Welke identiteit voor de 99 %?

Auteur: 
Dirk Van Duppen

Bedenkingen bij het boek Identiteit van Paul Verhaeghe

Neoliberalisme maakt ziek

Paul Verhaeghe stelt in zijn klinische praktijk als psychotherapeut een verschuiving vast in de psychopathologie bij zijn patiënten: veel meer depressies, veel meer burn-outs op de werkvloer, meer ADHD, meer sociale angst, meer zogenaamde borderliners enzovoort. De auteur gaat op zoek naar de oorzaken. Hij stelt vast dat de maatschappelijke en sociale omstandigheden in belangrijke mate het psychisch welbevinden van de mens bepalen. “Nooit had de westerse mens het zo goed, nooit voelde hij zich zo slecht”, schrijft de psychoanalyticus in zijn pas verschenen boek Identiteit[1]. De oorzaak hiervan is volgens Paul Verhaeghe de afbouw van de westerse verzorgingsstaat door het neoliberalisme de voorbije dertig jaar. Neoliberalisme betekent allesoverheersend marktdenken, competitie, egoïsme, prestatiedruk en winstmaximalisatie. Neoliberalisme leidt tot de rank and yank-strategie van het Amerikaanse bedrijfsleven. De besten mogen blijven; begrijp: zij die het meeste geld opbrengen. Wie minder presteert, moet eruit. De auteur beschrijft de nefaste gevolgen van de toepassing van deze neoliberale meritocratie op de werkvloer, in de zorgsector, in het academisch onderzoek en in het onderwijs. De neoliberale maatschappij maakt mensen ziek. Ze ondermijnt een identiteit gebaseerd op empathie, altruïsme, solidariteit en sociale cohesie onder de mensen.

Verhaeghe grijpt onder meer naar het werk van de Britse epidemioloog Richard Wilkinson om zijn stellingen met hard cijfermateriaal te onderbouwen. Wilkinson toont met een overvloed aan wetenschappelijk onderzoek aan dat de toenemende ongelijkheid van vandaag, een gevolg is van het neoliberalisme en samengaat met de verslechtering van de gezondheid en van het welzijn van de mensen in de maatschappij.

Paul Verhaeghe verklaart in Identiteit deze fenomenen ook vanuit nieuwe bevindingen in de neurowetenschappen zoals de spiegelneuronen, die de neurocellulaire basis vormen voor empathie. Hij baseert zich onder andere op het onderzoekswerk van de wereldbefaamde primatoloog Frans de Waal om te stellen dat de mens evolutionair een sociaal groepsdier is.

Paul Verhaeghe stelt terecht dat het neoliberalisme een heruitgave is van het sociaal darwinisme. Hij vermeldt als voorbeeld het werk van de Britse psychiater Dalrymple, intellectuele inspirator van Bart De Wever, die de armen zelf de schuld geeft van hun miserie. Dalrymple pleit in de sociaal-darwinistische traditie voor de afbraak van de verzorgingsstaat, want die pampert de armen veel te veel in hun misgroeide levenssituatie. Deze argumenten dienen vandaag voor De Wever als morele rechtvaardiging van de toenemende afbraak van de sociale bescherming naar Duits model.

De psychologisering van Sigmund Freud
of de klassenstrijd van Karl Marx

Als psychoanalyticus grijpt Paul Verhaeghe in zijn boek ook terug naar de denkbeelden van Sigmund Freud en de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan. Daar heb ik het moeilijk mee. In hun boek Intellectueel bedrog. Postmodernisme, wetenschap en antiwetenschap (EPO 1999) maken Alan Sokal en Jean Bricmont brandhout van de postmodernistische schrijfsels van Jacques Lacan. Op de vooravond van de algemene staking van 31 januari 2012 tegen het inleveringbeleid van de regering stelde Paul Verhaeghe in een lezing in de Gentse Vooruit: “Psychoanalytisch beschouwd is de huidige staking niets anders dan automutilatie, de zelfverwonding van een patiënt die alle greep op zijn leven verloren is en dan maar gaat kerven in zijn eigen vlees, net zoals de werkloze hoogopgeleide jongeren in de Franse banlieues hun eigen leefomgeving vernielden.”

Ikzelf heb als staker of als PVDA-militant deelgenomen aan talrijke stakingen. Vandaag zie ik als huisarts ook borderlinepatiënten die in hun huid kerven. Het ene heeft werkelijk niets te maken met het andere. Integendeel, iedere staking is een bewust, weloverwogen strijdmiddel van de werkende bevolking om voor haar rechten op te komen. Iedere staking kost de werknemers veel geld en het doet pijn als de mensen ten gevolge van een staking hun huis niet meer kunnen afbetalen of de studies van hun kinderen niet meer kunnen bekostigen. Maar het is een pijn die verzacht wordt door warme diepmenselijke solidariteit onder de collega’s of van werkers buiten het bedrijf. Een pijn overtroffen door de wetenschap dat de staking voor de werkende klasse een van haar belangrijkste wapens is om het neoliberalistische beleid van afdankingen, afbraak van sociale verworvenheden, privatiseringen, inleveringen enzovoort een halt toe te roepen. “De arbeidskracht is de enige koopwaar die in staat is zelf invloed uit te oefenen op haar prijs via, onder meer, het stakingswapen”, schreef Karl Marx.

Paul Verhaeghe schrijft: “Populistische groepen leggen de schuld bij corrupte leiders, intellectuelen bij ‘het systeem’, politici en economen bij ‘de markten’. Ze vinden elkaar in dezelfde overtuiging: het is allemaal de schuld van De Ander, ikzelf ben alleen maar slachtoffer. Die ander – de allochtoon, de profiterende werkloze, de graaiende bankier, de meedogenloze manager – moet zich aanpassen en dan wordt alles beter. Helaas is die ander niet duidelijk identificeerbaar. Het protest richt zich tegen anonieme molochs (‘de banken’), waarbij zinloos straatgeweld afgewisseld wordt met depressieve doelloosheid. Dit is meteen een spiegelbeeld van de beurs: ofwel ADHD-opverend, ofwel depressie in elkaar zakkend. De bipolaire stoornis (vroeger bekend als ‘manisch-depressief’) is bij uitstek de aandoening van het neoliberalisme. De overtuiging heerst dat de oorzaak buiten ons ligt, met in het kielzog de overtuiging dat ook een oplossing van elders moet komen. Dat er ergens een magische pil bestaat of een nieuwe Führer die ons zonder al te veel eigen inspanning zal verlossen van het kwade. Daarbij verliezen we een fundamentele waarheid uit het oog: zo langzamerhand zijn wij allemaal neoliberaal zowel in ons denken als in ons gedrag.”(p. 230)

Paul Verhaeghe vergist zich mijns inziens wanneer hij de verantwoordelijkheid van de ‘99%’ (de allochtoon, de werkloze) op hetzelfde niveau legt als die van de ‘1%’ (de bankier, de manager), om de begrippen van de Occupy-beweging te gebruiken. Dankzij onder meer de studiedienst van de PVDA zijn de ‘anonieme molochs’ helemaal niet meer anoniem. Het gaat om de grote aandeelhouders en ceo’s van AB-Inbev, ArcelorMittal, Electrabel, Opel, Ford, KBC, Dexia, Fortis, … Ze worden heel concreet beschreven in Hoe durven ze? De euro, de crisis en de grote hold-up, de politieke bestseller van Peter Mertens[2]. Het is verre van afdoend om dit proces te psychologiseren zoals Paul Verhaeghe doet. Het kapitalisme en zijn agressieve vorm, het neoliberalisme, komen niet voort uit de hebzucht of de egoïstische kant van de mens. De concurrentie voor de maximale winst zit wetmatig ingebakken in dit economisch systeem. Wie niet meedraait, vliegt eruit. Het kapitalisme heeft wel de hebzucht en de egoïstische kant van de mens als algemene norm verheven. “De heersende ideeën van een tijd zijn de ideeën van de heersende klasse”, schreef Marx. De bezitters van de productiemiddelen bezitten namelijk ook de middelen voor de productie van de heersende ideologie. Het is dan ook niet te verwonderen dat heel wat gewone mensen, zelf ook slachtoffers van het neoliberalisme, neoliberaal of rechts gaan denken en stemmen.

De klasse-analyse van het sociaal-darwinisme

Ten tijde van Marx en Darwin stelde de burgerij dat de moordende concurrentie in de economie niets anders was dan de strijd voor het bestaan die Darwin in de natuur had ontdekt, maar dan toegepast op de maatschappij. Die ideologie noemde ze het sociaal darwinisme. Volgens de sociaal-darwinisten bestonden er ook superieure en inferieure rassen. Zij verzetten zich tegen iedere vorm van sociale ondersteuning, want dat zou de natuurlijke selectie tegengaan en de gezondheid van het eigen ras of het eigen volk verzwakken. Werklozen bijvoorbeeld waren volgens de sociaal-darwinisten parasieten en luiaards die zelf de schuld droegen voor hun eigen situatie en geen enkele bescherming verdienden.

Ook in dit debat is het werk van Karl Marx en Friedrich Engels een visionaire inspiratiebron. Marx en Engels verwelkomden het werk van Charles Darwin als een onderbouwing van de dialectisch-materialistische natuurbeschouwing. Toch waren ze ook bezorgd over de invloed van het werk van Thomas Malthus op Darwin. Malthus was naast theoloog ook de eerste beroepseconoom die betaald werd door de Oost-Indische Compagnie om traktaten te schrijven die de schuld voor de miserie van de armen bij de armen zelf moesten leggen. Zijn theorie moest ook dienen als rechtvaardiging van het verzet van de Engelse bourgeoisie tegen sociale hulp aan de armen. Volgens Thomas Malthus groeide de bevolking aan een exponentieel tempo, sneller dan de groei van bestaansmiddelen, die lineair zou verlopen. Dat zou leiden tot een overbevolkingscrisis. Alleen een natuurlijke selectie, een rem op de bevolkingsgroei en competitie gebaseerd op het recht van de sterkste konden dit probleem oplossen, aldus Malthus. Sociale, beschermende maatregelen waren not done, want ze zouden de bevolkingsgroei alleen nog doen toenemen. Malthus was zo in feite de grondlegger van een sociaal-darwinisme avant la lettre. Dezelfde Malthus was echter de inspiratiebron voor Darwin en voor zijn theorie van natuurlijke selectie door de strijd voor het bestaan.

Waar Darwin op 22-jarige leeftijd zijn ideeën ontwikkelde op basis van zijn waarnemingen en overpeinzingen tijdens de reis met de Beagle, deed Friedrich Engels op dezelfde jonge leeftijd zijn eerste ideeën op vanuit zijn veldwerk en onderzoek, neergeschreven in De toestand van de arbeidersklasse in Engeland (1845). Toen al viel Engels Malthus aan en weerlegde hij diens theorie als volgt: “Malthus heeft eveneens op zijn manier gelijk wanneer hij beweert dat er steeds overbodige bevolking is en dat er altijd te veel mensen op de wereld zijn; hij heeft pas ongelijk wanneer hij beweert dat er meer mensen zijn dan er met de voorhanden levensmiddelen gevoed zouden kunnen worden. De overbodige bevolking wordt veeleer veroorzaakt door de crisis van overproductie: de concurrentie van de arbeiders onderling, de ten top gevoerde prestaties van ieder afzonderlijk, de arbeidsdeling, de invoering van machines en de exploitatie van de natuurkrachten, maken een massa arbeiders brodeloos. […] Maar deze brodeloze arbeiders raken buiten de markt: zij kunnen niets meer kopen en de vroeger door hen verbruikte hoeveelheid handelswaren wordt nu niet meer verlangd en behoeft dus niet meer geproduceerd te worden. De vroeger bij deze productie betrokken arbeiders worden dus ook weer brodeloos en vallen uit de markt. En zo gaat dat steeds verder, steeds dezelfde kringloop.”[3]

Nog voor hij Karl Marx had leren kennen vatte Friedrich Engels hier in een tiental lijnen de essentie van de marxistische economische analyse en de verklaring voor de crisis samen.

Later pakte Marx ook Malthus aan voor zijn politiek van victim blaming, de slachtoffers zelf de schuld geven van hun miserie. “Intussen is de theorie van Malthus, die graag als natuurwet zo uitgedrukt wordt, dat de bevolking sneller groeit dan de levensmiddelen, de bourgeois des te meer welkom omdat zij zijn geweten tot rust brengt, hem de hardvochtigheid tot morele plicht heeft gemaakt, de gevolgen van de maatschappij tot gevolgen van de natuur heeft gemaakt, en aan de andere kant maakt dat hij de ellende van het proletariaat als diens eigen schuld en straf kan beschouwen. De proletariër kan immers het natuurinstinct door zijn verstand beteugelen en zo door morele waakzaamheid de natuurwet tegenhouden in haar schadelijke ontwikkeling.”[4]

Hedendaagse empirische onderbouwing

Vandaag wordt de bovenstaande analyse van Friedrich Engels over de crisis van overproductie impliciet bijgetreden en onderbouwd met een massa empirische data verzameld door ’s werelds meest gerenommeerde niet-marxistische economen. Ik denk aan nobelprijswinnaar Joseph Stigliz en zijn nieuwste boek The price of inequality[5], Jeffrey Sachs en zijn boek The price of civilization[6] of de hoofdeconoom van de UNCTAD en voormalig Duits viceminister van Financiën onder Schroder I, Heiner Flassbeck, wiens UNCTAD-jaarrapporten van 2010, 2011 en 2012 door Robert Wade, professor in de politieke economie aan de London School of Economics, worden beschouwd als de belangrijkste evidence based kritiek op het neoliberalisme. Deze werken geven eensluidend een hedendaagse wetenschappelijke onderbouwing van de slogan die door de indignados en Occupy Wall Street werd gelanceerd: ‘Wij zijn de 99 %’. De drie economisten komen tot de vaststelling dat gedurende meer dan dertig jaar het aandeel van de lonen in het nationaal inkomen overal en ononderbroken gedaald is. Zeg maar dat er een voortdurend toenemende transfer van meerwaarde heeft plaatsgehad van de wereld van de arbeid naar die van het kapitaal. De drie economisten stellen vast dat het neoliberalisme niet zomaar de kloof tussen arm en rijk heeft doen toenemen. Het is de kloof tussen de 1 % rijksten en de overige 99 % van de bevolking die onophoudelijk is toegenomen. Daar ligt de echte breuklijn in de samenleving. Alle bovenstaande auteurs tonen met actuele harde economische data aan dat precies die ongelijkheid de oorzaak is van de huidige crisis van overproductie, zoals Friedrich Engels in bovenstaande citaat 160 jaar geleden al formuleerde. De concurrentie om de maximale winst, waarbij ieder bedrijf probeert zijn werknemers altijd meer te doen produceren met minder volk en tegen minder loonkosten, leidt op macro-economisch vlak tot een botsing tussen de massale daling van de koopkrachtige vraag, enerzijds, en de toenemende productie(capaciteit), anderzijds, met als gevolg de crisis van overproductie. Alle voornoemde auteurs wijzen erop dat het voortzetten van het neoliberalisme als antwoord op de crisis de nefaste toestand voor de 99 % alleen maar zal verergeren. Het neoliberalisme maakt 99 % van de bevolking ziek.

Evidence based evolutionaire psychologie en marxisme

Paul Verhaeghe schrijft: “Het lijdt geen twijfel dat het egoïstische, het competitieve, het agressieve in de mens zit. Maar het altruïstische, het willen samenwerken, de solidariteit zit evenzeer in ons, en het is de omgeving die beslist welke kenmerken zich dominant manifesteren. Dat is een conclusie die we uit het onderzoek van Frans de Waal over onze nauwste verwanten kunnen trekken. Het belangrijkste verschil met die primaten is dat wij onze omgeving grotendeels zelf maken.” (p231)

De voorbije vijftien jaar heeft gedegen wetenschappelijk empirisch onderzoek in verschillende disciplines geleid tot een nieuw inzicht in de natuur van de moderne mens, namelijk dat die in wezen sociaal is. Een inzicht dat verder gaat dan het onderzoek van Frans de Waal en dat nauw aansluiting vindt bij de ideeën van de Russische marxistische ontwikkelingpsycholoog Lev Vigotsky uit het begin van de jaren dertig van vorige eeuw, die vandaag in de evolutionaire psychologie bijzonder populair zijn.

In 2012 alleen al verschenen over dit thema twee boeken van internationale topwetenschappers: Martin Nowac van Harvard met Supercooperators: The mathematics of evolution, altruism and human behaviour[7] en Mark Pagel met Wired for Culture: The natural history of human cooperation[8]. Ook het onderzoekswerk van Michael Tomasello, codirecteur van het Max Planck Instituut voor evolutionaire antropologie en psychologie in Leipzig, is baanbrekend.[9] Samengevat luidden de hedendaagse wetenschappelijke bevindingen dat niet hebzucht, maar wel altruïsme en gerichtheid op samenwerking in eerste instantie kenmerkend is voor de menselijke natuur. De mens is in wezen een sociaal groepsdier en een slim breindier. Beide kenmerken zitten voor een belangrijk deel evolutionair ingeslepen. De groter evoluerende herseninhoud van de mens bepaalt niet de intelligentie van het individu, maar dient om de koppen bij elkaar te kunnen steken. De herseninhoud is nauw gecorreleerd met het aantal sociale relaties dat de mens onderhoudt. Precies op al die eigenschappen onderscheidt de mens zich van andere groepsdieren. Meer nog, dankzij die kenmerken ontwikkelde de homo sapiens zijn vermogen tot sociaal leren, tot wat genoemd wordt ‘cumulatieve culturele adaptatie’. Die gerichtheid op de ander, dat sterk empathisch vermogen, die drang naar samenwerking leidt tot de ontwikkeling van taal, van een hoger zelfbewustzijn en van onze intelligentie. Het leidt tot de ontwikkeling van werktuigen, van wetenschap en techniek. Met deze vermogens kan de mens imiteren en innoveren. De beste innovaties worden snel geïmiteerd en verspreid. Ze worden doorgegeven van generatie tot generatie, van groep tot groep en van mens tot mens. De mens cumuleert de kennis en cultuur van zijn voorgangers en van zijn medemensen. Die kennis gebruikt hij om de natuur aan te passen aan zijn biologische behoeften. En hij doet dat flexibel en veralgemeend. Vandaar het concept ‘cumulatieve culturele adaptatie’.

Dit kernbegrip in de hedendaagse theorieën over de evolutie van de mens zou Marx destijds de start van het historisch materialisme genoemd hebben. De darwinistische strijd om het bestaan wordt vanaf dat ogenblik bij de mens een strijd om bestaansmiddelen. Eens de mens in staat is om, dankzij zijn vermogen tot cumulatieve culturele adaptatie, die middelen zelf doelgericht te produceren, waardoor hij werktuigen kan maken en wetenschap en techniek kan ontwikkelen, wordt dit een strijd voor de productie en verdeling van die bestaansmiddelen. Met andere woorden, de strijd voor het bestaan wordt bepaald door de economische onderbouw van de menselijke samenleving. Daarom moet men, aldus Marx, om de menselijke moraal te bestuderen vertrekken vanuit die economische onderbouw en niet omgekeerd, vanuit de moraal zelf.

Sinds de landbouwrevolutie zo’n 12.000 jaar geleden slaagt de homo sapiens erin méér te produceren dan nodig is om te overleven en om zichzelf te reproduceren. Sindsdien slaagt de moderne mens erin deze meerwaarde ook te accumuleren. Sindsdien is de drijfveer voor maatschappelijke ontwikkeling de strijd om de productie, verdeling en accumulatie van die meerwaarde, volgens Marx het wezen van de klassenstrijd.

Klassenidentiteit van de 99 %

“Als de omstandigheden zo bepalend zijn voor de mens, laten we dan die omstandigheden meer menselijk maken”, schreef José Saramago. Deze gedachtegang vind je ook als rode draad doorheen het boek van Paul Verhaeghe. “Het belangrijkste verschil met die primaten is dat wij onze omgeving grotendeels zelf maken”, schrijft Verhaeghe terecht. Vertaald naar de situatie van vandaag betekent dat volgens mij dat de 99 % ervan bewust moet worden dat hun belangen botsen met die van de 1 %. Dat de strijd die we nodig hebben een beweging is die de 99 % weet te verbinden en niet te verdelen. Een beweging die solidariteit, wederzijdse hulp en altruïsme onder de 99 % weet te bevorderen en niet concurrentie, individualisme en egoïsme. Een beweging die een emancipatorisch antikapitalistisch wetenschappelijk bewustzijn onder de 99 % kan tot stand brengen en niet een systeembevestigend zoethoudertje. Een beweging die bij de 99 % opnieuw het klassenbewustzijn als de ware identiteit kan oproepen. Zoals Jan Cap, de historische arbeidersleider van de Boelwerf in Temse, dat deed met de keuze van de titel van zijn biografie: In naam van mijn klasse.[10]


[1]  Paul Verhaeghe, Identiteit, 2012, De Bezige Bij, 256 p. ISBN 978-9023473039.

[2]  Peter Mertens, Hoe durven ze? De euro, de crisis en de grote hold-up, 2011, EPO, Antwerpen, 360 p. ISBN 978-9491297137.

[3]  Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland, 1845. Zie: http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1845/toestand/11.htm.

[4]  Karl Marx, Loonarbeid en kapitaal, 1849. Zie: http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1849/1849loonarbeid.htm.

[5]  Joseph Stigliz, The price of inequality, 2012, W.W. Norton Company, New York, 449 p. ISBN 978-0-393-08869-4.

[6]  Jeffrey Sachs, The price of civilization, 2012, Random House Trade Paperbacks, New York, 352 p. ISBN 978-0812980462.

[7]  Martin Nowac, Supercooperators: The mathematics of evolution, altruism and human behaviour, 2011, Canongate Books, Londen, p. 288. ISBN 978-1847673367.

[8]  Mark Pagel, Wired for Culture: The natural history of human cooperation, 2012, Ed. Allan Lane, Pinguin Books, 432 p. ISBN 978-1846140150.

[9]  Voor het werk van Michael Tomasello: http://email.eva.mpg.de/~tomas/.

[10]  Imelda Haesendonck en Jan Vandeputte, Jan Cap – In naam van mijn klasse, 1987, EPO, Antwerpen. Zie ook: http://www.marxists.org/nederlands/cap/in_naam_klasse/index.htm.