Wat wil Naomi Klein kwijt in haar nieuwe boek No Time?

Auteur: 
Isabelle Vanbrabant

Wie in No Time van Naomi Klein[1] nog eens het hele klimaatverhaal wil lezen, met cijfers en bewijzen over de opwarming van de atmosfeer, zal bedrogen uitkomen. Je moet mij niet geloven, zegt Naomi Klein, geloof de 97 % klimaatwetenschappers die de bewijzen aandragen. This changes everything (No Time in het Nederlands) is een polemisch en politiek boek met een harde en eenduidige boodschap: “Ons economisch stelsel en ons planetenstelsel staan met elkaar op voet van oorlog.” En dat is meteen de keiharde ondertitel van het boek: Kapitalisme versus Klimaat.

Rechts heeft gelijk: de revolutionaire kracht van de klimaatverandering

In juni 2011 heeft Naomi zichzelf uitgenodigd (undercover?) op de tweedaagse klimaatconferentie van het Heartland Institute, een neoconservatieve denktank waar de harde kern van de klimaatsceptici hun gal spuwen. Die rechtse, neoliberale diehards beseffen beter dan de naïeve (ook groene) wereldverbeteraars wat de reële inzet is van het klimaatdebat. Klein: “Dus hier is mijn ongemakkelijke waarheid: ik denk dat deze starre ideologen beter begrijpen wat de klimaatverandering werkelijk betekent dan de meeste klimaatpessimisten in het politieke midden, de pessimisten die nog altijd staande houden dat we het probleem geleidelijk en pijnloos kunnen oplossen en dat we tegen niemand ten strijde hoeven trekken, zelfs niet tegen de fossiele brandstofbedrijven.”[2] Zij die jarenlang het marktfundamentalisme hebben gepredikt, zij die de globalisatie en de liberalisatie tot hoogste goed hebben verheven, zij die de privatiseringen en afbraak van openbare dienstverlening hebben doorgeduwd, die neoconservatieve club beseft maar al te goed dat hun hele religie wordt ondergraven door de klimaatverandering. “Zodra ze toegeven dat de klimaatverandering een realiteit is, beseffen ze inmiddels, verliezen ze de belangrijkste ideologische strijd van onze tijd: of we onze samenlevingen moeten organiseren en besturen in overeenstemming met onze doelen en waarden, of dat die taak kan worden overgelaten aan de magie van de markt.” En nog duidelijker luidt de conclusie: “De klimaatverandering blaast het ideologische fundament van het hedendaagse conservatisme op. Je kunt een geloofsstelsel dat collectieve actie verguist en de oorlog verklaart aan alle regulering van het bedrijfsleven en aan de publieke zaak, onmogelijk in overeenstemming brengen met een probleem dat vraagt om collectieve actie op ongekende schaal, en om een spectaculaire beteugeling van de marktkrachten die grotendeels verantwoordelijk zijn voor het veroorzaken en verergeren van de crisis.”(p. 54)

Naomi Klein tackelt de neoconservatieve Heartland-fanatici (een gemakkelijk doelwit) om eigenlijk haar belangrijkste pijlen te richten op politici en delen van de klimaatbeweging die denken dat het met een beter gebruik van marktmechanismen (CO2-taksen, emissieplafonds, uitstootrechten) wel in orde komt. Daarvoor is de toestand al veel te dramatisch. “De klimaatbeweging heeft decennia verspeeld met voortdurend gesjacher, manieren zoekend om het probleem door de markt zelf te laten oplossen.” De algemeen bekende limiet van 2°C opwarming is al een politieke capitulatie voor het economisch realisme, “dat meer te maken heeft met het zo weinig mogelijk verstoren van de economie dan met de bescherming van het grootste aantal mensen.” (p. 21) Maar zelfs die 2°C lijkt al een utopische droom, stelt Naomi, want de emissies stijgen nog altijd met méér dan 5 % per jaar terwijl ze in de rijke landen met 8 à 10 % zouden moeten dalen. Bovendien hebben we geen enkel idee wanneer er een omslagpunt komt waarbij de hele ontregeling versnelt en onomkeerbaar wordt. Het zachtjes een prikje uitdelen aan het status quo is geen optie meer voor het klimaat: “Dus staan we voor een grimmige keuze: alles in de wereld laten veranderen door de ontwrichting van het klimaat of zo ongeveer alles aan onze economie veranderen om aan dat lot te ontkomen.” “Het betekent heel eenvoudig dat klimaatverandering een existentiële crisis is geworden voor de menselijke soort.” (p. 24)

“Protest en nee zeggen is niet voldoende”, stelt Klein. “Er is een allesomvattende visie nodig over wat er in de plaats van een falend systeem moet komen, met daarnaast een gedegen politieke strategie om die doelen te bereiken.” (p. 18) Voor die visie heeft ze het niet over de technische mogelijkheden. Klein verwijst naar gezaghebbende rapporten die aantonen dat de energievoorziening 100 procent hernieuwbaar kan gemaakt worden, zelfs tegen 2030. “Mij lijkt dat ons probleem minder draait om de techniek van zonne-energie dan om de politiek van menselijke macht – vooral of er een machtswisseling kan plaatsvinden, een verschuiving weg van het bedrijfsleven naar gemeenschappen.” (p. 35) En dus stelt Klein een andere strategie voor dan de weg van de geleidelijkheid: “Pak het groots aan en verplaats de ideologische pool ver van het verstikkende marktfundamentalisme, dat de ergste vijand is geworden van de planetaire gezondheid”. (p. 36)

In die zin is het klimaat niet alleen een probleem van overleven stelt Klein, maar ook een kans om beter te leven. En hiermee sluit ze ideologisch aan bij haar vorige boek De shockdoctrine. De crisis is door de 1 % gebruikt om te privatiseren en aanslagen te plegen op burgerlijke vrijheden en mensenrechten. Het mag niet gebeuren, stelt Naomi Klein, dat de klimaatcrisis gebruikt wordt om opnieuw middelen naar de 1 % te laten vloeien, om zaken te doen, om wapens te verkopen of klimaatbestendige gewassen op de markt te brengen. Er moet massief geïnvesteerd worden, waarbij de omwenteling in de energievoorziening en het vervoer moeten gebruikt worden om werk te scheppen en de armoede uit te roeien. Daar zijn volgens haar twee zaken voor nodig.

Ten eerste moet er geld zijn. Het kon voor de banken en het kan voor de oorlog, maar het kan niet voor het klimaat. Ze verwijst naar het ‘prikkelend’ boek van Thomas Piketty om aan te tonen dat het een kwestie is van politieke wil en somt een zestal maatregelen op die jaarlijks 2 biljoen dollar kunnen opleveren. Dat is méér dan de 1,9 biljoen dollar die het volgens de VN zou kosten “om de armoede te overwinnen, de voedselproductie op te voeren om honger uit te roeien en, zonder grond- en waterkwaliteit aan te tasten, de catastrofe van de klimaatverandering te voorkomen”. (p. 131)

Ten tweede veronderstelt dit een langetermijnplanning wat een totale breuk betekent met de heersende economische orthodoxie: “Een dergelijke verschuiving schendt alle ideologische regels – nodig zijn visionaire langetermijnplanning, strenge regulering van het bedrijfsleven, hogere belastingen voor vermogenden, grote uitgaven in de publieke sector en in veel gevallen het terugdraaien van de privatisering van kerntaken om gemeenschappen de macht in handen te geven waarmee ze de door hen gewenste veranderingen kunnen doorvoeren. Het betekent kortom, dat al onze opvattingen en ideeën over de economie moeten veranderen, zodat de vervuiling niet onze hele fysieke wereld verandert.”(p. 115)

De rampzalige fusie van het bedrijfsleven met de Amerikaanse milieubeweging

In het tweede deel van haar boek beschrijft Klein nauwgezet de rampzalige fusie van bedrijfsleven en milieubeweging. Klein heeft haar huiswerk goed gemaakt want via enkele goed uitgewerkte voorbeelden toont ze aan dat grote delen van de milieubeweging – door haar de Big Green genoemd – de economische belangen achter de sterk stijgende CO2-uitstoot niet bestrijden, maar integendeel er zelfs mee versmolten zijn. Zo is er bijvoorbeeld The Nature Conservancy, een belangrijke Noord-Amerikaanse natuurbeweging gekend om het opkopen van ecologisch waardevol land – die in eerste instantie een stuk grond opkocht in Texas om de prairiehoen te beschermen, maar uiteindelijk zelf een serieus centje bijverdiende door in het reservaat zelf naar gas te boren.

Door haar uitvoerig onderzoek van enkele van de bekendste grote Noord-Amerikaanse milieuorganisaties komt ze tot de conclusie dat er sprake is van een structurele versmelting, niet alleen via samenwerkingen en via financiële ondersteuning. Maar sommige organisaties investeren ook zelf in de fossiele brandstofindustrie en in hun raden van bestuur zitten afgevaardigden van die industrie. Het logisch gevolg is dat die bedrijven de milieubeweging ook sturen bij het voorstellen van oplossingen. Heel wat milieuorganisaties hebben dan ook consistent de antwoorden op de klimaatcrisis ondersteund die het minst belastend en vaak rechtstreeks gunstig zijn voor de grootste uitstoters van broeikasgassen ter wereld. De absurditeit van deze omgekeerde wereld bereikte tijdens de VN-Klimaattop in Warschau in 2013 een nieuw hoogtepunt. De bijeenkomst werd namelijk georganiseerd door een staalkaart van de fossiele brandstofindustrie, waaronder een bruinkooldelver.[3]

Klein stelt dat deze Big Green ‘de theorie van het laaghangende fruit’ aanhangen. Volgens deze theorie is het niet efficiënt om felle strijd te gaan voeren met de fossiele brandstofindustrie. Het is makkelijker om met iets eenvoudiger te beginnen in compromis met de industrie, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling en promotie van energiezuinige auto’s. Volgens die theorie is het helemaal not done om de toenemende uitstoot aan de wortels aan te pakken, namelijk aan ons economisch model, dat vereist dat deze grootste uitstoters de winst laten prevaleren boven de gezondheid van de natuurlijke systemen waarvan al het leven afhankelijk is.

Deze op de markt gebaseerde klimaatoplossingen, die door veel groenen omarmd zijn, zijn voor de gehele fossiele brandstofsector van onschatbare waarde geweest. Wat in het begin een helder publiek debat was over afstand nemen van fossiele brandstoffen is een technisch debat geworden. Op die manier is een massabeweging die het kon opnemen tegen de vervuilers in de kiem gesmoord. Het draait nu om technische oplossingen voor specifieke problemen, waarvoor binnen de markt verschillende rendabele oplossingen voorhanden zijn. Aan de grotere sociaaleconomische dynamiek die aan de verslechtering van het milieu ten grondslag ligt, wordt geen aandacht meer besteed. Het gaat zelfs nog verder. Dit soort beleid heeft er ook voor gezorgd dat de publieke opinie gelooft dat een volledige transitie naar hernieuwbare energie technisch onmogelijk is.

Hoe is het dan zover kunnen komen, vraagt Naomi Klein zich af. Ze schrijft dit toe aan ‘een legendarisch geval van slechte historische timing’. Volgens haar gaat het terug tot in de jaren zestig en zeventig, die ze omschrijft als de gouden tijd voor de milieuwetgeving. Organisaties als Friends of The Earth en Greenpeace waren pas opgericht en hun officieuze slogan was Sue the bastards. In die tijd werd directe marktinterventie om schade te voorkomen nog gezien als een zinnige politieke optie. Hieruit volgde een golf van overwinningen op vlak van milieubescherming. Dit succes bracht wel een aantal veranderingen teweeg. Milieubeschermingswerk werd steeds minder actie voeren, bestond uit het opstellen van wetten en het voor de rechtbank dagen van bedrijven die de wetten overtraden. De milieubeweging werd in een snel tempo een beweging van advocaten, lobbyisten enzovoort. Beroepsmilieubeschermers, die zich ook als ultieme insiders beschouwden.

Maar toen kwamen de jaren tachtig en onder Reagan nam het hele bewind een ruk naar rechts. De extreme vrijemarktideologie werd de taal van de elite. De overtuiging van de milieubeweging dat er iets gedaan moest worden aan de schade, via het reguleren van de bedrijven werd naar de vergaarbak van de geschiedenis verwezen en diezelfde beroepsmilieubeschermers werden nu zelfs van communisme beschuldigd.

De milieubeweging had zich kunnen aansluiten bij de andere sociale bewegingen zoals de vakbonden, de burgerrechtengroeperingen. Ook zij ondervonden enorme druk op hun zwaar bevochten verworvenheden. Maar als insider opeens aan de zijlijn gaan staan leek voor velen niet de beste en meest comfortabele optie. De nieuwe benadering werd er één van samenwerking in plaats van confrontatie. De rol van het grote publiek werd beperkt tot het regelmatig schrijven van brieven, ondertekenen van petities enzovoort. Maar ze werden vooral uitgenodigd hun macht als consument uit te oefenen en nieuwe (energiezuinigere) manieren van consumeren uit te proberen. Dit had tot gevolg dat de publieke opinie meeging in de idee dat de oplossing van boven moet komen, door onze meerderen aangereikt, in plaats van dat het iets is dat we zelf moeten opeisen. Dit illustreert Klein met twee belangrijke voorbeelden, waarmee ze aantoont hoe grote delen van de milieubeweging actief hun steun verleenden aan fracking[4] en aan de CO2-emissiehandel.

Over groene miljardairs en leerling tovenaars

Klein doorprikt verder ook een wijdverbreid idee – dat vooral in de Angelsaksische wereld leeft – namelijk dat groene miljardairs ons wel zullen redden. In de mainstream Angelsaksische klimaatbeweging leeft ook de overtuiging dat we de confrontatie met de machtigen en de rijken niet moeten aangaan, maar hen moeten overtuigen en een beroep moeten doen op hun menselijkheid. Zo ontmaskert ze de flamboyante Virginbaas Richard Branson. Hij had het licht – in dit geval de docu An Inconvenient Truth van Al Gore – gezien en beloofde om iets aan de klimaatverandering te doen. Hij beloofde om in tien jaar tijd 3 miljard dollar te spenderen aan de uitvinding van een wonderbrandstof. In een paar jaar tijd werd de belofte slechts een loos gebaar. Branson is er in geslaagd om van zijn groene strijd een mooie pr-stunt te maken, zonder daadwerkelijk te investeren in groene energie. Integendeel zelfs, hij breidde zijn vervuilende vliegtuigenvloot nog verder uit en als het over concrete klimaatwetgeving ging, was hij de eerste om die akkoorden op te blazen.

Wat het verhaal van Branson en zijn kompanen – in haar boek passeren ook Bill Gates van Microsoft, mediamagnaat Warren Buffet en voormalig burgemeester van New York, Bloomberg, de revue – ons wel heeft geleerd: vertrouw niet op ‘Verlossers die onze Aarde zullen redden’. De verandering moet van onderuit komen en zal niet op vrijwillige basis gebeuren, of op woord van eer.

Klein neemt ons ook mee naar de magische wereld van geo-engineering. Geo-engineering is het bewust grootschalig ingrijpen in de natuurlijke systemen van de aarde, met als doel klimaatverandering tegen te gaan. Een bekend voorbeeld is het pompen van zwavel in de atmosfeer om een soort filter te installeren voor zonnestralen, zodat de temperatuur op aarde daalt. Klein omschrijft het als volgt: “We doen iets aan de troep in onze atmosfeer door een ander soort troep in onze stratosfeer te pompen.” Een beangstigend idee dat een tijdje geleden nog toekomstmuziek leek, maar bij steeds meer wetenschappers en politici aanhang vindt. “Ja, het is oneindig veel ambitieuzer en gevaarlijker dan alles wat we hiervoor hebben gedaan. Maar het is ook heel vertrouwd, bijna een cliché, alsof de afgelopen vijfhonderd jaar ons onvermijdelijk naar dit punt hebben gebracht. De hele wetenschappelijke wereld is het erover eens dat we de uitstoot van broeikasgassen zouden moeten terugdringen. Toch laten we ons liever leiden door de logica van geo-engineering, want die kennen we; we hoeven alleen maar door te gaan met wat we al jaren doen, alleen moet er nog een schepje bovenop.” (p. 299)

Maar dit soort technieken kunnen eigenschappen ontwikkelen die niet voorspeld kunnen worden. Zo zijn er studies die uitwijzen dat zwavel in de atmosfeer ook leidt tot grote droogtes. Dit belangrijke element wordt door voorstanders van geo-engineering verwaarloosd. Natuurlijk willen bedrijven die fossiele brandstoffen ontginnen of opsouperen, niet weten van het alternatief – namelijk stoppen met vervuiling – dus daarom ook dat hun keuze uitgaat naar deze gevaarlijke technieken. Voordat het zover is en we door tijdsnood moeten overschakelen op een riskant plan B, wordt het volgens Klein dringend tijd om werk te maken van een echt plan A: een plan dat zich baseert op de beperking van de uitstoot, hoe economisch ingrijpend dit ook is.

Voor een nieuw klimaatactivisme

In het derde deel van haar boek – Er moet iets gebeuren – werkt ze dit plan A verder uit. In dit hoopgevende onderdeel schetst ze hoe er zich een nieuw soort van milieuactivisme ontwikkelt. Klein omschrijft het als blockadia.

Blockadia is een term die voor het eerst werd bedacht door activisten in de strijd tegen de bouw van de Keystone XL-pijpleiding in Texas, ten behoeve van de teerzanden[5] in Alberta (Canada). De lokale bevolking, in alliantie met milieuactivisten, probeerde om de bouw te stoppen met hun lichaam, door letterlijk de pijpleiding te barricaderen. Zij noemden hun kampen Blockadia. Deze alliantie van ‘cowboys en indianen’ (verwijzend naar een ‘apart’ bondgenootschap tussen de inheemse bevolkingsgroepen en de ranchers langs de route van de pijpleiding) leverde een grote overwinning op. Het was dit project dat aanleiding gaf tot een historische golf van burgerlijke ongehoorzaamheid in Washington D.C. en in februari 2013 uitliep op een grootse manifestatie die zo maar eventjes 40 000 mensen op de been bracht aan het Witte Huis.

Klein gebruikt de term blockadia om alle directe acties[6] overal ter wereld te omvatten. Het gaat om een transnationale ruimte (lokale ruimtes met elkaar verbonden via de nieuwe media), die wordt ingenomen door gewone mensen (een brede coalitie van milieuactivisten, lokale bewoners, de inheemse bevolking enz.) omdat de leiders er niet in slagen dit te doen. Ze proberen met hun eigen lichaam of voor het gerecht om dit tijdperk van extractie van ‘extreme energie’[7] een halt toe te roepen. Hiervoor doen ze beroep op hun traditionele landrechten, hun verdragen enzovoort en gaan ze op deze manier de strijd aan met multinationale corporaties en regeringen.

Door het falen van de topdown milieubescherming laten veel mensen die verontrust zijn over de klimaatverandering de geijkte milieuorganisaties en grote VN-topconferenties links liggen. In plaats daarvan trekken ze naar de barricaden van Blockadia en steunen ze de lokale protesten. Het gaat hier niet alleen om een verandering in strategie, maar om een fundamentele verandering in perspectief.

Er heerst een wijdverbreid bewustzijn dat er een klimaatcrisis aan de gang is en dat deze moderne extractieprojecten op grote schaal, nog verwoestender zijn dan hun conventionele tegenhangers en onze planeet nog meer richting verdoemenis sturen. Het gaat hier dus om meer dan enkele lokale belangen (angst voor eigen bestaansmiddelen en veiligheid) maar ook om mondiale belangen. Klein spreekt van een terugkeer van het voorzorgsprincipe. Dit houdt in dat absolute wetenschappelijke zekerheid over het niveau van vervuiling geen vereiste is voor het ondernemen van actie, wanneer volksgezondheid en milieu in gevaar komen. Dit staat diametraal tegenover de idee van ‘aanvaardbare risico’s’ dat zo lang dominant was binnen het officiële klimaatveranderingsdebat. “Waarom zouden er nieuwe gebieden moeten ontgonnen worden, als er überhaupt geen fossiele brandstoffen meer zouden moeten ontgonnen worden” (p. 340) maakt een Ecuadoraanse biologe en één van de leiders van de verzetsbeweging in het Amazonegebied duidelijk.

Blockadia kenmerkt zich door het verzet aan de frontlinie waar extreme energie wordt ontgonnen, maar er wordt ook geijverd om het verbod op dit soort ontginningen in het internationale recht te verankeren. Ook is er een ganse desinvesteringsbeweging ontstaan. Ze spoort (semi)overheidsinstellingen en non-profitorganisaties aan om hun aandelen in de fossiele brandstofindustrie terug te trekken. Desinvestering is nog maar een eerste fase in het proces van delegitimatie. Het uiteindelijk doel is dat het maatschappelijke draagvlak van dit soort industrie steeds meer afneemt.

Het voorzorgsprincipe

Na vele decennia van genoeglijke groene partnerschappen komt dit voor de extractie-industrieën hard aan. Zij botsen nu steeds vaker op ernstige weerstand. Ze vechten echter terug met hun bekend wapen: de bepalingen ter bescherming van de beleggers, vastgelegd in de vrijhandelsovereenkomsten. De handels- en investeringsregels binnen die overeenkomsten geven de bedrijven wettelijke gronden om zich te verzetten tegen alle mogelijke pogingen van overheden om de exploitatie van fossiele brandstoffen te beperken. Dit heeft als gevolg dat de nieuwe generatie actievoerders zich meer en meer bewust worden van de bedreiging van de democratie die deze handelsverdragen vertegenwoordigen en daar ook tegen in opstand komen. Het is dat besef dat Blockadia snel heeft doen veranderen in een brede beweging voor democratie. Klein stelt terecht “Wat is democratie als het niet inhoudt dat men, gezamenlijk, kan besluiten om iets te beschermen waarzonder men niet kan leven?” (p. 403)

Het is nog niet duidelijk of deze nieuwe strategie kan winnen, maar zelfs als ze niet meer oplevert dan vertragingen van de uitbreidingsplannen, dan nog leidt dit uitstel tot tijdswinst. Tijd om een alternatief aan te bieden.

Klein ziet een belangrijke taak weggelegd voor de inheemse volkeren. De historische claims die de inheemse volkeren over de hele wereld hebben, dragen in zich het potentieel om als tegenwicht te fungeren tegen de steeds minder democratische regeringen die niets van compromissen willen weten. Volgens Klein wordt de legitimiteit van hun aanspraken steeds vaker erkend. Er zijn zelfs landen die die rechten in hun grondwet hebben vastgelegd, zoals Bolivia. Binnen de Blockadia-beweging worden die rechten gezien als de laatste verdedigingslinie. Toch gaapt er nog steeds een diepe kloof tussen wat overheden zeggen en wat ze doen. Er is geen enkele garantie dat je het pleit wint als je met je rechten naar de rechter stapt. Overheid en industrie maken al jaren misbruik van de diepe kloof tussen wat de wet zegt en de financiële middelen die nodig zijn om die rechten af te dwingen.

Maar de belangrijkste reden waarom niet meer inheemse bevolkingsgroepen de strijd met de extractie-industrie aanbinden, is hun systematische economische en maatschappelijke achterstelling. Een snelle kortzichtige deal met de vervuilende industrie is de enige manier om hun basisvoorzieningen in stand te houden of te creëren.

Onder meer daarom kan de klimaatbeweging van nu niet enkel ‘nee’ zeggen, maar moet ze haar best doen om met een paar ingrijpende ‘ja’s’ te komen, met bouwstenen voor onze volgende economie, die zal zorgen voor schone, goede werkgelegenheid. Steeds meer mensen roepen daarom om niet alleen te desinvesteren, maar opnieuw te herinvesteren in bedrijven met een heldere visie op een schone aarde.

In haar conclusie stelt Klein dat alleen maatschappelijke verzetsbewegingen ons nog kunnen redden. Klein stelt “omdat we weten waar het huidige systeem op afkoerst, als het aan zichzelf wordt overgelaten. We weten ook hoe dat systeem zal reageren op de realiteit van opeenvolgende klimaatgerelateerde rampen: met steeds verdergaande winstgevende barbaarsheid. Om bij die nachtmerrie uit te komen, hoeven we alleen maar voort te rollen over de weg waar we ons al op bevinden. De enige optie die overblijft, is dat er een tegenkracht opduikt die ons de weg verspert en tegelijkertijd alternatieve wegen naar veiligere bestemmingen opent. Als dat gebeurt, ja, dan verandert alles.” (p. 501) De verschillende tegenbewegingen die Klein bespreekt, ziet zij als vroege manifestaties van dit verzet.

De onafgemaakte bevrijding

In het verleden hebben massaverzetsbewegingen al meerdere malen het spreekwoordelijke stuurwiel in handen genomen. Maar de vraag die Klein zich stelt is of er ooit eerder zo’n ingrijpende economische verschuiving heeft plaatsgevonden. De mensenrechtenbeweging van de vorige eeuw wordt als typevoorbeeld beschouwd van hoe een maatschappelijke beweging kan zorgen voor een historische omwenteling. Deze beweging heeft enorme successen geboekt op het juridische en culturele domein, maar minder op het economische. Ook de anti-apartheidsbeweging heeft op het vlak van economische gelijkheid het minst bereikt. In de geschiedenis vinden we slechts één precedent terug: de beweging tegen de slavernij. Het staat vast dat het verliezen van het recht om mensen te exploiteren een belangrijke economische dreun was voor een deel van de heersende klasse in die tijd. Maar ook bij de afschaffing van de slavernij slaagden de elites erin om fikse schadevergoedingen lost te peuteren omwille van hun verlies, terwijl de slaven nooit iets anders aangeboden werd voor hun leed.

Als geen enkele historische massaverzetsbeweging het voor elkaar kreeg om een rechtvaardiger economisch systeem af te dwingen, hoe kan de klimaatbeweging dan wel slagen, vraagt Klein zich af. Ze heeft daar een origineel antwoord op: onze economische eisen zijn niets minder dan de onafgeloste schuld van de machtigste bevrijdingsbewegingen van de laatste twee eeuwen. De enorme investeringen die nodig zijn om de klimaatdreiging daadwerkelijk tegen te gaan, bieden ons eindelijk een kans om de dingen te veranderen en het deze keer wel goed te doen. En heel belangrijk: al die historische bewegingen bestaan nog en ze vechten nog. Om in actie te komen tegen klimaatverandering is geen gloednieuwe beweging nodig. Om te kunnen winnen, moeten al die verschillende bewegingen samengaan op een schaal die nooit eerder is vertoond. Maar geloven we daar wel in?

Zo is Klein terug aanbeland bij het begin van haar boek: de klimaatverandering en de verkeerde timing. Wij zijn een kind van onze tijd en het is de heersende vrijemarktideologie die ons doet geloven dat verandering niet mogelijk is. Elke poging om de klimaatverandering tegen te gaan, zal mislukken zolang die niet wordt begrepen als onderdeel van een veel bredere ideologische strijd. Volgens Klein verander je een ideologie die niet ter discussie staat door in het begin voor de juiste gevechten te kiezen. Het gaat niet alleen om de verandering van wetgeving maar in de eerste plaats om verandering van denkpatronen. Daarom ook dat een brede coalitie die een wettelijk minimumloon eist, meer kan betekenen in de strijd tegen klimaatverandering dan een marginale CO2-taks.

Klimaatverandering is op de publieke agenda komen te staan in een tijd waarin neoliberalisme hoogtij vierde. Maar nu merken we dat er verandering in de lucht hangt. In het kielzog van het neoliberalisme hebben zich veel nieuwe dingen ontwikkeld, zoals de nieuwe media. Die hebben ons geholpen terug gemeenschappelijkheid te vinden. Dus als het moment aanbreekt, waarop het onmogelijke mogelijk lijkt, wat doe jij dan? Op die manier sluit Klein haar boek af.

Dat is een goede vraag, voor ons allemaal.

Naomi Klein heeft een heel sterk en inspirerend boek geschreven. Ze is er in geslaagd om een nieuwe generatie milieuactivisten de weg te wijzen. Haar belangrijkste stelling is dat de strijd tegen klimaatverandering niet kan gewonnen worden zonder het huidig kapitalistisch systeem te bekampen. Binnen de mainstream milieubeweging betekent dit een kleine aardverschuiving. Bij velen van hen leeft de idee dat het huidige systeem net zo goed op hernieuwbare bronnen kan draaien, zij het dan uit eigenbelang. Kleins boek maakt – ook in de originele ondertitel Climate vs Capitalism – heel duidelijk dat ze die idee niet aanhangt.

Een heel interessante en persoonlijke bijdrage is dat ze de strijd tegen klimaatverandering niet ziet als iets dat los staat van andere, sociale en democratische strijdbewegingen. Klein concludeert dat we klimaatverandering alleen maar kunnen aanpakken als het kadert binnen een bredere ideologische strijd voor rechtvaardigheid. Ze ziet de klimaatverandering als een hefboom die de revolutionaire kracht in zich draagt om alle strijdbewegingen te verenigen. De massale mobilisatie die ze teweeg brengt, kan de onafgewerkte bevrijding brengen waarin de grote historische massaverzetsbewegingen niet slaagden: een overwinning op het kapitalisme. In die zin werkt haar boek enorm mobiliserend. Aangezien het vijf voor twaalf is, heeft de globale milieubeweging dringend nood aan dergelijke analyses.

Hoewel Klein in haar boek duidelijk aangeeft dat de milieubeweging van nu, niet enkel ‘neen’ mag zeggen, maar ook een alternatief moet aanbieden, is het net daar dat haar analyse niet altijd even helder is uitgewerkt. Over hoe die economische transitie naar een rechtvaardige samenleving moet georganiseerd worden, blijft ze bijzonder vaag. Toch onderstreept ze het belang van stevige organisatie, een zwak punt in spontane mobilisaties zoals Occupy Wall Street. Ze geeft aan dat ze voorstander is van een postkapitalistische economie, maar of ze onder kapitalisme méér verstaat dan neoliberalisme, is niet altijd duidelijk. Evenmin is duidelijk of ze van mening is dat het kapitalisme verantwoordelijk is voor het ‘extractivisme’ van de fossiele brandstofindustrie of dat de schuld eerder ligt bij de excessen van het marktfundamentalisme. Daardoor blijft uiteindelijk de vraag waarop de massamobilisatie moet uitlopen. Het lijkt erop dat Naomi Klein niets heeft tegen het marktdenken op zich, maar zich eerder afzet tegen het ongebreidelde kapitalisme, het extreme vrije marktdenken, waarin niet gereguleerd wordt. Het alternatief is een overheid die de huidige verwoestende economie van brandstof extractivisme doet ‘ontgroeien’ (degrowth) door werk te maken van investeringen in CO2-emissiereductie, herstel van het milieu, groene jobs en hernieuwbare energie. Dit moet samengaan met een uitbouw van de zorgsector. Dit kan alleen door een gecentraliseerde en geplande aanpak, naast een aanpak in grote steden. Zo kijkt ze onder meer bewonderend op naar enkele Duitse steden die groene pioniers zijn op vlak van duurzame energie. Ze hoopt dat de massale mobilisaties, protesten en blokkades in staat zullen zijn om de regels van de markt en de concurrentie aan te passen, zodat de planeet en de mensheid kan gered worden.

Ja! Naomi Klein heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het klimaatdebat. Haar grote verdienste is dat ze het systeemdebat terug op de dagorde zet in de milieubeweging. Change the system, not the climate: daar zijn we het 100 % over eens, maar hoe (drastisch) dat systeem moet gewijzigd worden, daar zal nog veel over gediscussieerd moeten worden.


[1] Naomi Klein, No Time. Verander nu voor het klimaat alles verandert, 2014, De Geus. ISBN 978-9044533767. Oorspronkelijke titel: This Changes Everything. Capitalism vs. The Climate, 2014, Simon & Schuster, 576 p. ISBN 978-145169738.

[2] Naomi Klein, No Time, p. 57. Voor alle volgende verwijzingen zijn in de tekst de paginanummers vermeld na de aangehaalde passages.

[3] Bruinkool: een tussenfase tussen veen en steenkool.

[4] Fracking is een proces waarbij water en chemicaliën onder grote druk in de grond gepompt worden om gas uit gesteente te winnen.

[5] Teerzanden zijn afzettingen van zand, klei, water en bitumen. De bitumen, die tot olieproducten verwerkt kunnen worden, zijn een interessant alternatief voor aardolie geworden. De uitstoot aan broeikasgassen is 1,5 maal zo groot voor een effectief gewonnen liter ruwe olie.

[6] Directe actie: een methode en een theoretische benadering voor het tegengaan en stoppen van politiek of sociaal onwenselijk geachte processen of het bevorderen van meer gewenste processen. Dit wordt gedaan door middel van acties, zoals het opwerpen van barricades, het kraken van leegstaande panden, stakingen, bezettingen enz.

[7] Extreme energie: Klein labelt op deze manier risicovolle en milieuverwoestende manieren van energie winnen zoals energiewinning uit schaliegas, teerzanden enz.