De lessen uit de Franse ervaring van de 35-urige werkweek

Auteur: 
Jacques Rigaudiat

Dit artikel verscheen op 10 maart 2012 op de website van de Fondation Copernic, http://www.fondation-copernic.org/spip.php?article576.

Sinds ze aan de macht kwam in 2002[1] heeft rechts in Frankrijk – uiteraard met de steun van het patronaat – onophoudelijk geprobeerd komaf te maken met de 35-urige werkweek. Tot nog toe zonder resultaat, maar ze is er wel in geslaagd de arbeidswetgeving inzake de wekelijkse arbeidsduur te ‘deblokkeren’ en te ‘versoepelen’. Die hardnekkigheid is een belangrijke wake-upcall voor al wie vergeten mocht zijn dat de arbeidsduur centraal staat in de krachtsverhoudingen tussen de klassen. De vastlegging van  de arbeidsduur in een geïnstitutionaliseerd corpus van regels is dan ook essentieel voor de bescherming van de belangen van de werknemers. Arbeidstijdvermindering is bevrijdend is voor de werknemers, maar gaat fundamenteel in tegen de belangen van de werkgevers. In de ogen van de politici die deze belangen behartigen is dat dan ook een waanzinnig plan. De Franse ervaring met de 35-urige werkweek – als enige op dit moment – en de collectieve arbeidsduurvermindering is in dat opzicht bijzonder leerrijk.

Beknopte geschiedenis van de Franse wetgeving over arbeidstijd

Wij kunnen ons nauwelijks nog een voorstelling maken van de arbeidsomstandigheden in het begin van het industriële tijdperk, toen “na het ontstaan van de grootindustrie tegen het einde van de achttiende eeuw, een mateloze overschrijding der grenzen [volgde], die het geweld van een lawine bezat. Alle grenzen van gewoonte en natuur, leeftijd en geslacht, dag en nacht, werden te buiten gegaan. (…) Het kapitaal vierde zijn orgieën.”[2]

Daarvan getuigt de eerste echte wetgeving, de Engelse Factory Act van 1833 – in zekere zin tegen wil en dank, namelijk door de bespottelijke arbeidstijdbeperking in de wet: niet meer dan 15 uur per dag voor de volwassenen, niet meer dan 69 uur per week en 12 uur per dag voor jongeren van dertien tot achttien jaar en niet meer dan 48 uur per week en 8 uur per dag voor kinderen van negen tot dertien jaar.

In de historische beweging van arbeidsduurvermindering liep Frankrijk wat achter op de andere Europese landen. Pas in 1841 werd hier de eerste wet op de arbeidsduur uitgevaardigd, maar die beperkte enkel de werkdag voor kinderen. De Britse werknemers streden toen al voor de 10-urige werkdag. Weliswaar werd de arbeidsdag beperkt tot 10 uur tijdens de revolutie van 1848, maar die vooruitgang was van korte duur en werd snel weer afgeschaft door het Tweede Keizerrijk. Voor de volgende stap moeten we nog een halve eeuw wachten tot de eerste sociaaldemocraat in de regering kwam, zoals bekend een controversiële gebeurtenis binnen de arbeidersbeweging: de wet Millerand van 1900 beperkte de werkdag tot 10 uur.

Van in het begin valt de geschiedenis van de arbeidsduurvermindering in Frankrijk dus grotendeels samen met links aan de macht en de sociale krachtsverhoudingen die dat oplevert en mogelijk maakt. Dat wordt later opnieuw bevestigd. In 1936 bekomt het Volksfront de invoering van de 40-urige werkweek en twee weken ‘betaald verlof’. Vooral dat laatste staat in het Franse geheugen gegrift.

En weer duurt het bijna een halve eeuw voor er een nieuwe bladzijde wordt geschreven. ‘Minder werken opdat iedereen kan werken en beter leven’, de belangrijkste syndicale eis van de jaren zeventig, wordt dan een politieke doelstelling. Bij de terugkeer van links in 1981 neemt François Mitterrand de 35 uur op in zijn programma. Samen met een vijfde week betaald verlof wordt alleen de eerste stap gerealiseerd: de werkweek van 39 uur. Na de beleidswijziging van 1983 is er geen sprake meer van de oorspronkelijk geplande veranderingen. Het thema komt pas weer ter sprake in 1995 tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen van Lionel Jospin. Hij eist het recht op om de balans op te maken van het sinds 1981 gevoerde beleid. In het bijzonder wil hij zich afzetten tegen de uitspraak van François Mitterrand dat ‘op arbeidsvlak alles is geprobeerd’. Met de stijgende werkloosheid was de terugkeer van de 35-urige werkweek een uiting van een krachtdadig tewerkstellingsbeleid en van de prioriteit die werd gegeven aan de strijd tegen de werkloosheid.

Deze politieke belofte wordt nagekomen. Twee opeenvolgende wetten (in 1998 en in 2000) voor alle werknemers uit de privésector leiden tot een complete hervorming van de arbeidstijdwetgeving. In 2000 volgen bepalingen voor de uurregeling van de ambtenaren in drie openbare functies (overheid, ziekenhuizen en territoriale collectiviteiten[3]). Tien jaar later moet daarvan uiteraard een balans opgemaakt worden.

De plaats van de arbeidsduurvermindering

Voor we overgaan tot de analyse van de invoering en de gevolgen van de Franse wetgeving voor de 35-urige werkweek, moeten we die eerst situeren in de globale context. Want alleen in het licht daarvan kunnen we komen tot een definitief oordeel. Frankrijk heeft niet alleen zijn eigen specifieke kenmerken, maar maakt ook deel uit van een beweging die haar eigen geschiedenis in hoge mate overstijgt.

De beperking van de arbeidsduur is altijd al een zeer belangrijke eis geweest voor de arbeidersbeweging, zowel op syndicaal als op politiek vlak. Kijk maar naar de termen die het Congres van Genève in 1866 gebruikt in de definitieve statuten van de Eerste Internationale: “Wij verklaren dat de beperking van de arbeidsdag de voorafgaande voorwaarde is zonder dewelke alle inspanningen voor emancipatie tot mislukken gedoemd zijn. […] Wij stellen voor de arbeidsdag wettelijk te beperken tot 8 uur.” Vergeten we ook niet dat 1 mei – het feest van de arbeid en dé gelegenheid bij uitstek voor een algemene collectieve mobilisatie – sinds 1890 herdenkt dat een betoging voor de 8-urige werkdag in Chicago in 1886 gewelddadig werd uiteengeslagen.

De beperking van de arbeidsduur is dus niet alleen een bijzondere doelstelling, zoals de 8-urige werkdag van vroeger en de 35-urige werkweek van nu. Het is ook een ‘voorafgaande voorwaarde’ voor de emancipatie van de werknemers. De arbeidstijdvermindering is niet de toevallige uitdrukking van een ogenblik dat door de sociale vooruitgang voortaan achter ons ligt. Nee, het is de horizon, die steeds in beweging is en steeds opnieuw gedefinieerd moet worden, van de beperking van de macht van het kapitaal en de bevestiging van de macht van de werkers. Door de objectieve basis waarop het kapitaal gedijt te beperken, vermindert ook de ontwikkelingsruimte van het kapitaal ten opzichte van de toegekende, maar nog altijd fragiele koopkracht van de werknemers.

De arbeidsdag is dus geen constante, maar een variabele grootheid. Een van de delen ervan wordt weliswaar bepaald door de voor de reproductie van de arbeider zelf vereiste arbeidsduur, maar de totale grootte varieert met de lengte of de duur van de meerarbeid. De arbeidsdag is dus bepaalbaar, maar op zichzelf onbepaald.”[4] ”De kapitalist staat in zijn recht als koper wanneer hij de arbeidsdag zo lang mogelijk tracht te maken. […] Aan de andere kant […] staat de arbeider in zijn recht als verkoper wanneer hij de arbeidsdag wil beperken tot een bepaalde, normale grootte. […] Hier zien we dus een antinomie, recht tegen recht, beide bezegeld door de wet van de warenruil. Tussen gelijke rechten beslist de macht. En op deze wijze toont in de geschiedenis van de kapitalistische productie de normalisatie van de arbeidsdag zich als de strijd om de grenzen van de arbeidsdag – een strijd tussen de gezamenlijke kapitalisten, dat wil zeggen de klasse van de kapitalisten, en de gezamenlijke arbeiders, dat wil zeggen de arbeidersklasse.”[5]

Vanuit dit standpunt is de huidige periode niet zonder belang. Sinds ongeveer het laatste kwart van de vorige eeuw[6] zoekt het kapitaal een uitweg uit de crisis. Het verwijst naar de massale stijging van de werkloosheid en de toenemende armoede om hogere rentabiliteitscijfers naar voren te schuiven. Op die manier zijn de vormen van uitbuiting van de arbeiders weer volop tot leven gekomen.[7] Die nieuwe realiteit heeft een concreet gevolg: in deze periode is de verdeling van de geproduceerde rijkdom verschoven ten voordele van de winst en ten nadele van het loon. Het kapitalisme is er dus in geslaagd de uitbuiting te vergroten om de winst te herstellen. Bijzonder opmerkelijk is dat de verschuiving van de grens tussen lonen en winsten binnen de toegevoegde waarde zich voordoet in alle landen van het ontwikkelde kapitalisme, zonder uitzondering.[8] Het gaat dus niet om een geïsoleerd accident maar wel degelijk om een diepgaande en gelijktijdige opwaardering van het kapitaal. We kunnen dan ook terecht spreken van een nieuw stadium van het kapitalisme. Ik heb voorgesteld om dit het walmartisme te noemen, naar de naam van de multinational – Walmart – die zowel de grootste privéwerkgever is als de onderneming die op de meest symptomatische manier profiteert van de mondialisering.

De uitbuiting is nu dus erger dan in de naoorlogse periode. Daarom is de kwestie van de arbeidsduur en de arbeidsduurvermindering vandaag bijzonder actueel.

  De arbeidsduur: historische evolutie en actuele inzet

De arbeidsduur is een van de belangrijkste uitdagingen van de klassenstrijd en dus een essentiële variabele in de kapitalistische economische regelgeving. Die theoretische vaststelling wordt door de feiten bevestigd: de arbeidsduurvermindering heeft historisch die rol gespeeld. Dat is gemakkelijk na te gaan. De jaarlijkse arbeidsduur, die in de voorbije periode in het algemeen korter is geworden, bedraagt nu 1.750 uur voor alle OESO-landen, met belangrijke individuele verschillen (zie tabel 1).

Tabel 1. Jaarlijkse arbeidsduur per tewerkgestelde persoon (2002-2010)
 

2002

2010

Nederland

1.348

1.377

Duitsland

1.445

1.419

Denemarken

1.578

1.542

Frankrijk

1.537

1.562

Verenigd Koninkrijk

1.696

1.647

Spanje

1.721

1.663

Geheel OESO

1.787

1.749

Verenigde Staten

1.810

1.778

Bron: OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).

Eerst moeten we nagaan in hoeverre die situatie een radicale evolutie is, in vergelijking met de arbeidsvoorwaarden op het einde van de 19e eeuw.

Kijken we even naar Frankrijk: de eerste statistische enquête over dit onderwerp[9] dateert van 1891 en vermeldt voor de loontrekkers uit de regio Parijs 290 werkdagen per jaar en een gemiddelde arbeidsdag van 10.30 uur, dat wil zeggen 3.045 werkuren per jaar. In vergelijking met onze grootouders werken wij nu zowat halftime!

Vervolgens moeten we de macro-economische voorwaarden en gevolgen van die radicale evolutie onderzoeken (zie tabel 2).

Tabel 2. Groei, productiviteit en tewerkstelling in Frankrijk (1890-2008)

Jaarlijkse groeivoet in %

1890-1939

1950-1975

1980-2008

Bruto binnenlands product

+ 0,9

+ 5,0

+ 2,0

Productiviteit per uur

+ 1,5

+ 5,3

+ 2,2

Arbeidsvolume

- 0.6

- 0,3

- 0,2

Arbeidsduur

- 0,7

- 0,7

- 0,7

Tewerkstelling

+ 0,1

+ 0,5

+ 0,5

Bron: M. Husson, “Droit à l’emploi ou revenu universel?”, Cahiers de l’émancipation, 2001. 

We kunnen met zekerheid stellen dat er in de geschiedenis van het kapitalisme geen enkele periode is geweest waarin de economische groei langdurig groter was dan de productiviteitswinst (per uur). Zoals Marx zei, door de anarchistische concurrentie die eigen is aan het kapitalisme en de accumulatie van het kapitaal leidt ‘de ontwikkeling van de productiekrachten’ ertoe dat de arbeidskracht minstens even snel groeit als de ‘stapel waren’ – de vorm die de rijkdom aanneemt in warenmaatschappijen in het algemeen en kapitalistische in het bijzonder. Ook is er geen toename van de hoeveelheid arbeid die nodig is voor de productie (het ‘arbeidsvolume’ uit tabel 2, wat macro-economisten ‘de activiteit’ noemen) en in de meeste gevallen blijft die zelfs dalen. Dat blijkt duidelijk uit het Franse voorbeeld, dat hier enkel dient ter illustratie van een realiteit in alle ‘ontwikkelde’ landen. De conclusie is duidelijk: als het totale beschikbare arbeidsvolume daalt, is er geen globale en duurzame schepping van tewerkstelling mogelijk zonder arbeidsduurvermindering per persoon. Ter illustratie: als de tewerkstelling even hard was gekrompen als het aangeboden volume arbeidsuren, zou zonder arbeidsduurvermindering de tewerkstelling in Frankrijk in 2008 maar 40 procent bedragen hebben van die in 1890! Laat er dus geen twijfel over bestaan: de tewerkstelling en de strijd tegen de werkloosheid vormen wel degelijk de inzet.

Arbeidsduurvermindering vandaag: een wettelijke arbeidsduur van 35 uur per week, een Franse uitzondering

J. Chirac, de toenmalige president van de Republiek, noemde de Aubry-wetten – naar de minister van Arbeid en Tewerkstelling in de regering van de socialist L. Jospin – ‘een riskante ervaring’. Sindsdien is er over die wetten heel wat inkt gevloeid.[10]
Maar laten we eerst eens kijken hoe die twee opeenvolgende wetten werken. De eerste wet-Aubry, goedgekeurd op 13 juni 1998, legde de wettelijke arbeidsduur[11] vast op 35 uur per 1 januari 2000 voor ondernemingen met meer dan 20 werknemers en per 1 januari 2002 voor de andere. In 2000 trof deze wet 80.000 van de 1,3 miljoen ondernemingen en drie vierde van de 14,5 miljoen werknemers in de privésector. Deze wet bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over de arbeidsduurvermindering die bij wet wordt bepaald en die wordt beschouwd als stuwende kracht van het proces; het tweede deel verwijst de concrete uitvoering van de wet – overuren, arbeidsduur van het kaderpersoneel, aanpassing van de arbeidsduur, deeltijdse arbeid, Smic[12] – naar de goedkeuring van een tweede wet in 2000. Die tweede wet moet zich baseren op de collectieve onderhandelingen per sector en per onderneming die intussen zijn gevoerd. Het hoeft geen betoog dat het welslagen van dit proces afhankelijk was van stevige onderhandelingen en een groot aantal akkoorden voor arbeidsduurvermindering vóór de goedkeuring van de tweede wet.

De originaliteit van dit initiatief ligt hierin dat de regering een centrale rol toekende aan de wet en tegelijk veel ruimte liet voor contractuele onderhandelingen. Het aannemen van de wet werd daarbij gezien als een uitdrukking van de politieke wil om een nieuwe norm voor de arbeidsduur te stellen op een welbepaalde, nabije datum. Op die manier wilde de regering de situatie deblokkeren door enerzijds de werkgevers te verplichten tot onderhandelingen die ze tot dusver hadden geweigerd en anderzijds het perspectief te bieden dat de concrete inhoud van de akkoorden over de arbeidsduurvermindering bekrachtigd zou worden in de tweede wet. Vandaag wordt nog altijd druk gedebatteerd over de gevolgen hiervan, maar een gedetailleerde uitwerking zou ons te ver brengen. Niettemin willen we hier de markantste gevolgen kort bespreken.

Eerst de sociale gevolgen. De tweede wet, die van 2000 over de praktische uitvoering van de sectorale en bedrijfsakkoorden, heeft onbetwistbaar de interne flexibiliteit[13] versterkt, met name de annualisering[14] van de arbeidsduur. Daarnaast is de druk op arbeid toegenomen, doordat de werkgevers door bijkomende inkomsten uit productiviteit de marge willen recupereren die ze door de arbeidsduurvermindering en de ermee gepaard gaande aanwervingen waren kwijtgeraakt. Dit is grotendeels het resultaat van de krachtmeting tijdens de onderhandelingen tussen de twee wetten.

Ten tweede de macro-economische gevolgen. In tegenstelling tot wat werd gevreesd, heeft de wet geleid tot een onmiddellijke daling van de effectieve arbeidsduur: bijna drie uur per week minder tussen begin 1997 en eind 2001 voor de betrokken ondernemingen, iets meer dan 2 uur minder voor alle ondernemingen (cf. zie tabel 3).[15]

Voor de impact van de wetten op de tewerkstelling is er een consensus over het aantal: tussen 350.000 en 500.000 nieuwe banen, afhankelijk van de benadering. In verhouding tot de 14,5 miljoen betrokken loontrekkers in de privésector komen deze cijfers overeen met een ‘rendement’ tussen 45 % en 63 % van het totale effect[16] van zo’n arbeidsduurvermindering. De rest (tussen iets meer dan de helft en een derde) werd gerecupereerd door de werkgevers in de vorm van bijkomende productiviteitsinkomsten door intensivering van de arbeid.

Afgezien van deze evaluatie en de tegenstellingen die eruit blijken, is het vandaag heel duidelijk dat dit krachtdadige beleid voor arbeidsduurvermindering alleen staat. Geen enkel ander land heeft zich tot nog toe gewaagd aan een gelijksoortig beleid op basis van een berekening van de collectieve uren. De 35-urige week is een Franse uitzondering gebleven. En rechts in Frankrijk zal niet rusten voor deze uitzondering verdwenen is.

De liberale contrarevolutie en de arbeidsduurvermindering

Het recente verleden, met de terugkeer van rechts sinds 2002, is een absolute paradox: de 35-urige werkweek is wettelijk de norm en toch is de arbeidsduur toegenomen. In andere landen daarentegen, waar er geen sprake is van een wettelijke 35-urige werkweek, is de arbeidsduur gedaald (zie tabel 1).

De statistische gegevens (zie tabel 3) zijn duidelijk. Rechts in Frankrijk is er niet in geslaagd om de wettelijke arbeidsduur op losse schroeven te zetten, maar slaagde er wel in om de beweging om te keren, met vier opeenvolgende wetten ter ‘versoepeling’ van de 35-urige werkweek[17] : de effectieve arbeidsduur van voltijdse werknemers is toegenomen (gemiddeld twee uur meer dan in 2002), waardoor we terug bij af zijn in de situatie voordat de 35-urige werkweek werd ingevoerd.

Tabel 3. Wekelijkse arbeidsduur en omschakeling naar halftijdse arbeid in Europa (1994- 2010)

Wekelijkse arbeidsduur voor % werknemers

Voltijdse werknemers

Deeltijdse werknemers

Deeltijdse vrouwelijke werknemers

 

1997

2002

2007

1994

2002

2010

2010

Nederland

41,3

40,7

40,9

28,9

33,9

37,1

75,0

Denemarken

39,9

40.3

38,8

17,3

16,0

19,5

63,2

Duitsland

41,7

41,4

41,7

13,5

18,8

21,7

80,4

Eurozone

41,4

41,0

41, 6

- -

- -

- -

- -

Frankrijk

41,1

38,9

41,0

13,8

13,8

13,6

78,1

Spanje

42,3

41,8

41,9

 6,4

 7,7

12,4

78,2

Verenigd Koninkrijk

44,9

43,9

43,0

22,4

23,3

24,6

74,9

Bronnen: Eurostat (voltijds), OESO (halftijds).

Tegelijk is er behalve wat beperkte schommelingen in de Europese kernlanden geen enkele evolutie te onderscheiden. Zo blijft de voltijdse wekelijkse arbeidsduur van de eurozone grosso modo constant. Maar er is wel een duidelijke arbeidsduurvermindering voor alle werknemers samen en die is enkel het gevolg van een grote toename van halftijdse banen.

Zoals blijkt uit een recente analyse “is de daling van de gemiddelde arbeidsduur op jaarbasis in Duitsland en Frankrijk vergelijkbaar, namelijk ongeveer 135 uur tussen 1992 en 2006, maar in Duitsland wordt dit vooral verklaard door de toename van halftijdse contracten”.[18]

Kortom: rechts in Frankrijk houdt niet van collectieve vormen van arbeidsduurvermindering. Daar waar ze bestaan – en Frankrijk is op dat vlak een typisch voorbeeld – proberen de rechtse krachten er met alle mogelijke middelen een einde aan te maken. Hoewel ze willens nillens moeten toegeven dat verdere arbeidsduurvermindering structureel noodzakelijk is, proberen ze – zeker niet zonder succes – halftijdse tewerkstelling te ontwikkelen.

Bij de individuele vorm van arbeidsduurvermindering stelt zich uiteraard op geen enkele manier de kwestie van het loon en het loonbehoud – de ‘looncompensatie’ – vermits die hier in verhouding tot de tijd zijn vastgesteld. Neoliberalen zijn vooral gek op deeltijdse tewerkstelling omdat het niet gaat om een ‘verkorting van de werkdag’, d.w.z. een daling van de voor meerwaarde beschikbare arbeidsduur, maar over een verdeling. Halftijdse tewerkstelling laat ook toe ‘de arbeidstijd die nodig is voor de continue reproductie van de arbeidskracht’ op losse schroeven te zetten.

Hoewel men moeite doet om halftijdse tewerkstelling voor te stellen als een verdienstelijke ‘eigen keuze’, moet de statisticus zich in het licht van de sociale realiteit aan de feiten houden. Hij berekent de ‘ondertewerkstelling’, dat wil zeggen het aantal personen dat wel een baan heeft maar graag voltijds zou werken. De Franse cijfers spreken voor zich: 1,5 op 4,5 miljoen halftijdse werknemers, in het bijzonder vrouwen, willen liever een voltijdse baan. Halftijdse banen zijn in essentie gedwongen halftijdse banen voor vrouwen uit de volksklasse.

De (her)privatisering van de socialisering verdeelt bovendien de economische dwang van de reproductie van de arbeidskrachten over de gezinnen. Zo kan bespaard worden op de collectieve diensten (in het bijzonder op kinderopvang), die anders onontbeerlijk zouden zijn. Kortom, onder het mom van de grootste moderniteit gaat het hier effenaf over de impliciete terugkeer naar een sociaal model dat we helaas maar al te goed kennen. Het model dat de vrouw weer opsluit in de traditionele rol van moeder aan de haard, van verzorgster van Kinder und Küche, als men althans in dit begin van de 21e eeuw de derde ‘k’[19] van dit afschuwelijke drieluik terzijde wil schuiven!

Het is duidelijk dat de liberale contrarevolutie in alles wat ze bestrijdt en promoot het historische bouwwerk van collectieve bescherming van de werknemers wil afbreken. Hetzelfde geldt voor de beperking van de macht van het kapitaal die de sociale strijd en de politieke vooruitgang hebben bereikt. Zij wil daarvoor in de plaats een complete individualisering van de arbeidsrelatie. Uiteraard is de arbeidsduur een uitermate geschikt strijdveld voor deze confrontatie en in het specifieke geval van Frankrijk kunnen we duidelijk de krijtlijnen ervan onderscheiden.

Maar die strijd is natuurlijk niet alleen een nationale strijd. Eens te meer geven de Europese instellingen – en niet alleen in dit domein – het ‘goede’ voorbeeld met hun opmerkelijk minimalistische aanpak. De richtlijn ‘arbeidsduur’ van 4 november 2003[20] zegt het volgende: totale vrijheid bij de opstelling van contracten, enkel beperkt door maximale duur en niet minder dan 11 opeenvolgende uren rust per dag (art. 3). Dat levert inclusief middagpauze toch dagelijks 12 potentiële werkuren op. In Frankrijk komt dit overeen met de wetgeving van … 1848. In artikel 6 is er sprake van niet meer dan 48 uur per week, wat overeenkomt met de wetgeving van 1919! En dan zijn er natuurlijk nog de arbeidsomstandigheden in de opkomende landen, die ons terugvoeren naar de begintijd van het kapitalisme, waarvan we dachten dat die voorgoed tot het verleden behoorde.[21]

Voor het kapitaal zijn ‘de orgieën’ niet alleen bestemd voor de geschiedenisboeken. Het hunkert nog altijd nostalgisch naar de geneugten van weleer wanneer het de blik op de toekomst richt.

Jacques Rigaudiat (jacques.rigaudiat at wanadoo.fr) is economist. Hij was sociaal raadgever van Franse premier L. Jospin (1997 tot 2002). Hij publiceerde onder andere Les trente-cinq heures et l’emploi, La documentation française, 1983; Réduire le temps de travail, Syros, 1996; Le nouvel ordre prolétaire, Éditions Autrement, 2007.


[1] Het artikel dateert van 10 maart 2012, voor de overwinning van François Hollande bij de presidentsverkiezingen.

[2] Karl Marx, Het Kapitaal, Deel I, 1981, De Haan, Haarlem, p. 198.

[3] In de Franse grondwet (artikel 72) worden territoriale collectiviteiten (collectivités territoriales de la République) gedefinieerd. Daaronder vallen de gemeentes, de departementen inclusief de overzeese departementen (départements d'outre-mer, DOM), de regio’s, inclusief de overzeese regio’s (régions d'outre-mer, ROM), bijzondere territoriale collectiviteiten (Corsica) en de overzeese collectiviteiten (Saint-Pierre-et-Miquelon, de eilanden Wallis en Futuna, Frans Polynesië) die een ander statuut hebben dan de DOM.

[4] K. Marx, Het Kapitaal, Deel I, 1981, De Haan, Haarlem, p. 158.

[5] Ibidem, p. 161.

[6] Dit artikel beoogt geen analyse van de crisis. We verwijzen hier naar twee geschikte herkenningspunten, twee symptomatische momenten van deze ommekeer: de afschaffing van de convertibiliteit tussen goud en dollar in 1971 en de eerste olieschok in 1973.

[7] Voor een analyse van de bijzondere kenmerken van deze extra-uitbuiting in Frankrijk, zie J. Rigaudiat, “Travail : la nouvelle grande transformation ?”, Les temps modernes, winter 2010-2011.

[8] Zie het werk van M. Husson op zijn blog: hussonet.free.fr.

[9] Office du Travail, Salaires et durée du travail en Île de France en 1891, 1897.

[10] Het speciale nummer van het tijdschrift Économie et statistique, nr. 376-377, juni 2005 van het Institut nationale de la statistique et des études économiques, biedt tot op vandaag het meest complete overzicht. Zie: http://www.insee.fr/fr/publications-et-services/sommaire.asp?codesage=ec....

[11] De wettelijke wekelijkse arbeidsduur legt geen grens vast, maar dient als vertrekpunt voor de berekening van de overuren die tegen een verhoogd tarief worden betaald.

[12] Smic: salaire minimum interprofessionnel de croissance - het wettelijk vastgestelde minimumuurloon in Frankrijk.

[13] Interne flexibiliteit doet de werkuren van de werknemers schommelen. Externe flexibiliteit is eigen aan precaire arbeidscontracten: contracten van bepaalde duur, interim, afwisselen van periodes van werk en werkloosheid.

[14] Annualisering: berekening van de arbeidsduur op jaarbasis, wat maakt dat de werkweken langer of korter kunnen zijn zolang er gemiddeld maar 35 uur per week wordt gewerkt.

[15] A. Gubian, e.a. « Les effets de la RTT sur l’emploi : des simulations ex-ante aux évaluations ex-post », in Economie et Statistique, op. cit. De daling van de arbeidsduur bedroeg effectief drie in de periode, maar sommige mechanismen hebben de effectiviteit ervan afgezwakt: de vroegere pauzes vielen niet langer binnen de effectieve werktijd, bijkomende vakantiedagen als vorm van arbeidsduurvermindering waardoor er niet geraakt wordt aan de wekelijkse arbeidsduur, werknemers met deeltijdse banen werden aangegeven als voltijdse werknemers.

[16] De werkweek telde in 1997 aanvankelijk 41,1 uren. De daling met 2,2 uren stemt dus overeen met een daling van bijna – 5,4 %. 350.000 geschapen werkplaatsen komen overeen met 2,4 % van de bestaande banen en 500.000 met + 3,4 %. De verhouding tussen deze beide percentages en het eerste tonen zo een werkplaatsenrendement tussen 45 % en 63 %.

[17] Zie: « Sarkozy, bilan de la casse », Fondation Copernic, Syllepse, januari 2012. Trefwoord : heures supplémentaires; http://wiki.fondation-copernic.org/notes/bilan/pages/travail/heures_supp....

[18] G. Bouvier, F. Diallo, “Soixante ans de réduction du temps de travail dans le monde”, INSEE Première, nr. 1273, januari 2010.

[19] Kirche, Kinder und Küche, de derde K is dus die van de Kerk.

[20] Publicatieblad van de Europese Unie, 18 november 2011, p. L 299/9. Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:299:0009....

[21] Zo wordt in China courant 10 tot 14 uur per dag gewerkt. Bovenop de wettelijke arbeidsduur die verondersteld 40 uur per week bedraagt, presteren Chinese werknemers vaak 140 of zelfs 160 overuren per maand. Zie: “Tragedies of globalization; the truth behind electronic sweatshops”, China Labour Watch, 12 juli 2011.