Kort voltijds werk voor allen

Auteur: 
Jörg Miehe

De 30-urenweek als politiek project

Bij het project voor een vergaande verkorting van de arbeidstijd en de herverdeling ervan over alle werkzoekenden gaat het om een reorganisatie van de maatschappelijke arbeid, met verreikende gevolgen voor de organisatie van de sociale en materiële reproductie van de samenleving. Dergelijk project heeft als doel de toe-eigening van de resultaten van de productiviteitsstijgingen van de kapitalistisch georganiseerde arbeid – niet door bijkomende consumptie, maar in de vorm van meer beschikbare vrije tijd. Bovendien wordt daardoor de werkloosheid afgeschaft en verdwijnt ook de armoede die daarmee gepaard gaat, evenals de desoriëntatie en de onmacht van de arbeidende klassen die uit beide voortvloeien.

       Tegelijkertijd worden de belangrijkste hefbomen van de economische heerschappij van het kapitaal over de arbeiders door het eigendomsmonopolie, de concurrentie tussen de loontrekkers en de daaruit volgende beschikking over hun arbeidstijd en overuren, drastisch beperkt. Dergelijke politieke reorganisatie van de maatschappelijke arbeid moet ertoe leiden de voorwaarde zelf van deze hefbomen – het eigendomsmonopolie – in vraag te stellen. Uiteindelijk moet dit een einde stellen aan de blinde, van privékapitalen afhankelijke organisatie van de maatschappelijke arbeid en van de sociale reproductie.

Een nieuwe standaard voor een normale arbeidsverhouding met een 6-urendag en een 30-urenweek, op basis van een nieuw vast arbeidscontract – kort voltijds werk voor iedereen – zou dat niet een nieuwe “overwinning van de politieke economie van de arbeidersklasse”[1] zijn en het begin van een overwinning van de sociale rede?[2]

Aspecten van werkloosheid en arbeidsduurverkorting

Oorzaken van de werkloosheid

De werkloosheid, die sinds 1975 in de Duitse Bondsrepubliek (BRD) toeneemt, heeft systemische en historische oorzaken: overaccumulatie, teruggang van de groeiratio van de industriële productie in de ontwikkelde landen, productiviteitsstijgingen door het invoeren van nieuwe productiekrachten;  vanaf het begin van de jaren 1970 de afschaffing van de muntstandaard op wereldvlak, ingesteld in Bretton Woods; en in de jaren 1980 wereldwijd een vernieuwde neoliberale economie met als gevolg de politieke en economische verzwakking van de vakbonden. Toenemende, ook transnationale, financialisering van het kapitaal en toenemende inschakeling van de derdewereldlanden in het investerings- en verwerkingssysteem van de wereldconcerns – een nieuwe etappe in de internationalisering, het tot stand brengen van de wereldmarkt.

Politieke maatregelen

Dat leidde tot een steeds verdergaande economische ontbinding van de ‘normale arbeidsverhoudingen’, van de limieten ervan – en dat niet alleen in de BRD. De neoliberale koers van de regering Schröder (SPD en Grünen) zorgde voor een enorme versnelling van dit proces. Het beleid werd verdergezet en nog verscherpt: ontoereikende lonen, gedwongen deeltijds werk, tijdelijke contracten, interim-werk tegen dumpinglonen, ruime verplichting tot dikwijls onbetaalde overuren, verhoging van de werkdruk door vermindering van het aantal werknemers.

Verspilling door uitsluiting

Het niet benutten van miljoenen potentiële arbeidskrachten is een verspilling van maatschappelijke productiekracht. Dat noopt tot een anders overbodige uitgave: de financiering van de werkloze medeburgers, ofwel door de bijdragen van de sociale zekerheidskassen, ofwel uit de staatsbegroting.

       Het wordt gebruikt als een gemakkelijk voorwendsel om de werklozen op een demagogische manier niet als maatschappelijke slachtoffers van de kapitalistische verhoudingen aan te merken,  maar als schuldigen van hun toestand en verantwoordelijk voor deze uitgaven. Daardoor pleit een deel van de werkende mensen ook voor beperking van de uitkeringen en het ‘activeren’ van de werklozen. Zo ontstaat er politieke verdeeldheid onder de werkende mensen.

Afbraak van sociale verhoudingen

Werkloosheid is, vooral onder de Hartz IV-regels, voor de getroffenen en voor hun familie belastend tot onverdraaglijk.

       Bij geringe groei of crisis in de industrie en dienstverlening groeit de angst voor ontslag, voor de pesterijen door het Hartz IV-regime, voor het verlies van spaargeld.

       Deze angst ondermijnt de bereidheid tot verzet van de werknemers in de bedrijven en bij cao-onderhandelingen.

       De werkloosheid verbreekt ook hun sociale integratie en de identiteit die ze door de arbeid hebben verworven, met dramatisch negatieve gevolgen voor hun gezondheid en levenskwaliteit, en voor de zorg en de sociale opvoeding van de kinderen.

       Druk en stress nemen almaar toe, eerst in bedrijven maar nadien ook in het gezin. De economische zekerheid voor het dagelijkse leven verdwijnt met de mogelijkheid van het verdwijnen van deze basis zelf.

       Overwerk en prestatiedruk veroorzaken een toename van psychische overbelasting en ermee gepaarde ziekten. Niet alleen in de op winstgeoriënteerde ondernemingen, maar eveneens in de door besparing ingekrompen sociale diensten.

Belangen en perspectieven

Het objectieve belang van loontrekkende arbeiders en werklozen bestaat dus uit een verkorting van de arbeidsduur en haar herverdeling: kort voltijds werk voor iedereen.

       Voor de enen: vermindering van overuren en stress, vaste arbeidscontracten, afschaffing van gedwongen parttime arbeid, herinvoering van leefbare lonen en bevrijding van de angst voor de toekomst; opheffen van de concurrentie voor arbeidsplaatsen.

       Voor de anderen: weg uit de werkloosheid zonder middelen van bestaan, weg uit de armoede en de vernederende afhankelijkheid van het Hartz IV-regime, en herwinning van de zelfstandigheid, men moet zich niet langer onderbetaald laten gebruiken tegen werknemers en andere werklozen, weg van de mediavoorstelling als nutteloze profiteurs.

       Voor vrouwen en mannen: de traditionele, deels economisch gedwongen en politiek vereiste arbeidsverdelingen tussen mannen en vrouwen in de loonarbeid en in het gezin en de familie, zijn intussen fundamenteel disfunctioneel en niet langer aanvaardbaar. Voor de meeste vrouwen is de arbeidsduur te kort met te weinig inkomen om een zelfstandig leven, ook met kinderen, te kunnen leiden. Voor mannen is de arbeidsduur te kort of te lang, voor een toenemend aantal van hen met een onvoldoend loon, om zich met vrouw en kinderen te kunnen ontplooien en tot een verdeling van de huishoudelijke taken en zorg voor de kinderen te kunnen komen, en gewoonweg om te kunnen overleven. Marginalisatie en discriminatie en nadien overbelasting treffen in de eerste plaats vrouwen en daardoor ook hun kinderen.

       Het objectieve belang ligt, niet enkel voor vrouwen, in kort voltijds werk (met ‘volledig’ loon en een vast arbeidscontract). Dat zorgt voor een eigen economische en financiële basis, en is een fundament voor een zelfstandig sociaal leven en voor emancipatie, met of zonder kinderen. De noodzaak voor economisch gedwongen partnerschap moet wegvallen. De verbetering van de positie van de vrouwen in hun beroepsleven is ook een voorwaarde voor de verbetering van de opvoeding van voor de kinderen. Dit moet leiden tot een evenwichtige verdeling van de huishoudelijke taken en de zorg voor de kinderen.

       Kort voltijds werk is daarom ook een dringende noodzaak voor de maatschappelijke ontwikkeling van de sociale reproductie. De praktische motivatie ervan behoort tot het politieke project voor arbeidsduurverkorting.

       De omzetting van de productiviteitsverhoging in extra loon voor extra consumptie, dus in extra producten, met bijkomend gebruik van materialen en energieën, wordt afgeremd.

       We winnen tijd voor persoonlijke ontplooiing en vrije tijd.

       De ecologische oriëntering van productie- en arbeidsprocessen in de samenleving wordt erdoor versterkt.

       De armoede wordt teruggedrongen en de verarming wordt gestopt.

       De volksgezondheid verbetert door vermindering van stress, angst en overwerk bij alle werknemers, maar ook bij de cliënten en het personeel van de gezondheidsdiensten. De frequentie van ongevallen vermindert.

Theoretische overwegingen

Waar komt werkloosheid vandaan?

Deze vraag moet in twee andere vragen opgesplitst worden.

  1. Hoe ontstaat de vraag en de tewerkstelling van loontrekkers in de kapitalistische productiewijze?
  2. Vanwaar komt het aanbod van arbeidskrachten in de historische ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij?
Vraag van het kapitaal naar loonarbeiders en hun tewerkstelling

De kapitalistische industriële productiewijze kent twee tegengestelde tendensen.

       Aan de ene kant bespaart ze door technische vooruitgang in de productie en ook in de nodige arbeidsduur voor een bepaalde hoeveelheid producten. Bij een bepaalde hoeveelheid producten betekent dit dat de arbeiders korter kunnen werken of dat een aantal van hen overbodig wordt.

       Aan de andere kant breiden de bezitters van het productiekapitaal door heen de concurrentiestrijd hun productieterrein uit. Ze vergroten bestaande fabrieken en richten er nieuwe op, ze vervangen de oude traditionele productiewijzen door goedkopere of ersatzproducten, of laten daarmee nieuwe producten vervaardigen op basis van nieuwe productiemethodes. Daarvoor kunnen ze de arbeidstijd in beperkte mate verlengen, maar de tendens is toch dat ze nieuwe arbeidskrachten moeten aanwerven.

       De verhouding tussen de besparing op arbeidskrachten en de uitbreiding van hun aantal bij het industriële kapitaal wordt enerzijds bepaald door de snelheid en diepgang van de technische veranderingen – en anderzijds door de uitbreiding van de industriële productiewijze in elke economische sector.

       De snelheid van de technische vernieuwingen en daardoor de verandering van de verhouding van het aantal arbeiders tot machines en installaties, inclusief de wetenschappelijke toepassingen, maar ook de snelheid van de uitbreiding van de kapitalistische productie hangen af van verschillende historische omstandigheden.

       Een economische sector met zijn productiesites is tezelfdertijd de woonomgeving van de arbeidskrachten en dus een afzetmarkt, zowel voor de plaatselijke industrie als voor de externe producenten van consumptiegoederen. Dat geldt ook voor de grondstoffen en voor de producenten van machines en investeringsgoederen. Het geheel van deze door het kapitaal voortgebrachte omstandigheden bepaalt dan weer de economische omgeving voor de individuele kapitalist in de respectievelijke economische sectoren en staten.

Vanwaar komt het aanbod van loontrekkers?

Kapitalistische fabrieken en ondernemingen ontstaan en bestaan altijd in een bepaalde historische context. De reserve aan arbeidskrachten wordt gevoed door de werknemers die uit oudere productiewijzen worden gestoten. Immigratie en reproductie van de onder kapitalistische verhoudingen levende arbeiders vullen de reserve aan.

       Het aanbod van loonarbeiders hangt uiteindelijk af van het aantal loonarbeiders in verhouding tot het geheel van de actieve bevolking en haar reproductieratio, met andere woorden de verhouding tot het geboorte- en het sterftecijfer.

       Het historische voorbeeld van Engeland, dat wij kennen uit Marx’ eerste deel van Het Kapitaal, illustreert dit. Eerst zijn er de mensen die overbodig geworden zijn door de kapitalistische ontwikkeling van de landbouw. Dan volgen er de thuisarbeiders die opzij gezet worden door de concurrentie van de spinnerijen en de weverijen. Voor deze verpauperde gezinnen was het levensnoodzakelijk dat de vrouwen, en meteen ook de kinderen, hun arbeidskracht konden verkopen aan de fabrieken. Daar bovenop kwam de migratie uit Ierland.

       De drie bronnen van aanbod van loonarbeiders zijn historisch verschillend. Ze hangen noch rechtstreeks noch onrechtstreeks, en zelfs helemaal niet, af van de accumulatie van het binnenlandse kapitaal. Hun verloop evolueert en daarmee ook hun totaal.

       De huidige aantallen van de ingezette (afhankelijk van de reproductie en accumulatie van kapitaal) en potentiële arbeidskrachten (afhankelijk van de reproductieratio en immigratie) zijn geen constante waarden. Bovendien vergen de vereiste kwalificaties (al was het maar de fabrieksdiscipline) enige tijd en zijn ze erg duur. Er bestaat dus geen automatisch maatschappelijk en historisch evenwicht tussen beide door kapitaalaccumulatie in gang gezette tendensen van besparing en uitbreiding van de maatschappelijk vereiste arbeidstijd en daarmee verbonden de nood aan arbeidskrachten.

Wereldmarkt

Deze processen van wereldwijde concurrentie en integratie in de wereldmarkt, met inbegrip van de daarop volgende industrialisatie, verlopen steeds efficiënter. Op korte termijn leiden deze tegengestelde tendensen sinds tientallen jaren tot een vermindering van het aantal industriële arbeidskrachten in de oude industriecentra.

       Zo kan het gebeuren dat de doorgevoerde besparing op arbeidskrachten in de al bestaande productiecentra door de toename van arbeidskrachten nodig voor de uitbreiding en de bouw van andere productiecentra opgevangen wordt en zelfs overstegen. Dat is typisch voor firma’s die zich snel en ingrijpend industrialiseren en ook bij de invoering van volledig nieuwe productlijnen of infrastructuurwerken (vb. spoorwegen, energienetten, digitalisering van telecommunicatie enz.). Omgekeerd kan door technische vooruitgang en door invoer van goedkoper geproduceerde goederen uit het buitenland de besparing op arbeidskrachten niet worden gecompenseerd door nieuwe binnenlandse productie, zelfs niet als een grote exportgerichte industrie bestaat.

       Dat laatste is sinds 1975 het geval in de BRD en in de meeste ontwikkelde kapitalistische landen. In de VS manifesteerde deze trend zich al tien jaar eerder met de inrichting van goedkope productie-eenheden in Mexico en de Caraïben.

       Steeds meer landen tellen een toenemend aantal loonarbeiders (Zuid-Europa, de landen aan de Middellandse Zee, Oost-Europa, Japan…). Zij veroveren in het begin relatief eenvoudige delen van de industriële productie van de ontwikkelde kapitalistische landen zoals de BRD. Lagere lonen en kosten bevorderen hun succesvolle export op de wereldmarkten.

       De industrialisatieprocessen in deze landen (vroeger Japan, Zuid-Korea en Taiwan, en nu Brazilië, China enz.) duwen de productiecapaciteit omhoog, maar ook het levensniveau en de lonen. Het concurrentievoordeel van de lagere lonen valt daardoor steeds meer weg. Maar als de bedrijven naar het buitenland vertrokken zijn, keren ze meestal niet meer terug, zelfs als de loonkosten gelijk zijn. Blijvende de-industrialisatie is het gevolg, zoals in Engeland, in grote delen van de VS en in sommige industrietakken in de BRD (camera’s, verrekijkers, hifi-installaties, radio- en tv-toestellen, bureaumachines van allerlei aard…).

       De BRD-uitrustingsindustrie kan niet alleen nieuwe machines en ganse productie-installaties en –complexen verkopen, maar ook de service en de latere vernieuwing leveren. Maar ook op dat vlak is er een toenemende wereldwijde industrialisatie. Een immens land als China kan door een doelgericht en volgehouden beleid op middellange termijn inderdaad haar technologische achterstand inhalen en hetzelfde niveau en dezelfde diversiteit bereiken als de Duitse machinebouwers.

Strategische overwegingen

Bij de invoering van arbeidsduurverkorting moeten zeer uiteenlopende aspecten van het probleem worden overwogen: spreiding in de tijd, beslissingsproces, de manier van reglementeren, de objectieve belangen van verschillende groepen, de noodzakelijke hefbomen voor de invoering:

  • de spreiding in de tijd: dagelijks, wekelijks, jaarlijks, volgens de evolutie van de loopbaan, of in functie van individuele behoeften, mate en aard van flexibilisering;
  • de absolute grootte van de verkorting, vb. 1 à 2 uur per dag, 5 à 10 uur per week;
  • de invoeringsperiode: in jaarlijkse stappen of in twee grote schijven;
  • het beslissingsproces: individuele keuze of op grond van collectieve regelingen;
  • de wijze van reglementering: invoering door een wet op de arbeidsduur of door cao’s;
  • de mogelijke hefbomen voor de invoering: stakingen in bedrijven of sectoren, of politieke campagnes voor een wet en een meerderheid in het parlement, met passende druk;
  • groepen met objectieve belangen bij arbeidsduurverkorting en hun belangstelling voor bepaalde vormen en invullingen;
  • de omvorming van de objectieve belangen tot een motivatie voor strijd en invoering;
  • garanties voor het bestaande loonniveau van de werknemers zodat ze hun levensstandaard kunnen behouden;
  • garanties tegen het opvoeren van het werkritme;
  • garanties voor een minimum levensniveau door een wettelijk minimumloon.

       Al deze aspecten moeten bekeken worden. Enerzijds vanuit hun economische en sociale impact en anderzijds vanuit hun mobilisatiekracht en de ontwikkeling van sociale en politieke krachten.

Vorm, orde van grootte en controle van arbeidsduurverkorting

Een economisch relevante orde van grootte voor herverdeling en verkorting van de arbeidstijd, voor de opheffing van de werkloosheid en een drastische verbetering van het loonniveau kunnen slechts bereikt worden met een collectieve regeling met een nieuwe standaard arbeidstijd voor iedereen. Een individuele regeling kan de collectieve regeling aanvullen.

       Een maatschappelijk gepaste orde van grootte en een bindende kracht van de arbeidsduurregeling in het dagelijkse leven kan maar bereikt worden, wanneer ze ingrijpend is, openlijk zichtbaar en sociaal verplicht voor iedereen. Dat was en is nu nog altijd het geval met de huidige regelingen: zondag, zaterdag en woensdagnamiddag zonder productie, sluiting van overheidsdienstendiensten, winkelsluiting om 18 uur. Maar de bindende kracht was beperkt. Vervoer en andere dienstverleningen waren en zijn daarvan uitgezonderd. In de kleinhandel worden de geldende sluitingsuren niet altijd nageleefd. De invoering van een bijkomend vrij deel van de dag, zoals op vrijdagnamiddag of door een volledige dag vrij, zal de bestaande verdeeldheid onder de werknemers door hun individuele arbeidsduurregeling nog uitbreiden en verscherpen.

       Om iedereen in loondienst gezamenlijk te laten genieten van een nieuwe reglementering is een consequente dagelijkse verkorting van de werktijd nodig: zes-urendag, een kortere werktijd voor iedereen! (Voor een continuproductie met nachtwerk betekent dit twee ingekorte nachtshifts).

       Om er zeker van te zijn dat het arbeidsritme niet wordt verhoogd en om effectief werklozen aan het werk te zetten, is een korte wijzigings- en uitvoeringsfase onontbeerlijk. Ze kunnen slechts door bijkomende en specifieke controles en sancties in ondernemingen ingevoerd worden. Deze controles moeten de vele interne rationalisatieprocessen in bedrijven inperken tijdens de overgangsperiode. Dergelijke doelgerichte en uitgebreide controles moeten als uitzonderingsmaatregelen beperkt blijven tot een korte overgangsfase.

Vorm van de invoering

Een invoering binnen de huidige collectieve arbeidsovereenkomsten komt niet in aanmerking. Ze gaan uit van de bijzonderheden van afzonderlijke sectoren en niet van wat gemeenschappelijk is aan alle sectoren. Voor een gemeenschappelijk akkoord voor alle sectoren is de DGB (Duitse vakcentrale) geschikt. De werkgevers zullen dit echter proberen te verhinderen, en ook door een algemene staking zal dat niet voorkomen.

       Alleen een wet blijft over als de meest geschikte vorm. In deze wet en in zijn uitvoeringsbesluiten, zouden de overgangsregelingen en controles in detail vastgelegd kunnen worden evenals de wettelijke sancties. De uitwerking van deze verordeningen mag niet worden overgelaten aan de ministeriële bureaucratie en haar onderhandelingen met de werkgeversbonden.

       De enige juiste en noodzakelijke politieke weg is dus een wet (een charter over de arbeidstijd). Daarvoor is een politieke campagne op lange termijn nodig om de werknemers bewust te maken en om de politieke actoren te kiezen die hiermee instemmen.

       Het behoud van het huidige loon zou een centraal punt van deze wet moeten zijn. Dat zou het levensniveau garanderen: het loon is een vergoeding voor de beschikbaarheid van de arbeidskracht in de nieuwe normale arbeidsdag – niet voor een bepaalde individuele arbeidsprestatie, al of niet met tijdsopgave.

       Dat zou onmiddellijk een verandering veroorzaken in de toe-eigening van de waardecreatie (de ‘verdeling’ tussen kapitaal en arbeid). Het inkomen uit kapitaal en de winsten en het aandeel van de lonen zou stijgen.

Belangengroepen – tegenstanders

Niet alleen alle ondernemers en aandeelhouders maar ook wie inkomen uit kapitaal heeft zullen verbitterd verzet leveren. De hogere en beter betaalde bedienden, die een klein vermogen gespaard hebben of hierop hopen, die altijd bereid zijn om voor hun klim op de sociale ladder onbetaalde overuren te presteren, meestal ten koste van hun gezondheid en van hun gezinsleven, behoren daarom naar alle waarschijnlijkheid eveneens tot de tegenstanders.

       Een bijzonder probleem vormen de kleine bedrijven, kantoren en werkplaatsen van zelfstandigen, met vijf, tien tot zelfs 20 arbeiders. Het kan gemakkelijk voorkomen dat arbeiders en patroon zich hier samen verzetten tegen een arbeidsduurverkorting en haar boycotten. Het gaat om vier miljoen zelfstandigen en ambachtslieden, maar ook om meerdere miljoenen werknemers. Deze ‘werkgevers’ kunnen in het dagelijkse leven op een efficiënte manier de publieke opinie in de hele samenleving beïnvloeden.

       De zelfstandigen zonder werknemers vormen nog een ander bijkomend probleem. Ze kennen ook vandaag geen algemene beperking van de werktijd. Een deel volgt de wettelijke openingstijden van de winkels. Over het algemeen hebben ze geen direct voordeel bij een arbeidsduurverkorting.

Belangengroepen – voorstanders

Arbeiders die noodgedwongen parttime werken behoren samen met de werklozen tot de belangrijkste geïnteresseerden in een arbeidsherverdeling.

       Maar de invoering van de arbeidsduurverkorting en de arbeidsherverdeling belangt in de eerste plaats de meerderheid van de arbeiders aan. Bij hen moet de propaganda aanslaan – ze moeten dit tot hun eigen project maken. Het gaat bijvoorbeeld in de metaalindustrie ook om al degenen, die nu al 35 uur werken. Soms werken ze in werkelijkheid ongeveer 40 uur (overuren inbegrepen), zoals de meeste anderen die in een normale arbeidsduur werken met een vast contract en een eerder middelmatig inkomen. Zij zien tot nog toe geen reden om dit door een gecompliceerde nieuwe regeling in vraag te laten stellen.

       Hun levensniveau moet daarom gegarandeerd blijven. Hun bekommernissen moeten opgelost worden. Het perspectief op betere levensomstandigheden moet centraal staan in de campagne. Want beroep doen op medelijden met werklozen en deeltijdsen, dat werkt niet.

Uitvoerbaarheid en controles

Een geschikte regeling voor het aanwerven van bijkomende arbeidskrachten als tegengewicht voor de verkorte arbeidstijd van de werknemers in de bedrijven is noodzakelijk om in de samenleving brede steun en begrip te krijgen voor deze campagne.

       Onder andere de ondernemingsraden, maar ook de diensten voor arbeidsinspectie en arbeidsongevallen moeten bijzondere controlebevoegdheden krijgen. Bij de verdediging van interprofessionele belangen moet aan de vakbonden een bijzondere rol toegekend worden. Waarschijnlijk is de tijdelijke inrichting van een soort arbitragehof voor alle betrokkenen noodzakelijk. Het kan onmiddellijk uitspraak doen bij betwistingen en maatregelen opleggen; zo kan men verhinderen dat ze door procedurekwesties op de lange baan geschoven worden.

       Er bestaan veel arbeidsovereenkomsten met totaal ontoereikende lonen. Daar is de verleiding  en de dwang om overuren te kloppen, om op die manier het loon te verbeteren, zeer groot. Dat kan alleen door een wettelijk minimumloon tegengegaan worden. Het minimumloon moet dan ook tegelijk met de arbeidsduurverkorting worden ingevoerd en gecontroleerd.

Praktisch politieke overwegingen

Een beter leven motiveert om objectieve belangen na te streven

Een project voor arbeidsduurverkorting richt zich voor alles op een beter leven waarin men minder moet werken en meer vrije tijd heeft en vervolgens op het wegwerken van verplichtingen. Beide, in deze rangorde, moeten door bewustmaking uitgroeien tot een motiverende dynamiek voor arbeidsduurverkorting.

       Op vele terreinen bestaat er een ‘prestatiecultuur’, ook bij werknemers. Men kan er inspiratie uit putten: de verantwoordelijkheid voor de arbeidsprestaties en voor de instandhouding van de eigen duurzame arbeidscapaciteit kan een sterk motief zijn voor arbeidsduurverkorting– tegen overdreven eisen en zelfuitbuiting.

Organisatieprocessen en organisaties

Tot nog toe bestaat er geen werknemersorganisatie die de kwestie van arbeidsduur centraal stelt in haar activiteiten.

       In de cao’s houden de vakbonden zich rechtstreek bezig met de werktijd. Verdi, de Duitse vakbond in de openbare diensten, heeft weliswaar een eigen beleid voor arbeidsduurverkorting en kan uitstekende realisaties voorleggen. Maar het blijft bij bijkomende eisen. De kwestie van de arbeidsduur blijft nog binnen het kader van de loononderhandelingen. Men staat nog ver van discussies over een andere sociale arbeidsorganisatie en arbeidsherverdeling door arbeidsduurverkorting.

       Nochtans zijn de vakbonden natuurlijk de belangrijkste organisaties, waarvan de leden, de functionarissen en de leiders, voor dergelijk project moeten gewonnen worden. Hun bekwaamheid om de werkersbelangen te formuleren en hun organisatorische kracht zijn tenslotte onontbeerlijk om acties te ontwikkelen.

       Van de twintig miljoen bedienden in alle sectoren samen is maar een klein percentage georganiseerd en slechts een deel ervan is syndicaal bewust.

       De sociale organisaties zouden de belangstelling voor arbeidstijdverkorting moeten ontwikkelen in de zieken- en zorgsector. Deze sector kampt met te krappe middelen. Een betere financiering moet worden afgedwongen om hun steun te bekomen. Dat heeft geen direct verband met de arbeidstijdverkorting, maar gaat samen met de primaire verdeling van de inkomens en een sterkere belasting van inkomen uit kapitaal. Een programma voor de uitbreiding van de openbare investeringen is nuttig en noodzakelijk als politiek kader voor de arbeidsduurverkorting.

       Sociale organisaties en kerken zouden als vertegenwoordigers van een algemene humanistische levensvisie eveneens kunnen gewonnen worden voor een project van arbeidsduurverkorting en –herverdeling:

  • Voor het wegnemen van de dagelijkse stress en meer beschikbare tijd voor hun leden en voor de hele bevolking in het algemeen.
  • Om de verarming door werkloosheid en lage lonen in te dijken.
  • Voor een decommercialisering van de sociale verhoudingen.

       De organisaties van ouders en studenten, van sport en cultuur, zouden eveneens kunnen gewonnen geworden voor een beperking van de arbeidstijd en werklast, waardoor de mensen over meer vrije tijd kunnen beschikken.

       Deze opsomming kan zeker nog worden aangevuld.

Horizonten voor invoering en doorvoering

De economische en organisatorische invoering van arbeidsduurverkortingen moet in een eerste fase de arbeidsduur verminderen van 40 naar 35 uur, en in een tweede fase van 35 naar 30 uur. Een jaar pauze daartussen is minstens nodig voor opvolging en consolidering.

       Vooraleer een dergelijk project tot een massale campagne kan uitgroeien, is er nood aan een brede en intensieve bewustmaking van activisten en organisaties, een consensus rond een gemeenschappelijke visie en de uitbouw van hun netwerken. Dat vergt zeker meer dan een jaar tijd. Daarop volgt het moeizame werk om de tot nu toe passief gebleven voornaamste belanghebbenden te overtuigen. Pas daarna kan men politieke druk uitoefenen door openbare acties. Voor dit alles kan men de noodzakelijke tijd nog niet berekenen. Maar zoals de redding van de banken aantoont, kan het af en toe ook razend snel gaan. Dat hangt af van de kracht van de beweging en het inzicht van de burgerij en hun trawanten in de bedreiging van hun belangen. De kern ligt dus in de ontwikkeling van een zelfstandige beweging.

Jörg Miehe verricht sociologisch onderzoek aan het Ursula Möllenberg Instituut te Gelsenkirchen. Dit artikel is een ingekorte versie van zijn bijdrage in Marxistische Blätter, 2, 2012, p. 43-50. (www.marxistische-blaetter.de)


[1]     Karl Marx, Inhuldigingsrede van de Internationale Arbeidersassociatie, 1864. Zie http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1864/1864rede.htm.

[2]     Karl Marx spreekt in zijn inhuldigingrede voor de Internationale Arbeidersassociatie over de 10-urenwet in Engeland. Zie ook de 8-urendag en de Novemberrevolutie in 1918 in Duitsland.