Westerse oorlogszucht en moslimextremisme

Auteur: 
Domenico Moro

“… ik ben van mening dat al die inspanningen om het regime van Assad omver te werpen vele zakken gevuld hebben. […] Daarom moeten ook Qatar, Saoedi-Arabië en andere landen betrokken worden bij de strijd tegen de Soennitische extremisten.” Daniel Benjamin, voormalig hoofd van de afdeling antiterrorisme van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.2

De religie is de verzuchting van het verdrukte schepsel, het gemoed van een harteloze wereld, zoals ze ook de ziel van zielloze toestanden is. Zij is opium van het volk. De opheffing van de religie als denkbeeldig geluk van het volk is de vereiste voor zijn werkelijk geluk.” Karl Marx, Bijdrage tot de kritiek op Hegels rechtsfilosofie.

De rampzalige gevolgen van de vernietiging van de Arabische lekenstaten1

De vijand staat al lang niet meer voor de deur, hij is al binnen. Dat is wat de regeringen en massamedia ons vertellen. Na de aanval op Charlie Hebdo lijkt het alsof het in de Westerse wereld, met zijn vrijheid van opinie en van meningsuiting, onbetwistbaar vast te staan dat de samenleving ernstig bedreigd wordt door het beestachtige moslimextremisme. Daarom moeten we ons voorbereiden op een oorlog, niet alleen in het buitenland, maar ook binnen onze landsgrenzen. We krijgen sterk het gevoel dat er een nieuwe fase aanbreekt in de oorlog tegen het terrorisme, door Bush begonnen na 11 september 2001, maar nooit beëindigd. Het is geen toeval dat we over de gebeurtenissen in Parijs spreken als over de Europese 11 september. De Italiaanse premier Matteo Renzi heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om te verklaren dat Italië bereid is deel te nemen aan een militaire interventie in Libië, ook al is dat onder de vleugels van de VN. En dit nauwelijks meer dan honderd jaar na de koloniale invasie van 1911.

Maar zoals bij alle oorlogen, wordt ook hier in de eerste plaats gesjoemeld met de waarheid. Daarom is het van fundamenteel belang dat we het alles dekkende waas van schijnheiligheid wegwerken en de waarheid blootleggen. De veranderingen van het historische kader zorgen echter voor complicaties. Het gaat daarbij dan vooral om fenomenen zoals het moslimradicalisme, die vroeger minder belangrijk waren en vooral op lokaal niveau speelden. Links heeft op dat vlak een wezenlijke achterstand bij het analyseren van de feiten en daaruit volgen onzekere politieke en ideologische standpunten. Ditzelfde geldt voor zijn aanpak van het huidige imperialisme en van de rol van de immigratie van buiten Europa.

Het moet eerst en vooral duidelijk zijn dat de verspreiding van het moslimextremisme nauw samenhangt met de destabilisering van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Die destabilisering wordt door de Westerse imperialistische grootmachten, te beginnen met de VS en Frankrijk, systematisch aangewakkerd. Zo heeft het Westen de radicale islam, in het bijzonder de jihadistische bewegingen, gesteund; dit was zelfs een cruciaal element van zijn strategie. En het zijn net die groeperingen, die de aanslagen in Parijs hebben opgeëist en waartoe zowel Coulibaly als de broers Kouachi verklaarden te behoren. Maar ook wij Italianen staan daar niet buiten. Al in de jaren tachtig hielpen en steunden de Italiaanse geheime diensten het moslimfundamentalisme in Noord-Afrika, tegen de lekenregimes die het wilden vernietigen of inperken. In juli 2007 publiceerde het toonaangevende tijdschrift Limes een getuigenis van Nino Arconte. Daarin verklaarde de ex-agent van de Sismi (de Italiaanse militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst) dat de Italiaanse inlichtingendienst twintig opleidingskampen voor islamitische militanten had opgericht. De dienst steunde hiermee de opstanden die in 1987 zouden leiden tot de afzetting van Bourguiba, de toenmalige seculiere president van Tunesië.3 De islamisten werden daarna door de Italianen gedumpt en vervolgd door de nieuwe Tunesische regering van Ben Ali. Ze weken uit naar Algerije, waar ze de lange en bloedige burgeroorlog tussen islamisten en de krijgsmacht in de jaren negentig aanwakkerden.

Als er vandaag in Noord-Afrika en het Midden-Oosten uitgestrekte gebieden ten prooi zijn gevallen aan anarchie of in handen van terroristische organisaties en jihadistische milities zoals het beruchte IS (Islamitische Staat) zijn gekomen, dan komt dat doordat de bestaande lekenstaten, die deze milities bestreden en in bedwang hielden, systematisch vernietigd werden. Die vernietiging gebeurde voor een deel rechtstreeks door Westerse strijdkrachten, zoals bij de invasie in Irak. Daarnaast konden de gewapende milities ook rekenen op politieke steun en wapens uit het Westen en de bevriende Arabische petroleummonarchieën, zoals in Libië en Syrië het geval was. Libië is misschien het beste voorbeeld. Daar hebben de Europese en Amerikaanse luchtbombardementen niet alleen talloze burgerslachtoffers gemaakt, ze hebben de rebellen ook aan een overwinning op Kadhafi geholpen, wat anders zeer onwaarschijnlijk was geweest. De ‘Arabische Lentes’ werden door de Westerse media opgehemeld en afgeschilderd als de strijd voor vrijheid van het volk tegen bloeddorstige dictators, maar op hetzelfde ogenblik drongen duizenden jihadisten uit de hele wereld Libië en Syrië binnen, landen die nu tot kleine Afghanistans zijn herleid en in handen van krijgsheren zijn gevallen. En dat alles gebeurt op twee passen van onze achterdeur. De petroleummonarchieën Saoedi-Arabië, Qatar en Koeweit zijn historische bondgenoten van West-Europa en de VS. Deze laatste heeft er zelfs militaire basissen. Zelfs Daniel Benjamin, onder Hilary Clinton het hoofd van de afdeling antiterrorisme van het Ministerie voor Buitenlandse Zaken, geeft uitdrukkelijk toe dat die drie staten de milities financierden die Kadhafi ten val brachten en Assad ei zo na neerhaalden.4

Verder is Frankrijk voor een groot deel verantwoordelijk voor het ontstaan van die situatie. Het waren immers Frankrijk en, in mindere mate, Groot-Brittannië die aanstuurden op een Westers militair ingrijpen in Libië en Syrië, rechtstreeks of door steun te verlenen aan de ‘rebellen’. Italië en de VS waren veel terughoudender, vooral bij de interventie in Libië. Na de recente feiten in Parijs werd de Franse geheime dienst, die nochtans bekend staat om zijn efficiëntie, wereldwijd van incompetentie beschuldigd. Het televisiejournaal van de Italiaanse Rai (en dus geen blog vol complottheorieën) stelde de vraag hoe het mogelijk was dat de broers Kouachi ongestoord heen en weer konden reizen tussen Frankrijk, Syrië en Jemen, waar ze werden opgeleid. Misschien ging het niet alleen om incompetentie. Misschien leekt het voor de Fransen beter om toch tot op zeker moment de stroom mannen die uit Europa in Syrië tegen Assad gingen vechten, niet al te streng te controleren. Die stroom passeerde trouwens langs het stuk grens met Syrië dat door Turkije wordt gecontroleerd. Turkije is lid van de NAVO en steunt, volgens Alberto Negri van de krant Sole24ore, niet alleen het VSA (Vrij Syrisch Leger), maar al jaar en dag ook de jihadistische groep Jabhat al-Nusra in de strijd tegen Assad.5 Al-Nusra, een Syrische tak van Al Qaida, krijgt trouwens ook hulp van Qatar en Koeweit. Saoedi-Arabië van zijn kant steunt het Islamitisch Front, dat ook jihadistisch is en een Islamitisch Emiraat in Syrië wil stichten.

Het gemak waarmee islamitische strijders naar Syrië kunnen reizen, past perfect in de Westerse strategie die ook de Obama-administratie volgt, tot nu toe tenminste: rechtstreekse interventies met grondtroepen moeten worden vermeden. In plaats daarvan worden luchtmacht en lokale milities ingezet. Dat is goedkoper, minder riskant op het vlak van de internationale politiek en het is makkelijker om zo een interne consensus te behouden. En intussen zijn er genoeg films over gemaakt (de voorlopig laatste is de recente en dubbelzinnige film van Clint Eastwood): het risico is groot dat de jonge Amerikaanse soldaten aan den lijve ondervinden dat geen enkele van die ‘bevrijde’ volkeren hen ook effectief als bevrijders ziet. Het inzetten van lokale troepen is trouwens niets nieuws. In de tijd van het kolonialisme gebruikte Engeland Indiase troepen om zijn oorlogen uit te vechten en Italië deed een beroep op dubats uit Somalië en askari’s6 uit Eritrea. En ook vandaag nog, na de aanslagen in Parijs, benadrukt Benjamin dat men aan de verleiding moet weerstaan om Westerse troepen ter plaatse te sturen. Het probleem is dat het niet zo gemakkelijk is om die nieuwe ‘askari’s’ onder controle te houden of in een bepaalde richting te duwen. Vaak komen ze zelfs in opstand tegen wie dacht de touwtjes in handen te hebben.

De binnenlandse vijand: de ontwikkeling van het moslimradicalisme in Europa

Wie zijn die nieuwe ‘askari’s’ dan? Volgens de media komen duizenden strijders uit Europa. Velen zijn Europese burgers en sommigen zijn zelfs ‘blanken’ die zich tot de radicale islam hebben bekeerd. Zo komen we voor een nieuw probleem te staan. Er bestaat een front in het buitenland, in grote mate gecreëerd met de hulp van het Westen, en nu is er ook een binnenlands front. Ook hier is het niet zo vanzelfsprekend om de grenzen van het conflict en de verantwoordelijkheden te definiëren, of te bepalen wie ermee begonnen is. In het tijdperk van de wegwerpinformatie vergeten we nogal snel wat we liever niet willen weten. Zo zijn we al vergeten dat de grootste terroristische aanslag van de voorbije jaren op West-Europees grondgebied door de Noor Anders Breivik werd gepleegd. In 2011 slachtte hij 77 kinderen en jongeren van de Noorse sociaaldemocratische partij af, om ‘te protesteren tegen de teloorgang van de Noorse cultuur door de massale immigratie van moslims’.

Meer recent steekt de afkeer van de islam als godsdienst overal in Europa de kop op. Dat levert niet alleen hopen stemmen op voor de xenofobe partijen, het leidt ook tot gewelddadige en terroristische aanslagen. In Zweden zijn tussen Kerstmis en Nieuwjaar verschillende aanvallen met molotovcocktails op moskeeën geregistreerd. De groei van die anti-islamitische gevoelens zien we duidelijk in de verspreiding van de Pegidabeweging in Duitsland. Hoewel ze op een meer gematigde manier naar buiten komt dan het nazistische extreemrechts, verpersoonlijkt Pegida toch dezelfde ideeën, namelijk dat we de nationale Europese identiteit moeten beschermen tegen de islam. Gelijktijdig met deze manifestaties van een deel van de Europese bevolking, vooral behorend tot de lagere klassen, zien we bij de nieuwe generaties van kinderen van niet-Europese immigranten een massale herontdekking van de islamitische godsdienst. Maar met die herontdekking van de islam als geloofsleer gaat ook een sterke aantrekkingskracht van de verschillende vormen van de politieke islam gepaard.

Welke materiële en sociale oorzaken liggen aan de basis van die religieuze en politieke ideologische uitingen?7 Waarom lijkt de interetnische en interreligieuze integratie in Europa en in het bijzonder in Frankrijk, een mislukking? Alles begint bij het feit dat er in Europa, met de miljoenen mensen uit de onderste lagen van de werkende bevolking en het lompenproletariaat, een nieuw ‘volk van de afgrond’ is ontstaan.8 Velen onder hen zijn echte Europese burgers, kinderen of kleinkinderen van migranten uit Arabische of andere niet-Europese landen. Ze vormen een groep die we een ‘binnenlandse derde wereld’ zouden kunnen noemen, een soort ‘kolonie in eigen land’, die tot op de dag van vandaag decennialang door het kapitaal in stand gehouden en gevoed is.

Het doel was – en is nog steeds – om voldoende werkkrachten voorradig te hebben en een ‘industrieel reserveleger’ op te bouwen om zo de lonen laag te houden. Het geboortecijfer van de Europese bevolking blijft immers dalen. Na decennia van dramatische demografische neergang heeft Frankrijk nu de hoogste vruchtbaarheidsgraad van het continent. En die heeft het echt niet te danken aan een gulle welvaartsstaat die de families ondersteunt, maar aan de migranten.9 De kapitaalcrisis en de ‘structurele hervormingen’ van de Europese bezuinigingspolitiek zorgen voor lagere lonen, een verschrompeling van de welvaartsstaat en vooral van de mogelijkheid een fatsoenlijke job te vinden. Met andere woorden, we hebben te maken met een bevolkingsoverschot. Dit is geen overbevolking in de absolute betekenis van het woord. Het betekent wel dat de enige mogelijkheid om deze bevolking in de huidige maatschappij op te nemen, erin bestaat haar te gebruiken als werkkrachten, om zo nog meer kapitaal te vergaren.

Veel Europeanen worden door die relatieve overbevolking getroffen. Niet alleen migranten of kinderen van migranten van de tweede of derde generatie, maar ook veel ‘autochtonen’, die definitief naar de ‘reserve’ van het werkende leger verschuiven. Die situatie creëert sociale spanningen die hoe dan ook een uitlaatklep moeten vinden. Dit gebeurt helaas niet in een gezamenlijke, etnisch-overkoepelende strijd tegen de echte oorzaak van het probleem (de kapitalistische productiewijze) maar in een onderlinge strijd tussen de armen (of tussen wie arm is en wie vreest het te worden) om de steeds schaarser wordende goederen. Die strijd neemt etnische vormen aan of manifesteert zich als een religieus en cultureel conflict.

Marx stond als materialistisch en politiek revolutionair erg kritisch tegenover godsdienst. Hij zag daarin zowel “de uitdrukking van materiële ellende als het protest tegen die materiële ellende”.10 Toen hij godsdienst omschreef als “opium van het volk”, omvatte die uitspraak dan ook veel meer schakeringen dan een bepaalde interpretatie wil doen uitschijnen. Wanneer Marx zei dat godsdienst opium van het volk was, bedoelde hij dat godsdienst, zoals opium voor oorlogsgewonden, het leed verzacht van wie onderdrukt en vernederd wordt.11 In hun beginjaren waren trouwens zowel het christendom als de islam godsdiensten van armen en slaven. Zowel in de Koran als in het Evangelie vinden we zeer harde woorden aan het adres van de rijken en de Bijbelse Apocalyps is een aanklacht tegen het Romeinse imperialisme.

Als ik naar Marx en de geschiedenis van de godsdiensten verwijs, doe ik dat niet alleen om filosofische redenen. Het gaat hier om de politieke noodzaak om het contradictorische karakter van religie te begrijpen, om de dominante klassen van weerwoord te kunnen dienen, omdat zij religie gebruiken als een instrument om anderen onder de knoet te houden. In deze moderne tijd, die hun identiteit steeds meer aan stukken scheurt, is (de islamitische en christelijke) godsdienst voor vele (autochtone en allochtone) Europeanen de enige manier om zich uit te drukken. Men moet wel een onderscheid maken tussen islam en moslimfundamentalisme. De islam is een geloofsleer die niet automatisch instemming met een bepaalde politieke stroming inhoudt, noch met geweld of jihad. Net zomin als het christendom. Miljoenen moslims sympathiseren net als miljoenen christenen met partijen van diverse politieke en ideologische strekkingen.

De islam is trouwens ook doctrinair erg gevarieerd. Zo zijn er belangrijke quiëtistische12 of zelfs mystieke stromingen, zoals het soefisme, die elke vorm van geweld verwerpen. Voor Europeanen is het moeilijk om de islam te begrijpen, omdat we geconditioneerd zijn door het christendom dat, vooral in de katholieke Kerk, een clerus heeft, een gestructureerde organisatie en een uitgewerkt religieus gedachtegoed. De islam kent geen kerken of echte geestelijken. Enkel de sjiitische minderheid heeft iets wat daarvan in de buurt komt. Voorts moeten we een onderscheid maken tussen de islam en het moslimfundamentalisme. Dit laatste is geen geloofsleer, maar een politieke en ideologische stroming. Die kan als islamitisch worden gedefinieerd, omdat ze haar politieke lijn door een subjectieve interpretatie rechtvaardigt en op de godsdienst zelf terugvalt. Dit geldt vooral voor de toepassing van de wetten van de Koran wat, zoals bij elke andere wet, vooral een kwestie van interpretatie is. Het moslimextremisme is dus ook geen eenvormig geheel en kan niet worden teruggebracht op het jihadisme alleen. Er zijn opmerkelijke interne verschillen, met stromingen die soms zelfs volledig tegengestelde politieke standpunten en strijdvormen aanhangen.

In elk geval betekent de islam voor de migrantenjongeren die het politieke moslimextremisme aanhangen, een manier om zich los te maken van en zich te wreken op Europa, en bij uitbreiding, op het Westen. Want het is dat Westen, dat de vaders heeft binnengehaald en bij hun kinderen verwachtingen heeft gewekt die het nu weigert in te lossen. Ook hier krijgen we een déjà vu. In de jaren vijftig en zestig vonden duizenden zwarte Amerikanen in een zelfde beweging de weg naar de islam. Geconfronteerd met rassendiscriminatie voelden ook zij de nood hun wortels en eigen identiteit terug te vinden. Ook toen ging het, net zoals vandaag in Frankrijk, om jonge gemarginaliseerde proletariërs en armen, vaak kleine criminelen, die de islam in de gevangenis beter leerden kennen.

Malcom Little, beter bekend als Malcom X, is daar een goed voorbeeld van. De ontwikkeling van een zwart bewustzijn, het besef deel uit te maken van die ‘kolonie in eigen land’, heeft toen wel niet tot de heerschappij van het moslimextremisme of het jihadisme geleid. Het duwde de zwarten in de richting van politiek links en van de strijd tegen de kapitalistische en imperialistische macht van Amerika.13 Toen heerste daar natuurlijk een politiek-ideologische context die deze evolutie stimuleerde en ook de internationale machtsverhoudingen waren totaal anders dan vandaag. Bovendien speelde dit zich af binnen een vergevorderde kapitalistische structuur, wat in het Midden-Oosten vandaag niet het geval is.

Politieke versmelting van Westers imperialisme en jihadisme

Veel jonge Europeanen van Arabische en Afrikaanse oorsprong zien het islamitische extremisme dus niet zozeer – of niet alleen – als bron voor een religieuze kijk op de werkelijkheid. Voor hen is het ook een politiek model, een sociaal en ideologisch alternatief voor de wereld waarin ze leven. Maar wanneer iets een model wordt, gebeurt dit in de eerste plaats omdat het succes heeft. Het moslimextremisme in de Arabische en Afrikaanse landen heeft vandaag dat succes ten opzichte van het Westers geschoolde secularisme. Dat is niet altijd zo geweest. Gedurende een lange periode, in de jaren veertig tot zeventig, bestonden er in Noord-Afrika en het Midden-Oosten wereldlijke, nationalistische en linkse partijen en bewegingen. Zo was er het Nasserisme in Egypte en de Baath-partij in Syrië en Irak. De strijd van de Arabische volkeren voor onafhankelijkheid en voor het bouwen van een samenleving zonder de vroegere koloniale machten werd zelfs aangevoerd door marxistisch georiënteerde stromingen.

Diezelfde stromingen zorgden er ook voor dat de landen zich van de VS gingen afkeren en toenadering zochten tot de Sovjet-Unie en haar sociaal model. Vooral vanaf de Iraanse revolutie in 1979 begon het tij te keren. Het moslimextremisme begon aan zijn opmars en schakelde een voor een zijn wereldlijke concurrenten uit. In drie decennia tijd veroverde het de alleenheerschappij in de hele streek. De neergang van de wereldlijke linkse zijde in de Arabische landen was het gevolg van een mengeling van factoren. Ten eerste was er de verzwakking van links en van het socialisme op wereldniveau. Daardoor boette links aan invloed in zowel bij de arme massa’s als bij de intellectuelen in de periferielanden, vooral in de Arabische landen.

Ten tweede gebruikten het Westers imperialisme en de Arabische petroleummonarchieën het moslimfundamentalisme in hun strijd tegen links. Tegelijk gingen die petroleummonarchieën veel islamitische bewegingen en partijen fors financieren. Die konden hiermee een privaat zorgsysteem opzetten en zich zo verankeren in verarmde sociale groepen die geen of bijna geen bijstand kregen van de overheid.

Ten slotte verloor links geleidelijk aan ook gewoon zijn geloofwaardigheid. Het faalde keer op keer, zowel in het opbouwen van een moderne samenleving als in zijn strijd tegen het Westers imperialisme en tegen Israël, dat vaak door een deel van de wereldse sector en de postkoloniale regeringen wordt gesteund.

Al deze min of meer externe redenen vinden hun oorsprong in meer structurele, economische en sociaal-demografische oorzaken die we, hoewel ze bijzonder belangrijk zijn, hier slechts vluchtig kunnen bespreken. We beperken ons tot de opmerking dat de globalisering, door een grotere integratie van de periferie in de centrale economieën, factoren voortbracht die in Noord-Afrika en het Midden-Oosten voor grote spanningen zorgen. De politieke instellingen en de sociale structuur zijn er volledig gedestabiliseerd.14 Bij die factoren hoort onder andere de dynamiek van de financiële wereld, die al herhaaldelijk zorgde voor een verhoging van de prijzen van de voedingsgrondstoffen. Bovendien is de ontwikkeling van de landen in die regio zeer kwetsbaar, omdat ze afhankelijk zijn van Europa en de VS.

Maar de doorslaggevende factor vinden we bij de plaatselijke landbouw. Doordat die meer en meer gericht is op uitvoerproducten, is het watertekort – typisch voor die regio’s – nog schrijnender geworden, waardoor er nu een zware crisis in de landbouwsector woedt. In deze context zorgt de exponentiële bevolkingstoename met een groei van 3 tot 5 % voor explosieve resultaten. Door die groei zien we ook hoe de plattelandsbevolking naar de grote steden trekt, die daardoor steeds groter en onleefbaarder worden. In 2000 telde Egypte bijvoorbeeld 64 miljoen inwoners. In 2014 waren dat er 85,7 miljoen volgens gegevens van de Verenigde Naties. Er is een overwicht van de jongere leeftijdsgroepen, die spijtig genoeg geen antwoord krijgen op hun steeds sterkere vraag naar werk en politieke inspraak.15

En aangezien de Westerse ideologieën hun aantrekkingskracht verloren hebben, grijpt het protest tegen de bestaande situatie naar de ideologische instrumenten die het ‘spontaan’ op zijn pad vindt en die geworteld zijn in de historische tradities. Bij gebrek aan een politiek alternatief kan het moslimfundamentalisme zich vervolgens verder ontwikkelen. Het gebruikt die sociale en politieke spanningen bij de onderste lagen van de plaatselijke bevolking als voedingsbodem en richt zich vooral op de jongeren, omdat die gemakkelijker te mobiliseren zijn.

De rampspoed van het Palestijnse volk illustreert dit heel goed. Al Fatah en de linkse en marxistische organisaties verliezen steeds meer aan belang, terwijl verschillende radicaal-islamitische bewegingen almaar sterker worden. Dit laatste werd in het begin zelfs aangemoedigd door Israël, dat redeneerde volgens het aloude principe van het klassieke imperialisme, het Romeinse verdeel en heers. Het Westers imperialisme probeerde dit principe trouwens altijd al in het Midden-Oosten toe te passen. De geheime akkoorden die Frankrijk en Groot-Brittannië in 1916 sloten om deze regio te verdelen, zorgden ervoor dat de staten van het postkoloniale tijdperk, van Syrië tot Irak, een absurd lappendeken van etnische en religieuze groeperingen werden. In recentere tijden hebben de VS de conflicten tussen het wereldlijke en het religieuze, tussen Arabieren en Perzen, tussen soennieten en sjiieten, altijd gevoed. Dit begon al toen ze tijdens de oorlog tussen Iran en Irak (1980-88) Saddam Hoessein ertoe aanzetten Iran, met zijn Perzen en sjiitische moslims, aan te vallen. Later, nadat de Verenigde Staten door hun invasie in 2003 Saddam Hoessein en de Iraakse staat zelf hadden uitgeschakeld, wakkerden ze ook daar de strijd tussen soennieten en sjiieten aan. Ze ontbonden hierbij het Iraakse leger, de enige organisatie die echt nationaal kon genoemd worden en gingen de sjiieten bevoordelen ten nadele van de soennieten.

Daardoor is het hele Midden-Oosten vandaag één groot kruitvat geworden, versnipperd in diverse religieuze en etnische groepen die met elkaar in de clinch liggen. Volgens onze analyse is het belangrijkste aspect van die evolutie dat zich geleidelijk een soort – op het eerste zicht onnatuurlijk – bondgenootschap heeft gevormd tussen enkele stromingen van het moslimfundamentalisme, namelijk het jihadisme, en het Westers imperialisme. Maar eigenlijk is dat bondgenootschap helemaal niet zo nieuw. Op 14 februari 1945 vond een historische ontmoeting plaats tussen president Roosevelt en de monarch Ibn Saud. Dit gebeurde in de nasleep van het Verdrag van Jalta dat, met de nederlaag van Duitsland en Japan in zicht, de wereldstructuren moest hertekenen. Saoedi-Arabië kreeg in die nieuwe wereldstructuur een plaats als olieleverancier en strategische bondgenoot van het Westers imperialisme naar Amerikaans model. Het bondgenootschap tussen de Saoediërs en de Westerse voorvechters van de mensenrechten en de vrije meningsuiting, loopt nog altijd door. Al lijkt Saoedi-Arabië, trouw aan de wahabitische16 interpretatie van de islam, het niet al te nauw te nemen met die rechten en vrijheden, kijken we maar naar de ongelijkheid tussen man en vrouw. Wij mogen ook niet vergeten dat Saoedi-Arabië een belangrijke rol speelde in de strijd tegen de Sovjet-Unie. Veel Saoedische soldaten die later jihadistische groeperingen vormden, deden hun eerste oorlogservaringen op in Afghanistan tegen het Rode Leger. Osama Bin Laden is daar een voorbeeld van.

De recente geschiedenis toont duidelijk aan hoe het Westers imperialisme en bepaalde belangrijke sectoren van het jihadistische moslimextremisme samensmelten. Dit gebeurt vanuit een gedeeld strategisch doel: de vernietiging van de wereldlijke staten en van het Arabische en het Pan-Arabische nationalisme. Het Westers imperialisme wilde bepaalde staatsformaties (Irak, Syrië, Libië) elimineren. Die stonden immers in de weg van de projecten voor imperialistische overheersing en controle over het Midden-Oosten en het Middellandse Zeegebied. Deze regio is van fundamenteel belang, niet alleen op geostrategisch vlak, maar vooral voor de energiebevoorrading. Ook het moslimextremisme wilde die Arabische natiestaten elimineren omdat het die beschouwt als het product van een externe secularisatie, die het principe van de goddelijke soevereiniteit niet erkent. De denkwijze van de radicale ideologieën uit het begin van de 20e eeuw, waaronder die van de Pakistaan Maududi en die van Qutb, Egyptenaar en oprichter van de Moslimbroeders, is gebaseerd op de jahilyya: de overtuiging dat de islamitische samenlevingen zich opnieuw in dezelfde staat van onwetendheid bevinden als voor de komst van de Profeet. De oorzaak hiervan ligt volgens hen in het overnemen van de Westerse modellen, en dat verklaart waarom de Arabische staten en samenlevingen die ontstonden na de dekolonisatie, geen succes kenden. Gezien hun antimoderne en anti-Westers standpunt, lijkt de relatie tussen bepaalde stromingen van het Arabische radicalisme, zoals het jihadisme, en het Westers imperialisme tegenstrijdig, botsend en kortstondig. Vaak beperkt ze zich enkel tot de strijd tegen de gemeenschappelijke vijand van het ogenblik, zoals tegen Assad of Kadhafi.

Het moslimextremisme als niet-homogeen verschijnsel vanuit ideologisch en sociaal oogpunt

In ieder geval moeten we voor ogen houden dat, wanneer we het over moslimextremisme hebben, we verschillende stromingen onder één noemer brengen. In de praktijk lopen die stromingen niet alleen op het vlak van doctrine uiteen, maar ook op sociaal gebied en in religie te begrijpensociale samenstelling. Voor het gemak bespreken we de verschillende stromingen hier op basis van twee grote onderverdelingen. De eerste onderverdeling is die tussen neo-traditionalisten en radicalisten. Het is vooral hun manier van strijden die verschilt. De neo-traditionalisten willen de samenleving van ‘onderuit’ veroveren en islamiseren. Dit gebeurt via prediking en via zorgactiviteiten en liefdadigheid, wat dankzij de giften van de Arabische petroleummonarchieën een enorme opgang kent. Maar wanneer de neo-traditionalisten zich als partij organiseren, komen ze al snel in de verdrukking. De radicalisten beschuldigen hen er immers van onder een hoedje te spelen met de ‘goddeloze’ regeringen en de nationale krijgsmacht weigert meestal hun verkiezingsoverwinning te erkennen. Dit is wat in de jaren negentig met het FIS in Algerije gebeurde en ook hoe het de Moslimbroeders in 2013 in Egypte verging, waar de verkozen president Morsi na een militaire staatsgreep werd afgezet.

De radicalisten daarentegen, denken de maatschappij alleen van ‘bovenaf’ te kunnen islamiseren. Dit moet gebeuren door de verovering van de staat, snel en gewelddadig. Typisch voor deze stroming is dat ze nooit een band heeft met een echte massabeweging en dat ze onafhankelijk handelt van de raadgevingen van de traditionele religieuze oelama17. Door de toenemende vervreemding van de sociale context zijn deze groepen, waaronder ook Al Qaida, overgegaan tot individuele en spectaculaire gewelddaden. Ze willen hiermee de rol van held voor de Arabische zaak op zich nemen en maken hiervoor gretig gebruik van de media-aandacht. Voor deze groepen bestaat de voornaamste en individuele plicht van elke moslim immers in de jihad, die ze zien als de continue oorlog tegen ongelovigen en vermeende afvalligen.18

De tweede indeling bestaat uit twee modellen die net samenvallen met de twee belangrijkste islamitische staten uit het Midden-Oosten: Saoedi-Arabië en Iran. Saoedi-Arabië, dat zich sinds de Arabische overwinning in de oorlog tegen Israël in 1973 min of meer als leider profileert, vertegenwoordigt de behoudsgezinde kant van de islam. De Saoedische interpretatie van de islam is gebaseerd op het gezag van de wahabitisch geïnspireerde oelama en dus ook op de terugkeer naar de primitieve islam en naar de strenge toepassing van de islamitische wet, de sharia. Saoedi-Arabië heeft als doel de hele islamitische wereld te ‘wahabiseren’ en doet hiervoor een beroep op zijn enorme rijkdom. Het reactionaire Saoedi-Arabië, de grootste producent en eigenaar van de oliereserves ter wereld, is economisch en politiek verbonden met de VS en West-Europa. Dankzij de petroleumopbrengst hebben Saoedi-Arabië en de andere Arabische monarchieën gigantische handelsoverschotten opgebouwd. De immense liquiditeit in dollar van die landen overspoelt de belangrijkste Westerse financiële markten zoals die van Londen, waar ze vanaf de jaren zeventig bijgedragen heeft tot de creatie van de financiële wereldmarkt.

De Arabische petroleummonarchieën financierden de overheidsschuld van het Westen en de Verenigde Staten en investeerden in ontelbare multinationale Westerse bedrijven. Vaak gebeurde dit met overheidsfondsen. De heersende klasse van de petroleummonarchieën is een klasse van parasitaire feodale renteniers die zich hebben ingewerkt in de internationale kapitalistische klasse, in de kern van het kapitalistische systeem. Terzelfdertijd is Saoedi-Arabië ideologisch en praktisch altijd nauw verbonden met het soennitische fundamentalisme en in het bijzonder met het jihadisme, hoewel niet altijd zonder wrijvingen of tegenstellingen. Zo zagen we hoe tijdens de Eerste Golfoorlog in 1990 veel jihadisten zich van hun Saoedische sponsors afkeerden, omdat die de aanwezigheid van een leger van ongelovigen, de Amerikaanse troepen, op het grondgebied van de heilige plaatsen Mekka en Medina toelieten.

Begin jaren zeventig ging Saoedi-Arabië een meedogenloze strijd aan met Iran om het overwicht over de islam te verkrijgen. De Iraanse islamitische revolutie van 1979 had een destabiliserend effect op de hele regio van het Midden-Oosten. De basis van die revolutie lag bij de arme Iraanse massa’s en het was misschien wel de laatste succesvolle anti-imperialistische revolutie in de historische cyclus van de dekolonisatie. Tegelijk was ze ook een voorbode voor wat nog zou komen. Ze verving het wereldlijke of socialistische nationalisme door het islamisme en gebruikte dit als ideologisch-politiek instrument in de strijd tegen het Westers imperialisme. In werkelijkheid had de revolutie in het begin ook wel een sterke wereldlijke en linkse component. Maar de jongste en meest gepolitiseerde vleugel van de sjiitische clerus, geleid door de imam Khomeini, en de Pasdaran, een militaire elite die religieus geïnspireerd is, maar wereldlijk ingesteld, veroverden tijdens de oorlog tegen Irak de volledige alleenheerschappij. Het op khomeinistische leest geschoeide islamisme heeft zich in elk geval van bij het begin verzet, niet alleen tegen het door het imperialisme bezoedelde wereldlijke establishment, maar ook tegen de heersende behoudsgezinde moslimklassen van de Arabische landen (te beginnen met Saoedi-Arabië). Het beschuldigt deze laatsten ervan religieuze strengheid te gebruiken om hun steun aan het Westen te verdoezelen. Bijgevolg gingen Saoedi-Arabië en het Westers imperialisme meteen tegen de Iraanse revolutie in en sleurden ze het Irak van Saddam Hoessein in de strijd. Saoedi-Arabië, dat tot het soennitisch islamisme behoort, kreeg zo vrij spel om de pogingen van de Iraanse sjiieten om hun revolutie uit te breiden, in de kiem te smoren. In de moslimwereld is het sjiisme immers een minderheidsstroming die door veel soennieten als een afwijking beschouwd wordt. Daar waar de sjiitische aanwezigheid het sterkst was, zijn de Iraniërs er niettemin in geslaagd hun missie te volbrengen. Zo hebben ze twee grote Midden-Oosterse conflicten geïslamiseerd, het Palestijnse en het Libanese, terwijl die tot op dat ogenblik nog rond de Arabische nationalistische zaak draaiden. De bestaande banden tussen Hamas, Hezbollah en Iran vormen hiervan het bewijs.

Het islamitische Iran was en is allesbehalve een progressieve staat. Het wordt getekend door geweld en de bloedige uitschakeling van wereldlijke en linkse formaties, in het bijzonder van de communistische partij, die tot op vandaag nog steeds illegaal is. Terwijl de revolutionaire inslag met de tijd is afgezwakt, heeft zich daarnaast een nationale bourgeoisie gevormd die gedeeltelijk samenvalt met het complexe industriële en infrastructurele netwerk opgezet door de Pasdaran. Die burgerij houdt de sociale vrede in stand door met de opbrengsten uit de petroleumindustrie te zorgen voor welvaart bij de laagste klassen. Maar er zijn niet alleen religieuze factoren. De staats- en economische belangen van Iran, ook een oliegrootmacht, botsen met die van Saoedi-Arabië. Dit veroorzaakt in deze regio een machtsstrijd, die op de sektarische conflicten tussen sjiieten en soennieten in het Midden-Oosten wordt overgezet en ze tegelijk aanwakkert. Het meest recente voorbeeld is Jemen, waar sjiitische milities in opstand komen tegen de president. Die wordt gesteund door de VS en door Saoedi-Arabië, dat al verscheidene keren militair heeft ingegrepen in het land.

Het islamisme speelt een belangrijke rol in het wijdverspreide conflict in het Midden-Oosten. Om dit goed te kunnen begrijpen, moeten we rekening houden met het wezenlijk verschil tussen de theoretische wortels van het sjiisme, dat khomeinistisch is ingekleurd, en het radicale soennisme. Voor de radicale soennieten zijn de onderdrukkers altijd de niet-moslims terwijl de onderdrukten altijd de moslims zijn. Volgens die visie staat tegenover het huis of het rijk van de islam altijd het huis of het rijk van de oorlog, dat samenvalt met de niet-islamitische landen. Omgekeerd vallen in de khomeinistische ideologie de onderdrukkers niet vanzelfsprekend samen met de niet-moslims en de onderdrukten met de moslims. Het khomeinisme vertegenwoordigt ook een breuk met de sjiitische quiëtistische traditie en kiest voor een islam die doordrongen is van een militante visie en van ‘sociale rechtvaardigheid’. Iran is vandaag een republiek met uiteenlopende politieke en ideologische stromingen. De macht is er onderverdeeld en gestructureerd op een manier die ondenkbaar is bij de autoritaire monarchieën in de regio en in Saoedi-Arabië in het bijzonder. Bovendien onderhoudt Iran economische en politieke banden met Rusland en China en is zijn geostrategische ligging allesbehalve gunstig voor het Westers imperialisme. Voor het Westen blijft dit land in het strategische gebied van de Perzische Golf, de belangrijkste regio ter wereld voor energiegrondstoffen, immers een doorn in het oog. Toch lijkt de regering van Obama, zeker in vergelijking met die van Bush, de laatste tijd een wat lossere houding aan te nemen ten opzichte van Iran. Waarschijnlijk hebben de VS begrepen hoe moeilijk het is de verschillende dynamieken in de regio te controleren zonder de regionale Iraanse machthebbers erbij te betrekken.

Een ander voorbeeld van de grote politieke verscheidenheid binnen het radicalisme zien we bij de Libanese sjiitische partij Hezbollah.19 Het ontstaan van die partij gaat terug op de revolutionaire sjiitische stroming en werd gestimuleerd door Iran. Hezbollah heeft zich verder ontwikkeld tot het een niet-sektarische rol ging spelen en steeds meer aan nationaal belang won. In 2006 koos het bijvoorbeeld met succes voor de eensgezinde verdediging van Libanon tegen het Amerikaans imperialisme en de Israëlitische aanvallen. Hezbollah wil de heropbouw van de maatschappij en van een nationale Libanese staat bereiken door met de confessionele partijen samen te werken. Ibrahim al-Amin, de woordvoerder van de partij, zei hierover in 1983 veelbetekenend: “Bij ons verzet tegen de onderdrukking maken wij geen onderscheid tussen moslims en christenen.”20 En Hezbollah heeft ook effectief samengewerkt met de communistische partij en met de christenen van generaal Aoun. In een document uit 2009 stelt het Libanon voor als een “samenlevingsmodel van volgelingen van diverse monotheïstische godsdiensten”. Ook op internationaal vlak zien we een open houding, gebaseerd op de samenwerking met de wereldlijke politieke spelers van de Arabische landen en van niet-Arabische staten. Zo verleende Hezbollah bijvoorbeeld steun aan Venezuela en Cuba tegen de VS. Die nationale eenheid en voeling met de massa en de strijd van het volk zijn typisch voor Hezbollah en doen denken aan de nationale bevrijdingsbewegingen van de jaren vijftig en zestig. Ze verschillen dan ook erg van het universalisme en de strijdmethoden met indrukwekkende en individuele acties die eigen zijn aan de jihadistische groepen.

Dit is uiteraard allesbehalve een diepgaande uiteenzetting over een complex verschijnsel als het moslimextremisme. Toch geloof ik dat deze korte uitleg een idee geeft van hoe het moslimextremisme verschillende politieke en ideologische stromingen omvat, die op een verschillende manier tegenover het imperialisme staan en diverse sociale klassen vertegenwoordigen. We moeten het islamisme en moslimextremisme niet alleen bestuderen en begrijpen om de internationale problemen efficiënt aan te kunnen pakken, maar ook om met de interne Europese problemen om te kunnen gaan.

Het echte probleem schuilt in de rol van het imperialisme en zijn oorlogszucht

We bevinden ons nu in een nieuwe historische fase die door twee verschijnselen wordt getypeerd: de structurele crisis van de kapitalistische productiewijze en de mondialisering van de economie. De crisis manifesteert zich vooral in de landen met de oudste kapitalistische ontwikkeling: West-Europa, de Verenigde Staten en Japan. Tegenover de neergang van de centrale gebieden van het economische wereldsysteem, staat de snelle groei van de zogeheten opkomende industrielanden: Brazilië, Rusland, India en vooral China vergroten hun aandeel in het wereld-bbp. Het bruto binnenlands product (bbp) van die groeilanden springt van 16,8 % in 1970 naar 36,9 % in 2011 (China gaat van 2,7 % naar 12,5 %). Daartegenover zakt het bbp van de VS in diezelfde periode ineen van 32,2 % naar 22,7 %, terwijl dat van de Europese Unie daalt van 25,9 % naar 23,3 %.21 Zoals altijd bij een ongelijke groei, zien we een sterke tendens om ook de economische machtsverhoudingen aan te passen. En gezien de nauwe band tussen economie en territoriale macht, brengt dit ook politieke en militaire veranderingen teweeg. Het is tegen zulke herdefiniëring van de machtsverhouding dat het Westen, de Atlantische as VS-West-Europa, zich verzet.22 Alle middelen waarmee het nog de overhand heeft, worden hierbij ingezet: de financiële wereld, de technologie, de informatie en vooral de militaire macht.

De strijd tegen de groeilanden, in het bijzonder tegen China en Rusland, wordt onrechtstreeks gevoerd. Hij speelt zich vooral af in de strategische gebieden, zoals de Middellandse Zee en het gebied rond de Perzische Golf. Daar bevinden zich de grootste en gemakkelijkst te ontginnen olie- en gasreserves ter wereld. De controle over die gebieden is dan ook vanuit verschillende oogpunten fundamenteel. De aardolie uit het Midden-Oosten is belangrijk voor de bevoorrading van de Westerse landen en van het Verre Oosten, China en Japan inbegrepen. Voor de VS, die zelf geen olie uit dit gebied gebruiken, is de controle over het Midden-Oosten en de Middellandse Zee vitaal om hun status als wereldheerser te kunnen behouden en zelfs om als economische grootmacht te kunnen blijven bestaan. Als ze de energiebronnen in handen hebben, kunnen ze niet alleen de andere geïndustrialiseerde economieën onrechtstreeks beïnvloeden, maar controleren ze ook de financiële wereldmarkt. Als Amerika zijn twee enorme schuldenbergen – de overheidsschuld en het tekort op de handelsbalans – kan blijven financieren, dan is dat alleen omdat de dollar overal ter wereld als handelsvaluta en wereldreserve geldt. De centrale banken van de hele wereld kopen massaal staatsobligaties van de VS op en financieren zo de Amerikaanse staatsschuld en economie.

Het probleem is dat de relatieve economische terugval van de VS de heerschappij van hun dollar in gevaar brengt. De dollar kan immers enkel wereldvaluta blijven zolang hij wordt gebruikt om de belangrijkste handelswaar te commercialiseren. En de belangrijkste handelswaar is natuurlijk aardolie. Daarom moet de VS koste wat kost de petroleumwereldmarkt controleren. En dat kan alleen via de controle van de aardolie in het Midden-Oosten. Het is dan ook geen toeval dat Saddam Hoessein in 2000 zijn doodvonnis tekende toen hij de rekening, die hij bij de Verenigde Naties in het kader van het programma oil for food had, in euro liet omzetten. En het is evenmin toeval dat de Iraniërs al meermaals hebben gedreigd met de oprichting van een onafhankelijke beurs op de eilandjes in de Perzische Golf, die de aardolie in een andere munt dan de dollar zou verhandelen.23

Voor de VS en voor het imperialisme in het algemeen, is het doel dus niet noodzakelijk controle uitoefenen over een bepaald gebied of die controle enkel uitoefenen om winst uit de minerale hulpbronnen te kunnen halen. Het kan ook de bedoeling zijn een regio aan de controle van de concurrenten te onttrekken of te verhinderen dat die vrij van de grondstoffen gebruik kunnen maken. Nu we dit weten, begrijpen we dat achter de ontbinding van de staatsstructuren in het gebied in werkelijkheid een andere reden schuilt dan het uittekenen van een nieuwe ‘neokoloniale’ wereldorde. Het verbrokkelen van de oorspronkelijke nationale staten in parastatale mini-entiteiten sluit mooi aan bij de onderliggende doelen van het Westers imperialisme. Vooral omdat die entiteiten confessioneel van aard zijn en permanent met elkaar in de clinch liggen. Voorlopig gebeurt dit niet door onverhuld en rechtstreeks gebruik van geweld, maar via economische oorlogen en proxy wars, ‘oorlogen bij volmacht’, die door anderen worden uitgevochten.

Die anderen kunnen officiële troepen van klant-staten (Saoedi-Arabië, enz.) of milities van opstandige etnische minderheden zijn, maar zij kunnen ook sektarische islamitische groepen of zelfs jihadistische groeperingen zijn. Die mislukte staten, zoals we die vandaag graag noemen, mislukken echter niet vanzelf. Het is de Westerse inmenging die ze doet mislukken. In die landen bestaan religieuze, etnische en socio-economische bijzonderheden die een vruchtbare voedingsbodem vormen voor tegenstellingen en conflicten. We kunnen dus niet letterlijk stellen dat bewegingen en opstanden enkel en alleen ontstaan omdat Westerse geheime diensten dat zo hebben beslist. Maar zonder de inmenging van het imperialisme – zoals hierboven beschreven–, hadden die tegenstellingen op hun eentje moeilijk zoveel staten kunnen ontbinden. Bovendien is de macht van de revoluties in bepaalde landen wel heel snel van de ‘democratische’ krachten, die dat zelfs helemaal niet waren, overgegaan naar de islamitische en jihadistische milities. Natuurlijk met de steun en de financiering van de petroleummonarchieën en de Westerse machten. Libanon, dat dertig jaar geleden met de term ‘libanisering’ een synoniem was geworden voor de burgeroorlog van allen tegen iedereen, is een tegenvoorbeeld. In Libanon zijn er sterke islamitische groeperingen die een andere evoluties hebben gekend. De nationale eenheidsstrijd tegen het imperialisme kwam er vóór alles en daardoor is Libanon vandaag niet langer een chaos van tegengestelde sektarismen.

Als we teruggaan naar de wortels van alles wat nu gebeurt, komen we wellicht uit bij de structurele crisis van de kapitalistische productiewijze. Want net op de hoogtepunten van haar ontwikkeling, blijft er altijd de tendentiële daling van de winstvoet. Daardoor stagneert de productieve activiteit in de centrale landen en wordt er steeds vaker een parasitaire houding aangenomen. En doordat er voortdurend wordt gespeculeerd en constant nieuwe financiële luchtbellen ontstaan, komen we tot de verrotting van het hele economische systeem. Tegelijk concentreert de economische macht binnen die landen zich in de handen van elites met uiterst geïnternationaliseerde banden en economische relaties. Via een oligarchische omvorming van de staatsinstellingen wordt zo meteen ook de politieke macht geconcentreerd.

Terzelfdertijd vergroot de expansiedrang naar buiten. Uitvoer en kapitaalinvesteringen in het buitenland of strijd voor de verovering en controle van grondstoffen en afzetgebieden, worden belangrijker. Ook de controle over de financiële stromen blijft centraal. Zoals we hierboven zagen bij de relatie VS-Saoedi-Arabië, kunnen zo de overheersende landen de handelsoverschotten in de wereld naar hun eigen financiële markten trekken, te beginnen met Londen en New York. In zulke context ontstaat een verhoogde concurrentie tussen bedrijven en grensoverschrijdende economische gebieden, die samenvallen met de specifieke verdeling van het internationale kapitaal. Die concurrentiestrijd wordt niet alleen uitgevochten door de onpersoonlijke mechanismes van de zelfregulerende wereldmarkt. Ook de macht van de staten, en dan vooral van de grootste en sterkste staten, wordt in de strijd gegooid. En zo verhogen die staten hun bereidheid tot ingrijpen in het buitenland, ook militair. De Westerse militaire doctrine definieert de huidige periode trouwens als de expeditionary era, het tijdperk van de militaire expedities.

Dit zijn de economische en sociale wortels van het imperialisme: de expansiedrang, typisch voor het verst gevorderde ontwikkelingsstadium van het kapitalisme. Gezien vanuit de verhouding tussen een dominant centrum en een gedomineerde periferie, staan we vandaag aan het begin van een nieuwe fase van het imperialisme. De eerste fase, van de tweede helft van de 19  eeuw tot de Tweede Wereldoorlog, werd getypeerd door de rechtstreekse en territoriale overheersing van de periferiegebieden door de Europese staten door middel van het kolonialisme. De tweede fase werd gekenmerkt door de dekolonisatie. Ze werd beïnvloed door de Oktoberrevolutie en bracht zijdelings de drang naar een nationale vrijheidsstrijd tegen het imperialisme teweeg. De derde fase begon bij de instorting van de Sovjet-Unie en de creatie van een wereldmarkt. Ze wordt gekenmerkt door de pogingen van de imperialistische landen om de gevolgen van de dekolonisatie ongedaan te maken.

De globalisering heeft tegelijk ook de machtsverhoudingen dooreen geschud en versterkt de concurrentie op wereldniveau. Al deze factoren, te beginnen bij de relatieve verzwakking van de traditionele machtscentra en het ontstaan van nieuwe regionale machtsgroepen, creëren een oorlogsneiging die een permanent karakter begint te krijgen. Deze neiging is immers geen conjuncturele factor, maar een structurele eigenschap van het Westen, inherent aan de Westerse mechanismes voor economische groei. De resultaten zijn klaar en duidelijk: een chaos die intussen volledig uit de hand is gelopen en die, in dit tijdperk van globalisering, niet zonder gevolgen kan blijven. Die gevolgen zullen overal voelbaar zijn: van de vernielde en nabije periferie, van Noord-Afrika en het Midden-Oosten (maar ook Oekraïne) tot in het hart van het Europese kapitalisme zelf.

De tragische gebeurtenissen in Parijs groeiden uit tot een oproep om de wapens op te nemen; iedereen wordt ideologisch en emotioneel klaargestoomd voor de volgende stappen in de permanente oorlog van het Westen, een oorlog die het Westen lang geleden begon en die niet van buitenaf komt, maar ontsproten is uit eigen problemen en tegenstellingen. Waarschijnlijk worden we zelfs voorbereid op mogelijke interventies van Europese en Westerse grondtroepen. Matteo Renzi liet zoiets al uitdrukkelijk verstaan met betrekking tot Libië en Frankrijk intervenieerde zelfs al effectief, maar wel alleen, in Mali. De omschrijving van de islamitische vijand gebeurt op twee manieren: cru en grof, zoals de xenofobe en extreemrechtse partijen en op een meer verfijnde en welbespraakte manier, zoals in de heersende kringen van het grensoverschrijdende kapitaal. Deze laatste prediken hypocriet over tolerantie tegenover niet-Europese migranten en de islam. Maar hun ware hegemonistische ideeën vertellen misleidend over een conflict tussen de rationele en tolerante Verlichting van Europa en het barbaarse obscurantisme van de extremistische islam. Dit verhaal is geënt op de Europese culturele traditie die, al vanaf de oorlog tussen Griekenland en het Perzische rijk, het vrije en democratische Westen tegenover het despotische Oosten plaatst. Maar het Westers imperialisme zoekt overheersing in plaats van vrijheid, het bevestigt het irrationele in plaats van het rationele.

Uiteindelijk is het dus toch geen paradox dat het Westers imperialisme en absolute regimes, zoals Saoedi-Arabië, het zo goed met elkaar kunnen vinden. En zo begrijpen we ook waarom het imperialisme de strekkingen van het meest conservatieve en doelloos gewelddadige moslimfundamentalisme voedt. Daarom is het zo belangrijk dat we een onderscheid maken tussen de islam als religie, en het islamitisch radicalisme waarvan we de gevarieerde en verscheiden politieke en sociale aard goed moeten begrijpen. Met het oog op de fantasierijke plannen van de Islamitische Staat (IS) om Europa binnen te vallen, is het ook belangrijk dat we ons goed realiseren dat de macht en invloed die het Westers imperialisme wereldwijd op alle niveaus heeft, oneindig veel groter is dan wat het moslimextremisme betekent. De belangrijkste tegenstelling ligt dus in het imperialisme dat lijnrecht staat tegenover de massa’s armen en werknemers die in de periferie buiten én binnen het Westen wonen. Het is nog altijd het imperialisme dat de grootste hinderpaal vormt bij het zoeken naar vrede en naar een oplossing voor de conflicten. Dit komt tot uiting in de crisis en de agressieve tendens van de kapitalistische productieverhoudingen die intussen de hele wereld in hun greep hebben.

In de fase van de dekolonisatie en tot de jaren zeventig bestonden er tenminste nog politieke banden en zelfs vormen van coördinatie tussen de strijd van het centrum en die in de periferie. Maar vandaag is die band volledig doorgesneden. Het moslimextremisme is hiervan zowel een oorzaak als een gevolg. Ook het verdwijnen van een internationale beweging die het imperialisme bekritiseerde en socialistisch geïnspireerd was, had zijn invloed. De socio-economische tegenstelling tussen onderdrukten en onderdrukkers en tussen uitgebuitenen en uitbuiters is vervangen door de tegenstelling tussen echte gelovigen en ongelovigen/afvalligen. Dat is het grootste probleem van het moslimextremisme en dit vertaalt zich ook in conflicten tussen religieuze stromingen binnen het islamitische kamp zelf. De resultaten zijn vernietigend. Niet alleen voor links en voor de Arabische volkeren die in een draaikolk van religieus sektarisme en beginnende regionale heerschappijen worden meegesleurd, maar ook voor de Europese volkeren die in het beschavingsconflict worden gedropt en voor Europees links dat beroofd wordt van een geldig politiek en ideologisch discours. Ook al gebeurt het te goeder trouw en met de beste bedoelingen, de ‘verlichte’ en ‘libertaire’ kritiek op de islam als religie en als geloofssysteem dreigt in het beste geval een kritiek te zijn die het conflict in de verkeerde richting duwt.

De weg naar emancipatie loopt niet via het conflict tussen culturen en samenlevingen, want dit is een moeras waar het imperialisme en het behoudsgezinde jihadistische sektarisme zich beide kunnen vinden. Integendeel, het centrale probleem ligt vandaag in de capaciteit een idee en een politieke visie te ontwikkelen, waarmee er opnieuw aan sociale en politieke emancipatie kan worden gedacht. Een idee dat zowel in het centrum als in de periferie van het kapitalistische systeem voet aan de grond kan krijgen. In ons specifieke geval gaat het dan over de noordelijke en zuidelijke oevers van de Middellandse Zee. Maar die mogelijkheid zal zich eerst bij ons, in Europa, moeten waarmaken door bestaande economische, politieke, etnische en culturele fracties onder de werknemers terug samen te brengen. Dit betekent dat we de juiste instrumenten nodig hebben om in onze periferie aan de slag te gaan. We moeten willen deelnemen aan de politieke strijd van buitenlandse werknemers en nieuwe generaties, die ook in ons land een steeds minder verwaarloosbaar deel gaan uitmaken van de onderste bevolkingslagen.

Domenico Moro (domenico.moro at alice.it) is socioloog en als onderzoeker verbonden aan het Italiaanse Nationaal Instituut voor Statistiek (Istat). Hij werkt mee aan heel wat economische en politieke tijdschriften en bij uitgeverij Delga is zijn boek La crise du capitalisme et Marx verschenen. Le Groupe Bilderberg, l’élite du pouvoir mondial, zijn nieuwste boek staat in de steigers en moet nog uitkomen in het Frans. Hij is lid van het nationaal politiek comité van de Rifondazione Comunista.


Bibliografie

Aa. Vv., The Prophet Muhammad and Human Dignity, Publication of Religious Affairs Directorate –940, public books, 229, Ankara 2013.

Nino Arconte, “Il nostro golpe contro Bourghiba”, Limes, nr. 4, juli 2007.

Giovanni Arrighi, Adam Smith a Pechino. Genealogie del ventunesimo secolo, Feltrinelli, Milaan 2007.

Kayhan Barzegar, “Il fattore sciita”, I quaderni speciali di Limes, bijlage nr. 6, 2007.

Abtellatif en Yacine Benachenhou, Ambiente e sviluppo. Strategie per il futuro, Jaka book, Milaan, 2000.

Paolo G. Conti, Elido Fazi, Euroil. La borsa iraniana del petrolio e il declino dell’impero americano, Fazi editore, Rome, 2007.

F. Engels, Le origini del cristianesimo, Editori Riuniti, Rome, 1975.

Henrik Grossmann, Il crollo del capitalismo, Mimesis, Milaan-Udine, 2010.

Lenin, L’imperialismo, Editori Riuniti, Rome, 1974.

Stefano Mauro, Il radicalismo islamico, Edizioni clandestine, Marina di Massa, 2007.

Karl Marx, Scritti filosofici giovanili, Fabbri editori, Milaan 1998.

Piero Messina, “La Tunisia in Bilico”, Limes, nr. 3, 2007.

Nicolao Merker, Karl Marx, Editori Laterza, Rome-Bari, 2010.

Domenico Moro, “La crisi e le rivolte in Nord Africa”, Economia e politica, 1 maart 2011.

Frederic Pichon, “Laicité cattolica e jihadisti secolari: la maionese francese è impazzita”, Limes, nr. 1, 2015.

Nicola Pedde, “Chi comanda in Iran?”, I quaderni speciali di Limes, bijlage nr. 6,2007.

Giuseppe Sacco, La Francia e i suoi figliastri, Limes, n.1 2015.

Steven Simon, “Che cos’è il terrorismo georeligioso”, I quaderni speciali di Limes, bijlage nr.  4, 2001.

1 Het artikel dat we hier overnemen verscheen eerder in Resistenti, nr. 530, 10 februari 2015 onder de titel “La tendenza alla guerra dell’occidente e il radicalismo islamico”. Zie: www.resistenze.org/sito/te/pe/im/peimfb10-015778.htm.

2 Marco Platero, “Il rischio della provocazione. Attaco a Parigi apre nuova fase terrorismo : concorrenza ISIL Al Qaeda, truppe USA in campo ?”, Il Sole24ore, 10 januari 2015.

3 Antonino Arconte, “Il nostro golpe contro Bourghiba”, Limes, nr. 4, juli 2007.

4 Marco Platero, “Duello al Qaeda-Isis, nuova sfida per gli Usa”, Il Sole24ore, 11 januari 2014.

5 Alberto Negri, “Decisivo il ruolo della Turchia”, Il Sole24ore, 16 januari 2015.

6 Dubats is de naam die Somalische soldaten kregen die door het Italiaanse leger werden ingezet. Ze droegen witte tulbanden, vandaar de naam dubats. Askari (Arabisch voor soldaat) duidt een inheemse politieman of soldaat aan in de Italiaanse, Duitse of Britse koloniale rijken in Oost-Afrika.

7 De term ideologie is hier niet gebruikt in de negatieve en vandaag de dag overheersende zin van pure doctrine of vals bewustzijn. Wel willen we met die term verwijzen naar coherente systemen van ideeën die een bepaalde visie op de wereld uitdrukken. Die visies drukken een streven uit, interesses en de cultuur van bepaalde groepen en sociale klassen in een bepaalde periode. Maar ze zijn geen zuivere weerspiegeling van die groepen en klassen, want ze hebben een relatieve autonomie.

8 De uitdrukking komt uit de gelijknamige roman van Jack London, The People of the Abyss, over de levensomstandigheden van de onderste lagen van het Londense proletariaat aan het begin van de twintigste eeuw.

9 In 2012 (het laatste jaar waarover Eurostat gegevens heeft) bedroeg het vruchtbaarheidscijfer in Frankrijk 2,01 kinderen per vrouw. Het gemiddelde in de Eurozone was 1,55 en in Italië daalde het naar 1,43.

10 Deze en volgende ideeën komen uit K. Marx, Bijdrage tot de kritiek op Hegels rechtsfilosofie. Inleiding. Zie: https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1843/1843-44inleiding.htm.

11 Nicolao Merker onderstreepte dit aspect van de marxistische opvatting over religie onlangs in Karl Marx. Vita e opere, Laterza, 2010, p. 47.

12 Het quiëtisme (Latijn quies) streeft naar een rustig, contemplatief leven en trekt zich terug uit de wereld.

13 Het meest bekende voorbeeld hiervan is de Black Panther Party.

14 Domenico Moro, “La crisi e le rivolte in Nord Africa”, Economia e politica, 1 maart 2011. Zie: http://www.economiaepolitica.it/primo-piano/la-crisi-e-le-rivolte-in-nor....

15 A. en Y. Benachenhou, Ambiente e sviluppo, Jaca Book, 2000.

16 Het wahabisme is een fundamentalistische conservatieve stroming, een onderdeel van het soennisme.

17 Oelama of geleerden.

18 Voor de jihadisten heeft de jihad – letterlijk de strijd voor het geloof – een ruimere waarde dan wat de islam over het algemeen aanneemt. Daarbij wordt de verdediging tegen externe bedreigingen van heilige plaatsen en gebieden waar moslimvolkeren wonen, als een plicht beschouwd. Het moderne jihadisme baseert zich op de ideeën van Qutb, die volgens sommigen de middeleeuwse theoloog Ibn Taymmiyya herneemt. Volgens de jihadistische interpretatie betekent jihad de oorlog om de wereld van het kwaad te bevrijden. Dit vertaalt zich in een permanent gewapend conflict met ‘afvallige staten’. Dit zijn niet alleen de Westerse staten maar ook de wereldlijke en niet waarlijk islamitische Arabische staten. Volgens de Egyptische component van het jihadisme is de voornaamste vijand de ‘nabije’ vijand; dat zijn de wereldlijke of gematigd islamitische Arabische regeringen. Dan is de ‘verre’ vijand, Israël, een bijkomstige vijand. Het gevolg daarvan is dat de ‘nabije’ vijand eerst moet worden uitgeschakeld. Voor de Saoedische component, die van Bin Laden, staan nabije en verre vijanden op hetzelfde niveau. De jihad krijgt hierbij een universele dimensie. Zie Steven Simon, “Cos’è il terrorismo georeligioso”, Quaderni speciali di Limes, bijlage bij nr. 4, 2001.

19 Over Hezbollah, zie Stefano Mauro, Il radicalismo islamico. Hizbollah da movimento rivoluzionario a partito politico, Edizioni Clandestine, Marina di Massa, 2007.

20 Geciteerd in Mauro, Il radicalismo islamico, p. 107.

21 Gegevens van Unctad.

22 Om het eenvoudig te houden en niet te ver op de economie door te gaan, gaan we hier niet dieper in op de verdeeldheid, tegenstellingen en hiërarchie binnen de Atlantische as tussen West-Europa en de Verenigde Staten. Hier beschouwen we die as als één Westers imperialisme, hoewel we in bepaalde passages toch hebben geprobeerd verschillen aan te tonen tussen bijvoorbeeld Frankrijk en de VS. Indien er een definitie bestaat van een Europees imperialisme dat zich van het Amerikaanse onderscheidt, dan vraagt die gezien haar belang en complexiteit om een aparte bespreking.

23 Over deze aspecten, zie Paolo C. Conti en E. Fazi, Euroil. La borsa iraniana del petrolio e il declino dell’impero americano, Fazi editore, Rome 2007.