[50] J.M. Keynes, “Economic Possibilities for our Grandchildren” (1930), uit J.M. Keynes, Essays in Persuasion, New York, W.W. Norton & Co., 1963, p. 358-373.