Grondstoffenjagers

Auteur: 
Marc Botenga

Een boek schrijven over grondstoffen is niet zonder risico. De problematiek als dusdanig is tenslotte  niet onbekend. Weet niet iedereen ondertussen dat de Irak-oorlog in 2003 vooral te maken had met het garanderen van toegang tot oliebronnen voor Westerse multinationals? Men kan zich afvragen of er nog iets nieuws over te vertellen valt. Dat mijnbedrijven vaak weinig ethisch, sociaal of ecologisch te werk gaan is geen geheim. Dat het IMF en de Wereldbank in ontwikkelingslanden vaak andere belangen dienen dan die van het land dat ze ‘ter hulp’ schieten, is evenzeer niet nieuw. Ook dat Westerse regeringen eerder hun eigen bedrijven verdedigen, dan de belangen van een ontwikkelingsland, zal weinig mensen verbazen. Al deze elementen komen onvermijdelijk terug in Grondstoffenjagers van journalist Raf Custers.[1] De details van hoe dit juist gebeurt en de impact ervan op de lokale bevolking worden vaak met een pijnlijke precisie beschreven, zelfs al komt de opsomming van cijfers en acroniemen de leesbaarheid niet altijd ten goede. Maar de voornaamste kracht van Raf Custers’ boek ligt ergens anders. Iedere concrete realiteit wordt door de auteur in een internationale dynamiek gekaderd. Dat is de kracht van dit boek. Het is geen losse opsomming van feiten. Het geeft context en een zeker perspectief, hoewel dat laatste zeker uitgebreider had gekund.

Transnationale mijnbedrijven hebben maar één doel: zo snel mogelijk zo veel mogelijk en zo goedkoop mogelijk grondstoffen uit een land weghalen. Het klinkt bijna simplistisch, maar dat is wel wat Custers met zijn cijfers illustreert. In Mali bijvoorbeeld slaagden mijnbedrijven erin om in iets meer dan een decennium de goudmijnen van het land over hun hoogtepunt heen te halen. De productiepiek werd bereikt in 2006. De Malinese regering zag weinig van de opbrengst. Milieunormen bestonden niet.

Grondstoffenjagers toont ook dat transnationale bedrijven op hun plundertochten niet alleen staan. Om hun doelen te realiseren kunnen ze rekenen op een serie internationale instellingen, zoals het beruchte koppel IMF-Wereldbank. De Wereldbank hielp de Malinese staat dermate ‘afslanken’ dat deze laatste niet eens meer weet hoeveel goud er nu juist geproduceerd werd. In Ivoorkust moest de nationale inkoopdienst voor cacao eraan geloven, zodat cacaoprijzen gingen schommelen, kleine boeren hun vast inkomen verloren en grote opkopers de markt overnamen.

Structurele plundering gaat natuurlijk niet zonder repressie. Custers praat in Marokko over Sidi Ifni en merkt in Mali hoe de minister van Mijnen en Energie betogers dreigt te ‘verpletteren’. In Congo kopen buitenlandse groepen dan weer lokale krachten op om ieder verzet genadeloos de kop in te duwen.

Transnationale ondernemingen die zwakke staten zoveel mogelijk ‘rollen’, internationale instellingen die die regeringen nog verder afzwakken, Westerse regeringen die ‘hun’ bedrijven zo veel mogelijk beschermen en volksopstanden die brutaal onderdrukt worden, het is geen prettig verhaal. Grondstoffenjagers is echter geen aanklacht of zwartboek gericht tegen deze of gene antipathieke transnationale onderneming of personaliteit. Het is zoals gezegd ook geen losse opsomming van interessante maar verder snel vergeten feiten. Het gaat om een aanklacht tegen een internationaal systeem van hechte samenwerking tussen zowel mijnbedrijven als USAID, zowel de Canadese regering als de Europese Commissie. Een internationale oorlog om grondstoffen woedt. Niet zozeer omdat men bang is dat de auto’s straks stil vallen, maar wel omdat men in de wereldwijde concurrentiestrijd winsten moet garanderen, productiekosten laag moet houden, concurrenten wil controleren of, zoals de VS en EU tegenover China, vermijden dat nieuwe mogendheden zich onafhankelijk ontwikkelen. In deze systemische context beschouwt Custers mensen als George Forrest of William Damseaux duidelijk als quantité négligeable.

Custers schreef geen eenzijdig Noord-Zuid verhaal. Het boek beschrijft hoe ontwikkelingslanden, die hier vaak als passieve of corrupte slachtoffers worden getoond, actief naar alternatieve wegen van ontwikkeling zoeken. Er is het ontluikende nationalisme in Liberia dat de presidente Sirleaf er toe aanzette contracten met staalproducent Mittal voor de exploitatie van ijzererts te herzien in het voordeel van de Liberiaanse staat. Een maat zetten op plundering zouden sommigen zeggen. Er is de bijzondere manier waarop de Boliviaanse staat van Evo Morales probeert te garanderen dat natuurlijke rijkdommen als lithium de bevolking te goede komen. En ook de Democratische Republiek Congo lanceerde een procedure van Revisitation des Contrats Miniers om te kijken of Congo überhaupt enig voordeel haalt uit de bestaande mijncontracten. Na twee jaar waren dertig contracten heronderhandeld en twintig geannuleerd. Onvermijdelijk duiken hier dan weer de internationale bondgenoten van de transnationals op. De Canadese regering die de onbillijke contracten van ‘haar’ bedrijf met hand en tand verdedigt of het IMF dat de Chinese investeringen in Congolese infrastructuur terugdraait zijn maar enkele voorbeelden. In de oorlog om grondstoffen, blijken trouwens ook Karel De Gucht en de Europese Commissie een zeer onaardige rol te spelen.

Custers koestert ontegensprekelijk een bepaalde sympathie voor landen, regeringen en volkeren die proberen verzet te bieden of zich zo goed als mogelijk staande te houden in een moeilijke internationale context. Het boek is niet blind voor de limieten van Ellen Johnson Sirleaf, Joseph Kabila of Evo Morales, maar stapt niet in het simplistische discours dat corruptie of bad governance de problemen in pakweg Oost-Congo zouden verklaren. De auteur schreeuwt het uit: opdat nationale rijkdommen de natie ten goede komen is soevereiniteit een absoluut noodzakelijke basisvoorwaarde. Ieder land en volk moet het recht hebben zijn eigen grondstoffen uit te baten. Het klinkt vanzelfsprekend. Toch geeft het boek voorbeelden van bepaalde, misschien goedbedoelde, internationale initiatieven die deze soevereiniteit op de helling zetten. Zo heeft een Amerikaans project voor Oost-Congo officieel de (lofwaardige) bedoeling te vermijden dat de export van grondstoffen conflicten zouden voeden. In realiteit zou het er echter voor kunnen zorgen dat Congo zijn wankele soevereiniteit over het Oosten verliest aan buitenlanders en dat is, suggereert de auteur, zowat een garantie voor plundering. Geen evidente stellingname, maar wel een duidelijke.


[1] Raf Custers, Grondstoffenjagers, EPO, Antwerpen, 2013, 264 p. ISBN 9789491297427.