De welvaartsstaat, de arbeidskracht als waar en de activering van werklozen en armen

Auteur: 
Daniel Zamora Vargas

Een marxistische kijk op de huidige hervorming van onze sociale zekerheid

In een interview met de krant Le Soir konden we volgende uitspraak lezen van Alexander De Croo (vice-premier, Open VLD) over de hervormingen van de regering: “Wij hebben een concurrentieprobleem en een probleem op het vlak van de arbeidsflexibiliteit. Over de concurrentie hebben velen gezegd dat we moeten kijken naar de grote Duitse hervormingen. En dat is precies wat we doen.”[1] Vincent Van Quickenborne van zijn kant beweerde dat we al ‘halfweg’ waren. Het ‘Duitse model’ is al snel een van de drukst besproken onderwerpen in Europa geworden. Het zou aan de oorsprong liggen van de zogezegde stabiliteit van de Duitse economie en vormt nu het kernpunt van de economische discussies over mogelijke uitwegen uit de crisis. Maar wat in dat model kan ons helpen om beter de huidige hervorming van ons eigen stelsel van sociale bescherming en de inzet ervan te begrijpen?

       De regering Schröder werkte tussen 2003 en 2005 dit model uit. Zij richtte zich op de grondige herstructurering van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen en sociale bijstand, samen met zeer radicale hervormingen op het vlak van de tewerkstelling, de Hartz-hervormingen. Deze maatregelen maakten niet alleen deels een einde aan de tweedeling zoals die ook in ons stelsel van sociale bescherming bestaat: een verzekeringstak (de sociale zekerheid) en een bijstandstak (vaak de erfgenaam van de liefdadigheidsinstellingen uit het begin van de vorige eeuw). Maar ze hebben ook meer algemeen een proces van vernietiging ingeluid van de sociale zekerheid, die nochtans verondersteld wordt de werknemers te beschermen tegen de ups en downs van de markt. Ze werd beperkt tot slechts een functie: mensen aan het werk zetten, van de arbeidskracht een waar maken. Deze hermodellering van de Duitse sociale staat stond dus in dienst van de hervorming van de arbeidsmarkt om werklozen te verplichten gelijk welke job aan te nemen, zelfs voor lonen die lager liggen dan de werkloosheidsuitkering, wat het aantal working poor explosief heeft doen toenemen.

       Deze twee belangrijke kenmerken – de schepping van laaggekwalificeerde banen en de hervorming van de sociale zekerheid – vormen de kern van de hervorming van de Europese sociale modellen en van de destabilisering van de arbeidsmarkt. De recente maatregelen zetten de arbeidsomstandigheden en de lonen van alle werkers zwaar onder druk, hoewel ze in feite focussen op de werklozen en ‘bijstandstrekkers’. De originaliteit en het belang van de Hartz-hervormingen liggen bijgevolg in de draagwijdte die ze hebben voor alle werkers, ook al waren ze oorspronkelijk bedoeld voor de overtolligen (de werklozen, de armen…). Zo kunnen we beter de complexe maar zeer belangrijke verbanden begrijpen tussen het tewerkstellingsbeleid en het sociaal beleid, tussen de hervorming van de bijstands- en verzekeringsmechanismen en het tewerkstellingsbeleid.

       Deze kwestie is van heel groot belang voor de politieke uitdagingen waaraan de arbeidersklasse de komende jaren het hoofd zal moeten bieden. Met deze hervormingen voor de ‘overtolligen’ heeft Gerhard Schröder het geheel van de loonstructuur gedestabiliseerd en lage lonen kunnen aanhouden. Deze combinatie (de hervorming van de arbeidsmarkt en van de sociale staat) laat toe – zowel in het discours als in de praktijk – een segment van de werkers af te scheiden van de uitdagingen voor heel de arbeidersklasse en de arbeid. Die scheiding maakt het mogelijk zeer harde maatregelen door te drukken zonder sterk sociaal verzet op te roepen. Het gebrek aan interesse voor de ‘bijstandstrekkers’ – en zelfs de vaak conservatieve opvattingen over hen binnen de arbeidersklasse – wordt wellicht een van de centrale uitdagingen voor de sociale bewegingen in de komende jaren. Doorheen die hervormingen willen wij ons eigen model en zijn recente evoluties bestuderen, vooral door onderzoek te doen naar de interne dynamiek van ons sociaal verzekerings- en bijstandssysteem in relatie tot de huidige hervormingen van de arbeidsmarkt. Het is immers niet mogelijk de strijd tegen de werkloosheid en de armoede te begrijpen zonder die te koppelen aan de hervormingen van de arbeid (of de productie van de arbeidskracht) als waar.

       We zetten eerst kort de kern van de Hartz-hervormingen uiteen om duidelijk te maken hoe belangrijk ze zijn en wat ze betekenen voor onze eigen hervormingen, zowel wat betreft het werkloosheids- en bijstandsstelsel als wat betreft het tewerkstellingsbeleid. Tot slot onderzoeken we de uitdagingen die deze hervormingen vandaag met zich meebrengen voor de sociale actoren in België.

Het Duitse ‘model’ en de hervorming van de sociale zekerheid

Het Duitse ‘model’ staat in het centrum van de politieke belangstelling en prijkt bovenaan de agenda van de hervorming van ons stelsel van sociale bescherming. We kennen onze Duitse buur het beste vanwege zijn lagelonenbeleid, maar ook de hervorming van de sociale zekerheid plaatst dat land centraal in de debatten. Het Duitse model beperkt zich niet tot loonmatiging. Het belangrijkste kenmerk is net dat het gericht is op de ‘overtolligen’ (werklozen, armen, werknemers met precaire banen) en niet op de ‘stabiele’ werkers in loondienst. Daardoor heeft het heel de arbeidsmarkt diepgaand gedestabiliseerd, zonder een rechtstreekse reactie uit te lokken van de strijdbaarste en sterkst gesyndiceerde sectoren van de arbeidersklasse.

       De fameuze Hartz-hervormingen willen de sociale bijstand en de werkloosheidsuitkeringen op een nooit geziene manier herleiden tot één stelsel. Want in werkelijkheid fuseren ze de uitkeringen aan langdurig werklozen en de sociale bijstand tot één inkomen van 382 euro per maand. Het vorige stelsel telde drie takken.

       De werkloosheidsuitkering (Arbeitslosengeld) werd gefinancierd met de bijdragen van werknemers en werkgevers en bedroeg 60 % van het laatste nettoloon (vandaag is die uitkering beperkt tot maximum 12 maanden). Daarna had de werkloze recht op werkloosheidsbijstand (Arbeitslosenhilfe). Die verschilde van de werkloosheidsuitkering doordat ze gefinancierd werd uit de belastingen, onbeperkt in de tijd werd uitgekeerd ingeval van onvoldoende inkomen en 53 % van het vorige inkomen bedroeg. Dit garandeerde de verworvenheden uit de beroepsloopbaan aangezien van de werkloze niet kon geëist worden dat hij gelijk welke baan aannam.[2] Tot slot was er de sociale bijstand (Sozialhilfe), het ‘ultieme sociale vangnet’[3], dat bestond uit een soort gegarandeerd universeel inkomen, gefinancierd uit de belastingen en door de gemeenten; het is te vergelijken met het Belgische OCMW.

       De laatste fase van de Hartz-maatregelen (Hartz IV) heeft de werkloosheidsbijstand en de sociale bijstand gefuseerd tot één uitkering die niet langer in verhouding staat tot het vorige loon. Het werd een vaste som (382 euro), gekoppeld aan de voorwaarde om om het even welke baan te aanvaarden. Die maatregel maakt na 12 maanden (het tijdstip waarop de werknemer uit de werkloosheidsverzekering valt) een einde aan de tweedeling die normaliter eigen is aan de sociale bescherming: een verzekeringstak en een bijstandstak. Dat komt overeen met ons werkloosheidsstelsel, verbonden met de sociale zekerheid en het OCMW dat aanvankelijk veeleer een gunst aan de ‘armen’ inhield dan een collectief recht zoals in het verzekeringsstelsel. Zodra de Duitse werknemer belandt in de categorie van de ‘langdurig werklozen’ (die gefuseerd is met de categorie werkers die genieten van sociale bijstand), voorziet de Hartz-hervorming zware sancties als hij onderbetaald werk weigert. Vandaag zijn er in Duitsland heel wat van die banen: enerzijds mini-jobs met deeltijdse contracten tegen 400 euro per maand, die de werkgevers vrijstellen van bijdragen maar de werknemers geen recht geven op een ziekteverzekering, een pensioen of een werkloosheidsuitkering, en anderzijds de 1 euro-jobs, de fameuze contracten van ‘openbaar nut’ tegen 1 euro per uur. De ontwikkeling van deze precaire banen en de toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt is dan de noodzakelijke aanvulling voor de activering van de werklozen/armen en meer in het algemeen voor de destabilisering van heel de arbeidsmarkt.

       In feite mikten de hervormingen van de arbeidsmarkt in Duitsland vooral op “een daling van de arbeidskosten, op de ontwikkeling van de lagelonensector om de tewerkstelling van ongeschoolde werkers te bevorderen […], op een breuk met het beleid van vroegtijdige terugtreding van oudere werknemers uit de arbeidsmarkt” en “op een grotere flexibiliteit van de arbeidsmarkt”.[4] Maar het ging lang niet alleen over de ongeschoolde arbeidskrachten. De druk om een baan te aanvaarden en de toenemende concurrentie voor jobs hebben in aanzienlijke mate ook alle andere werkers benadeeld, zowel op het vlak van hun lonen als op het vlak van hun arbeidsomstandigheden. We moeten ons bewust zijn van de impact van zo’n hervorming op de ‘georganiseerde’ arbeidersklasse. Zo verklaarden syndicalisten van IG Metall onomwonden dat “als vandaag iemand zou zeggen dat je 300 uur of meer moet werken om je baan te behouden – dan zouden de werkers dat doen. Puur uit angst voor sociale achteruitgang. Dat is zo erg, echt ongelooflijk.”[5] De hervorming leidt noodzakelijkerwijze tot grote ongerustheid over de eigen toekomst en vermindert aanzienlijk de strijdbaarheid uit angst voor sociale achteruitgang.

       Daarnaast heeft de lagelonensector een aanzienlijk groter aandeel veroverd in de totale tewerkstelling, waardoor hij niet enkel meer ‘gunstig’ is voor de werklozen maar ook de vaste banen verdringt.[6] Het aandeel kleine jobs in de totale tewerkstelling is explosief gegroeid, terwijl de ‘klassieke’ banen de voorbije jaren stagneerden en zelfs daalden. De belangrijkste categorie zogezegde ‘atypische’ banen is die van de ‘mini-jobs’ of ‘400-euro-jobs’. Hun aandeel is gegroeid met 73 % tussen 1996 en 2008 en vooral na 2003 door de invoering van de wet Hartz II, die de uitoefening van een mini-job ter aanvulling van een hoofdbaan vergemakkelijkte. Kijken we naar de verhouding met het geheel van de werkers, dan is het aandeel van de werknemers met zo’n baan gestegen van 10 % in 1996 naar 16 % in 2008.[7] Zo zou “het” aandeel van de zogezegde ‘atypische’ tewerkstelling tussen 1996 en 2008 gestegen zijn van 27 % naar 39 %.[8] 

       De gevolgen van dit beleid zijn bekend: toenemende onzekerheid van de levens- en arbeidsomstandigheden van miljoenen werkers, sterke loonmatiging… Vandaag krijgen niet minder dan 6,2 miljoen werkers een werkloosheidsuitkering II (ALGII) en de meerderheid daarvan heeft een inkomen onder de armoededrempel. De arme werknemers hebben in het algemeen ‘atypische banen’, dat wil zeggen contracten van bepaalde duur, deeltijdse contracten, mini-jobs of uitzendcontracten. Dit lagelonenbeleid viert vooral hoogtij in de dienstensector, waar minder internationale concurrentie heerst (hotels, restaurants en cafés, de bouw, taxidiensten…) en treft vooral vrouwen, migranten en jongeren. Zo ontstaat er een dualisering van de arbeidsmarkt, zowel in termen van statuut als van gender, etnische origine of sociale afkomst. Voor al deze miljoenen precaire werknemers betekende het ‘Duitse model’ een drastische daling van hun levensverwachting op nauwelijks tien jaar tijd: van 77,5 jaar in 2001 tot 75,5 jaar in 2010. Voor de inwoners uit het oostelijk gedeelte van Duitsland loopt de daling nu zelfs op tot 4 jaar (van 77,9 tot 74,1 jaar).[9]

       Het ogenschijnlijke lage werkloosheidscijfer van vandaag is te wijten aan dit beleid. Toch beweren sommige studies dat het nog meer het gevolg is van een gegoochel met cijfers en categorieën dan van een echte daling door de schepping van stabiele, nieuwe banen. Want zodra de werklozen ‘geactiveerd’ zijn door middel van al deze nieuwe complementaire jobs (van minder dan 15 uur per week), worden ze niet langer meegeteld in de officiële statistieken. Een verantwoordelijke van de Arbeitsagentur (vergelijkbaar met onze RVA) uit Hamburg zei in dit verband: “Vandaag zegt de regering dat er ongeveer 3 miljoen werklozen zijn, een echt historisch cijfer. De realiteit is anders. 6 miljoen werkers vallen onder Hartz IV, en dat zijn allemaal werklozen of aanzienlijk precaire werknemers. Het echte cijfer is dus niet 3 miljoen werklozen maar 9 miljoen precaire werknemers.”[10]

       De Duitse sociale staat, die vroeger gebaseerd was op een andere logica, namelijk de logica van decommodificatie[11], moet plaats maken voor een sociaal model ‘op basis van een logica van workfare’[12], een model waarin de prestaties in essentie “mikken op de integratie op de arbeidsmarkt”[13] en dit met verarming en toenemende concurrentie tot gevolg.

leven van een Hartzi[14]

 Het dagelijks leven van de werkers die moeten rondkomen met een uitkering ALG II is bijzonder moeilijk en uitermate gecontroleerd. Een opsomming van de maatregelen en wetten geeft een onvoldoende goed beeld van de administratieve hel waarin die uitkeringsgerechtigden terechtkomen om een bedrag te krijgen dat dan nog onder de armoededrempel ligt. Bovendien werden de verschillende beperkings- en activeringsmaatregelen nog aangevuld met een zeer betwistbare bepaling, die voor de berekening van de uitkering rekening houdt met de inkomsten en het gemeenschappelijk patrimonium. Zo is de toegang tot de uitkering onderworpen aan een ver doorgedreven enquête over de goederen in het bezit van de aanvrager (de waarde van de auto en/of het appartement, de bankrekeningen, de spaarboekjes, de levensverzekering, waardevolle voorwerpen enzovoort).

Strenge controle

Als aanvrager ben je verplicht je rekeninguittreksels over een zeer lange periode (soms tot 6 maand ver) voor te leggen of je wagen te verkopen als de waarde ervan hoger ligt dan 7.500 euro en een minder dure aan te schaffen. Woon je in een ‘te groot’ appartement (ongeveer 45 m² voor een alleenwonende), dan wordt je gevraagd te verhuizen naar een kleiner appartement binnen de zes maanden. In werkelijkheid moet elke vorm van rijkdom zoals levensverzekeringen, juwelen of andere waardevolle goederen alsook je pensioensparen worden opgesoupeerd voor je in aanmerking komt voor een uitkering. Heb je wat gespaard voor je oude dag, dan mag je 200 euro per levensjaar van je spaarcenten behouden. Als je bijvoorbeeld 43 jaar oud bent, mag je 8.600 euro houden. Alles daarboven moet eerst opgeleefd worden vóór je aanspraak kunt maken op financiële steun. Ook het bankgeheim wordt opgeheven voor de aanvragers. Zo kan de Bundesagentur für Arbeit (BA – tewerkstellingsdienst) inlichtingen inwinnen – en zal dat ook doen – over het financiële verkeer op al je rekeningen zonder dat je daarvan op de hoogte wordt gesteld en zonder enige gerechtelijke beslissing. Daarnaast zal alles wat je verkrijgt uit bijkomend werk voor 80 % van je uitkering worden afgetrokken. Tot slot kun je ook nog het bezoek krijgen van ‘sociale inspecteurs’ die uiterst nauwgezet je slaapkamer zullen doorzoeken en in je badkamer zullen tellen hoeveel tandenborstels er staan, om na te gaan of je wel degelijk alleen woont.

Radicale activering

Elke werkweigering wordt bestraft met een vermindering van je uitkering: 30 % de eerste keer, 60 % of 100 % de tweede keer. Een jongere van minder dan 25 jaar verliest vanaf de eerste weigering zijn totale uitkering. Je bent dus verplicht de 1 euro-jobs ‘van openbaar nut’ te aanvaarden die, ingeval ze een betaalde activiteit inhouden, niet zijn opgenomen in de arbeidswetgeving. Je hebt ook geen stakingsrecht, geen recht op vakantie of sociale bijdragen.

Ontstaan en belang van de sociale staat

De invoering van onze sociale zekerheid na de Tweede Wereldoorlog betekende een revolutie. We kunnen onmogelijk het belang ervan inschatten als we niet begrijpen hoe arbeid onder het kapitalisme tot een waar wordt herleid. Voor een beter theoretisch begrip van de inzet achter de Duitse hervorming van de sociale zekerheid en de hervorming die momenteel in België op de agenda staat, moeten we even teruggrijpen naar deze fundamentele dimensie van de kapitalistische economieën en de economische oorsprong van de sociale zekerheid.

De arbeidskracht als waar en de verarming van de arbeidersklasse

Het kapitalisme is een systeem waarin zelfs de arbeidskracht van de werkers wordt beschouwd als een product, bestemd voor de verkoop en bijgevolg onderworpen aan de wetten van de markt. Het is het enige systeem dat alle aspecten van het sociale leven heeft onderworpen aan de markt. Polanyi[15] merkte op dat er in de geschiedenis altijd samenlevingen zijn geweest met marktmechanismen, maar daar waren de economische verhoudingen ‘ingebed’ in de sociale verhoudingen van religieuze of politieke aard. De economische activiteit en de commodificatie waren bijgevolg niet de centrale en fundamentele motivatie. “Omdat de mensen en de natuur – versta hieronder de arbeid en de grond – worden beschouwd als waren (zelfs in abstracte zin) in een zelfregulerend marktsysteem, onderworpen aan het prijsmechanisme, werd de samenleving zelf onderworpen aan de markt. Een markteconomie kan enkel bestaan binnen een ‘marktmaatschappij’, een maatschappij de economie vorm geeft aan de sociale verhoudingen.”[16] Deze logica vooronderstelt namelijk een systeem waarin “de essentie van de arbeid wordt uitgevoerd door onteigende werkers die, om toegang te krijgen tot hun bestaansmiddelen en tot werk zelf, verplicht zijn hun arbeidskracht te verkopen voor een loon.[17]

       Toch is deze verhouding tot de markt voor de werker een asymmetrische verhouding, absoluut accidenteel, wankel en zonder enige zekerheid. Die radicale onzekerheid van de werkers die hun arbeidskracht moeten verkopen, wordt bijzonder duidelijk tijdens de industrialisering. Zonder enige garantie dat ze hun arbeidskracht zullen kunnen verkopen, leven deze arbeiders in constante onzekerheid over hun kansen om elke dag de nodige bestaansmiddelen te verkrijgen. Een simpel arbeidsongeval wordt zo een economische catastrofe want het stort het gezin in een situatie zonder inkomen en dus zonder bestaansmiddelen. Alle aspecten van het leven van de werkers zijn onderworpen aan de markt en aan de mogelijkheid om elke dag aan de slag te kunnen.

       Net daarom noemt Marx in zijn Grundrisse de arbeider een ‘virtuele’ arme. Voor hem impliceert “het begrip vrije arbeider dat de arbeider een pauper is: een ‘virtueel behoeftige’”.[18] En hij gaat verder: “hij kan maar leven als arbeider in de mate dat hij zijn arbeidskracht ruilt tegen dat deel van het kapitaal dat het arbeidsfonds vormt. Voor hem is die ruil verbonden met accidentele voorwaarden, zonder enig verband met zijn organisch bestaan. Hij is dus virtueel arm; en vermits de productie op basis van kapitaal almaar meer meerarbeid van de arbeider eist, wordt steeds meer noodzakelijke arbeid vrijgemaakt. Bijgevolg stijgt het risico van de arbeider op verpaupering. Gelijktijdig met de meerarbeid ontwikkelt zich de overbevolking.”[19] Sismondi[20] wees al op dit probleem in de 19e eeuw, toen hij heel scherpzinnig opmerkte dat, hoewel de arbeider “moet leven van zijn arbeid, hij nooit weet wie het product ervan zal kunnen kopen”.[21]

       Voor Marx was de kwestie van de bestaansonzekerheid, de werkloosheid of de armoede dus geen bijkomend aspect van de commodificatie van de arbeidskracht (een toestand waarin de werker zou kunnen terechtkomen voor of na de werksituatie), maar is ze onverbrekelijk verbonden met de onzekere verhouding van de arbeid tot het kapitaal. Marx’ ontdekking van de asymmetrische ruil tussen arbeid en kapitaal en de inherente onzekerheid voor de werker die verplicht is zijn arbeidskracht te verkopen, doet ons op een heel andere manier denken over de verschijnselen armoede en werkloosheid en over het belang van de sociale zekerheid. Vanuit dit standpunt “moeten we armoede kaderen binnen het continue omvormingsproces van de arbeidskracht tot een waar en meer specifiek binnen de onzekerheid en de onderbrekingen van dit continue proces”.[22] Het proletariseringsproces – de omvorming van de arbeidskracht tot een waar – is bij Marx dus essentieel voor een goed begrip van de verarming en voor het antwoord dat het proletariaat op deze omvorming uitwerkt.

De decommodificatie als collectief verzet van het proletariaat

Het is net door de confrontatie met die radicale onzekerheid en die asymmetrische situatie van de markteconomie dat binnen het proletariaat spontaan vormen van collectieve solidariteit tot ontwikkeling komen. Ze streven naar mechanismen die de arbeider bestaanszekerheid geven buiten de wisselvalligheden van de markt om, zoals vakbondskassen voor onderlinge bijstand. Zo stichtten de Brusselse typografen vanaf 1846 een collectieve kas, waarin een bijdrage moest gestort worden voor de “leden die door een totaal gebrek aan werk of zelfs door onvoldoende werk in geldnood zaten”.[23] Er is het voorbeeld van de vakbond van de Gentse spinners en wevers vanaf 1857, die ook in onderlinge bijstand voorzag. Jean Faniel zei hierover dat hun “reglement” voorzag in “de toekenning van hulp aan de leden bij arbeidsongevallen” maar ook bij “elke mogelijke eventualiteit”, een clausule die volgens J. Neuville kon slaan op werkloosheid of staking.[24]

       “Het idee om zich collectief te organiseren om fondsen te verzamelen voor leden in nood of zonder werk ontstaat [dus] lang vóór de oprichting van vakbonden of organisaties die ijveren voor stabiele prijzen.”[25] Het is dus de marktlogica zelf en de enorme onzekerheid die de arbeiders ertoe aanzetten mechanismen te ontwikkelen die al dan niet gedeeltelijk hun inkomen afschermen van de toegang tot de markt. Of om het kernachtig samen te vatten: de decommodificatie, die de arbeidskracht gedeeltelijk losmaakt van de marktlogica.

De welvaartsstaat of de geïnstitutionaliseerde decommodificatie

Talrijke auteurs hebben vanuit die logica de oprichting van de welvaartsstaat gekenmerkt als een beleid van decommodificatie om de werkers minder afhankelijk te maken van de markt en hun enige zekerheid te bieden voor wat betreft de essentiële aspecten van hun bestaan (gezondheid, werk, inkomen enzovoort). De welvaartsstaat betekent een nooit geziene uitbreiding en institutionalisering van mechanismen ten voordele van de arbeidersklasse om hen te onttrekken aan het geweld van de marktverhoudingen. Karl Polanyi verdedigde dit idee in The Great Transformation[26](1944), waarbij hij elk principe van sociale bescherming die doelstelling toedichtte: de werkers losmaken van de wetten van de markt.

       Deze decommodificatiemechanismen worden gewoonlijk gelinkt aan de sociale zekerheid maar we kunnen er ook nog de juridische constructie van de loonarbeid (en al zijn regels die de arbeidsmarkt omkaderen) aan toevoegen, en ook de sociale bijstandsstelsels die uit de belastingen gefinancierd worden.

       “De arbeid is geen waar” was het eerste principe dat in 1944 op de algemene conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) werd goedgekeurd met het oog op een nieuwe definitie van de doelstellingen van de organisatie. Dit eerste artikel is zeer belangrijk omdat het meteen principieel ingaat tegen de centrale logica van het kapitalisme, namelijk de constante omvorming van de arbeid tot een waar. In België werd de sociale zekerheid zoals we ze nu kennen vastgelegd door de Besluitwet van 28 december 1944.[27] De invoering, die vaak wordt toegeschreven aan de verzetsbewegingen in de Tweede Wereldoorlog, kan in essentie beschouwd worden als de inwilliging van de eisen van de arbeidersbeweging in een wereld waarin de communistische revolutie heel wat terrein had gewonnen.

       De omvorming van arbeid tot waar staat centraal in de geschiedenis van de uitbouw van de Welfare State en het loonstatuut, maar ook – en dat is nu net belangrijk – van de geleidelijke afbraak ervan sinds de jaren zeventig. De onderwerping van de arbeidskracht aan de zuivere marktwetten is de spontane logica van het kapitalisme en er wordt hevige politieke strijd gevoerd tegen de mechanismen die deze commodificatie aan banden willen leggen of beperken. Zó moeten we de huidige afbraak van de sociale staat en de arbeidsomstandigheden in Europa bekijken: een beleid van hercommodificatie van de arbeidskracht in een context van veranderde krachtsverhoudingen in vergelijking met de ontstaansperiode van de sociale zekerheid. De precarisering van de tewerkstelling en de omvorming van de Welfare State kan dus niet gescheiden worden van de commodificatie van de arbeidskracht omdat ze is het resultaat van de krachtsverhouding tussen arbeid en kapitaal voor de mate waarin ze de arbeidskracht min of meer tot een waar kan maken.

Van de ommekeer in de jaren 1980 tot de besparingen door de regering Di Rupo

Na de crisis van 1973 zal op elk punt ingaan worden tegen de heersende naoorlogse logica. Deze ommekeer doet zich voor op drie domeinen die wij met elkaar verbinden: de sociale zekerheid, de sociale bijstand en het tewerkstellingsbeleid. Wij kunnen onmogelijk uitgebreid ingaan op de evolutie van de maatregelen die stukje bij beetje onze sociale rechten hebben uitgehold, maar wij zullen de belangrijkste en meest actuele etappes ervan doorlopen.

De jaren 1980, de explosie van de werkloosheid en de overtolligen

De wijzigingen gaan gepaard met een discours dat radicaal de kijk van de samenleving op deze problemen en op de slachtoffers ervan verandert. Dat heeft gedeeltelijk te maken met de crisis van 1973 en de daaropvolgende explosieve toename van de werkloosheid. Zo leidt de crisis zowel in de sociale zekerheid als in de sociale bijstand tot een enorme stijging van het aantal getroffen personen. In 1974 zitten in België 96.933 werkers zonder werk, in 1980 322.310 en in 1987 515.120. Hetzelfde geldt voor de werkers die leven van een bestaansminimum: hun aantal vervijfvoudigt tussen 1976 en 1990.[28] Vandaag zijn zo’n 100.000 mensen afhankelijk van het OCMW, vóór 1973 was dat minder dan 10.000.

Figuur 1. Evolutie van het aantal uitkeringsgerechtigden van het OCMW sinds 1976

Uitkeringsgerechtigden OCMW sinds 1976

Bron: Sarah Carpentier, “Uitdagingen van een activerende bijstand die verkleurde” in: Armoede in de 21e eeuw (dir. Dirk Geldof & Kristel Driessens), Kluwer, Mechelen, 2001, p. 53-80.

Figuur 2. Regionaal werkloosheidspercentage 1975-2004
(uitkeringsgerechtigd volledig werkloos; in % van de verzekerde bevolking)

Regionaal werkloosheidspercentage 1975-2004

Bron: Jaarverslagen van de RVA, 1975-2004. (Zie Faniel, op.cit., 2006)

Die verandering van context heeft een diepgaande invloed gehad op het sociale discours en de sociale beeldvorming ten aanzien van de ‘bijstandstrekkers’. Daar waar het vóór het einde van de jaren zeventig een marginaal probleem betrof, gaat het nu om een groeiend deel van de bevolking. Er duikt dan ook snel een verrassende tegenstelling op: hoewel er minder werk te verdelen valt, wordt almaar meer druk uitgeoefend op de werkzoekers. Minder werk op collectief vlak, meer druk op ‘responsabilisering’ op individueel vlak. En hoewel net de economische evoluties – die zich voordoen buiten de wil van de werkers om – verantwoordelijk zijn voor die situatie, toch moet paradoxaal genoeg het idee van de collectieve verantwoordelijkheid het afleggen tegen de individuele verantwoordelijkheid. Die evolutie bereikt zijn hoogtepunt met de kritiek op de sociale staat, geconcretiseerd in de nieuwe ‘actieve sociale staat’ van Franck Vandenbrouke, geheel in lijn met zijn partijgenoot Tony Blair in het Verenigd Koninkrijk.

       Volgens deze kritiek doen de uitkeringen (voor werkloosheid of van het OCMW) niets anders dan de uitsluiting en de precariteit verzachten, maar ze roeien ze niet uit. Het recht op een uitkering zou een ‘passief’ recht zijn, dat de gerechtigden niet aanzet tot een ‘actieve’ houding om uit de armoede te geraken en zich in de maatschappij te integreren. De literatuur en de intellectuele kritieken die de ‘verzorgingsstaat’ als ‘passief’ beschrijven, worden dus almaar belangrijker en zo groeit geleidelijk het idee dat de uniforme, universele uitkeringen moeten vervangen worden door een aan elk individu aangepaste en met hem onderhandelde actie om hem zijn verantwoordelijkheid te doen opnemen en werk te zoeken. Werk dat dan gezien wordt als de enige garantie voor ‘autonomie’. Die geleidelijke verandering van het discours en de sociale responsabilisering van het individu zijn in beide stelsels heel zichtbaar. Gaandeweg wordt tewerkstelling de centrale functie van beide organismen en dit vaak met onderbetaalde banen tot gevolg.

In het OCMW

Terwijl werkloosheid en armoede de pan uitswingen, wordt de meest ambitieuze hervorming op het vlak van sociale bijstand aangenomen. In 1974 keurt het parlement het bestaansminimum goed en in 1976 de wet op het OCMW die ook vandaag nog bepalend is voor zijn activiteiten. Die wet legt het ‘recht op sociale bijstand’ vast en wil zo komaf maken met de Commissies van Openbare Onderstand die destijds meer weg hadden van liefdadigheidsinstellingen dan van een echte openbare dienst. De originaliteit van de hervorming van 1976 ligt hierin dat zij alle burgers een minimuminkomen garandeert zonder veel voorwaarden. Op dat ogenblik wordt de hervorming opgevat als een etappe in de opbouw van een volledig stelsel van sociale zekerheid. De verandering van perspectief was zo radicaal dat bepaalde specialisten sociaal recht begonnen te dromen van een ‘harmonisering’ van de openbare bijstand en de sociale zekerheid in strikte zin.[29] Het is een radicale uitbreiding van het bijstandsstelsel op basis van de collectieve en universele logica die overheerst in de naoorlogse periode. De socialist Louis Namèche verklaart in het parlement: “Wij houden eraan te benadrukken dat het begrip openbare onderstand moet verbannen worden en daarom bevestigt ons voorstel het recht op sociale bijstand. Wij drukken dit begrip in ons voorstel uit onder de vorm van een verplichting van de openbare macht en niet zozeer onder de vorm van een individueel recht. Maar ik voeg eraan toe dat, volgens ons, dit recht niettemin moet worden beschouwd als een overgangsmaatregel naar een volledig stelsel van sociale zekerheid.”[30] Het einde van de ‘openbare onderstand’ – van de ‘liefdadigheid’ – moest dus onvermijdelijk uitmonden in één enkel stelsel door de samenvoeging van het stelsel van verzekering met dat van bijstandmet een universeler en collectiever dimensie. De discretionaire en individuele dimensie van de vroegere Commissies van Openbare Onderstand moest dus veranderd worden om op termijn te komen tot integratie van de logica van het collectieve ‘recht’, eigen aan het verzekeringsstelsel.

       Maar het resultaat zal tegengesteld zijn aan wat men in 1976 wenste. In plaats van een toenadering tot een stelsel met een universele dimensie en weinig voorwaarden, groeit er almaar meer een normatief stelsel, gekoppeld aan activering door middel van snelle tewerkstelling.

       Vanaf midden de jaren tachtig neemt staatssecretaris van Sociale Integratie Miet Smet de eerste maatregelen in die zin.[31] Zij was van mening dat de strijd tegen de armoede door middel van uitkeringen niet volstond en dat de OCMW’s ook de hefboom van de tewerkstelling moesten gebruiken. In 1993 volgt dan nog het Urgentieprogramma voor een meer solidaire samenleving van de toenmalige minister van Sociale Integratie Laurette Onkelinx. Daarin vinden we onder andere de invoering van een geïndividualiseerd project voor sociale integratie en het overstijgen van de simpele functie van “strikt financiële” hulp.[32] Het nieuwe contract koppelt de sociale bijstand aan een individuele bereidheid tot ‘responsabilisering’ en een eventuele schorsing van de uitkeringen bij niet-naleving van het contract. Het sociale bijstandsbeleid moet op die manier “de gebruikers ertoe aanzetten uit de bijstand te geraken”[33] en geleidelijk het accent leggen op de rol van tewerkstelling, die traditioneel niet tot de centrale taken van het OCMW behoort. De toevloed van jongeren naar het OCMW door de verlaging van de meerderjarigheid in 1990 zal overigens de wil om de rol van de OCMW’s te herdefiniëren versterken om te voorkomen dat deze jongeren – met de woorden van minister Onkelinx – zich zouden “installeren in het circuit van de sociale bijstand” en “het bestaansminimum voor hen een levenswijze wordt” en om “de culturele afhankelijkheid te doorbreken”.[34] Men moet dus van de ‘reddingsboei’ overstappen op de ‘springplank’ naar de integratie en de tewerkstelling. In plaats van zich te verwijderen van de paternalistische openbare onderstand zoals die bestond in het begin van de eeuw, neemt deze eerste hervorming een nauwelijks verhulde normatieve wending. Zo kon men tussen de 22 engagementen in het Integratiecontract van Waver lezen dat de aanvrager zich “gewassen en zorgvuldig gekamd moet aanbieden op de werkplaats, met propere handen en geknipte nagels”; moet “aanvaarden een collega te vervangen in geval van ziekte of aanwezigheid”; dat hij “rustig moet praten en zich niet opwinden in zijn communicatie met zijn directe chef en zijn collega’s”.[35] Tot slot vermeldt het contract “dat er sancties mogelijk zijn als de begunstigde blijk geeft van ‘slechte wil’”.[36] Gelukkig zijn de nieuwe bepalingen in die tijd niet in die zin – in de praktijk – vertaald. Ze weerspiegelen nochtans een terugkeer naar een normatievere rol van de OCMW’s en kennen hun een fundamentele rol van sociaalprofessionele integratie en tewerkstelling toe, iets wat vroeger het voorrecht was van de regionale tewerkstellingsdiensten. Dit perspectief wordt bevestigd door de wet RMI (recht op maatschappelijke integratie) van 2002, die leidt tot de vervanging van het ‘recht op een leefloon’ door een ‘recht op integratie’.[37]

       In dit verband verwijzen we ook naar de substantiële toename van ‘geactiveerde’ personen door middel van ‘artikel 60’ van het OCMW, die het groeiende belang van de tewerkstellingsrol bevestigt zonder dat er veel moet nagedacht worden over de schepping van stabiele banen. In tegenstelling tot wat de OCMW’s soms beweren, gaat het in de artikelen 60 en volgende zelden over kwaliteitsvolle banen die uitmonden in vaste contracten. Vaak komt de aanvrager terecht in een zeer pijnlijk parcours: “arbeid in toepassing van artikel 60, werkloosheid, uitsluiting uit de werkloosheid, terugkeer naar bijstand van het OCMW’, nieuwe tewerkstelling, enzovoort”.[38]

Figuur 3.  Activering op basis van Artikel 60

Activering op basis van Artikel 60

Bron: POD Maatschappelijke Integratie (http://www.mi-is.be/be-nl/studies-publicaties-en-statistieken/statistieken).

De recente richtlijnen voor de OCMW’s lijken geen koerswijziging in te luiden. Integendeel, het ziet ernaar uit dat het regeringsakkoord de logica van 2002 nog verder wil uitdiepen. Zo lezen we dat “de OCMW’s ingeval van toekenning van een leefloon [zullen] verplicht zijn de begunstigde te activeren door hem in te schrijven bij de gewestelijke dienst voor arbeidsvoorziening”. Dit betekent een nieuwe voorwaarde voor het bekomen van sociale bijstand. De OCMW’s riskeren zich nog meer om te vormen tot activeringsagentschappen. Het is niet zonder betekenis dat onze huidige minister van Werk Monica De Coninck (SP.A) voorheen voorzitter van het Antwerpse OCMW was. Haar talrijke verklaringen over de sociale uitkeringsgerechtigden geven ons de indruk dat onze politici terug willen naar conservatievere tijden. De mensen moeten “bij de kraag” gevat worden, ze moeten “met de stok en de wortel” geactiveerd worden… Niet alleen kleeft ze graag stereotiepe etiketten als “sociaal onaangepast”, “weinig intelligent, te oud, of verslaafd aan alcohol of drugs” op sommige werkers, ze stelt ze ook graag tegenover die werkers “die vroeg opstaan”. Haar discours maakt de goede oude tegenstelling tussen goede en slechte armen weer actueel. Haar doortastende methodes aan het hoofd van het OCMW in Antwerpen spreken voor zich: “Je kunt gemakkelijk controleren of iemand misbruik maakt van het stelsel of niet: je stelt hem gewoon een baan voor. In Antwerpen hebben wij dat zo gedaan. Wij gaven de werkloze die geen werk vond de opdracht zich ’s anderendaags om 8 uur aan te melden om de ramen te lappen. En we gaven hem een week om een baan te vinden in overeenstemming met zijn kwalificaties.”[39] Bij de vorming van de regering aarzelde SP.A-voorzitter Bruno Tobback niet om de aanstelling van Monica De Coninck als minister van Werk te rechtvaardigen door te verwijzen naar haar werk als verantwoordelijke van het OCMW van Antwerpen. En als het regeringsakkoord voorziet om “diegenen bij wie professionele activering niet lukt” sociaal te activeren “door hen tot nuttige sociale participatie aan te zetten”, hebben we des te meer reden bezorgd te zijn over de perspectieven van de sociale uitkeringsgerechtigden. Zulk soort maatregel – als het werkelijk daarover gaat – doet ons terugdenken aan de banen van ‘openbaar nut’ tegen 1 euro per uur in Duitsland…

In het werkloosheidsstelsel

Na de invoering van het bestaansminimum heeft niet het bijstandsstelsel een stap gezet in de richting van de sociale zekerheid maar wel het verzekeringsstelsel dat almaar minder collectief wordt en aan almaar meer voorwaarden wordt onderworpen. In een recent rapport van de Vereniging van Steden en Gemeenten van Wallonië wordt de vraag gesteld of we “niet getuige zijn van een omvorming van de samenleving van een regime van sociale zekerheid naar een regime van sociale bijstand”.[40] In La Libre Belgique snijdt Philippe Defeyt, voorzitter van het OCMW van Namen, hetzelfde onderwerp aan: “Onze sector wordt almaar minder beschouwd als het laatste redmiddel, maar als een vervanging voor de sociale zekerheid.”[41] De toenadering van ons verzekeringsstelsel naar een restrictiever en normatiever stelsel, waarbij de tewerkstelling centraler komt te staan, weerspiegelt de terugkeer naar de commodificatie van de arbeidskracht. Ook de werknemers worden overigens in toenemende mate van het ene naar het andere stelsel doorgeschoven, waardoor ze in beide systemen almaar meer en koste wat het kost naar de arbeidsmarkt geduwd worden.

       De hervorming van de werkloosheidsverzekering van minister van Arbeid en Tewerkstelling Frank Vandenbroucke (SP.A) in 2004 is gebaseerd op dezelfde dynamiek als die van het OCMW. Net zoals het leefloon “wordt de werkloosheidsuitkering niet meer opgevat als een vergoeding voor opgelopen schade – in dit geval het verlies van een baan of de afwezigheid van banen - die inhoudt dat de werkloze de verplichting heeft een gepaste baan aan te nemen, maar als een passieve maatregel die alleen kan worden bekomen als er een intense zoektocht naar werk tegenover staat.”[42] Ook hier zijn de uitkeringsvoorwaarden beperkt en wordt de toegang ertoe bemoeilijkt. De hervorming wil in werkelijkheid de controle van en de druk op de werklozen opdrijven. Om te beginnen geeft de minister de RVA nu toegang tot de gegevens van de instanties die de werklozen moeten opleiden en aan het werk zetten (VDAB Vlaanderen, Forem in Wallonië en Actiris in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Die verandering staat haaks op de uitdrukkelijke wil uit de jaren zeventig om de diensten voor controle en die voor tewerkstelling duidelijk gescheiden te houden.[43]

       Daarnaast kan de RVA met de regelmaat van de klok de werklozen oproepen, niet om na te gaan of ze ‘bereid’ zijn om te werken zoals de klassieke regels voorzien, maar integendeel: nu moeten ze zelf bewijzen dat ze ‘actief’ naar werk zoeken. Tijdens een persoonlijk gesprek moet de werkloze blijk geven van zijn actieve wil om werk te vinden. Worden de voorwaarden niet nageleefd, dan kunnen de controleurs de toegang tot de uitkering tijdelijk opschorten en de werkloze desgevallend een negatieve evaluatie geven, wat kan leiden tot gedeeltelijke of definitieve uitsluiting. Deze evolutie betekent een bedenkelijke omkering van de bewijslast. Het zijn immers de werklozen die, om hun uitkering te behouden, moeten bewijzen dat ze inspanningen doen om werk te vinden, en niet de RVA die moet bewijzen dat de werkloze bedrieglijke intenties heeft.[44]

       De huidige hervorming (dalende uitkeringen, verlenging van de wachtperiode, uitbreiding van het criterium ‘gepast werk’…) verhoogt op alle punten de druk op de uitkeringsgerechtigden om hen koste wat het kost naar de arbeidsmarkt te duwen. De kern van deze activeringslogica, die haaks staat op het beleid van strijd tegen armoede en werkloosheid, ligt zo in de almaar duidelijker omvorming van de twee stelsels tot organismen voor tewerkstelling en sociale controle in plaats van reële begeleiding. We zijn hier mijlenver verwijderd van de droom uit de jaren zeventig: een geïntegreerd verzekeringsstelsel naar het beeld van de sociale zekerheid. We evolueren naar een model met almaar vagere grenzen, waarbij de verzekeringsdimensie uit de beginperiode volledig wordt vernietigd.

       De harmonisering naar beneden is ook het gevolg van de constante daling van de sociale minima in beide stelsels. In België roept de huidige evolutie van de werkloosheidsuitkeringen vragen op over de forfaitaire bedragen die van toepassing zijn sinds de hervorming van de degressiviteit van de uitkeringen, goedgekeurd door de regering Di Rupo en van kracht sinds 1 november 2012.

Tabel 1. Maandelijkse bedragen van uitkeringen geldig op 1 november 2012
 

 Alleenstaande 

 Samenwonende 

 Gezinshoofd 

 OCMW

 801,34

 534,22

 1068,45

 Werkloosheid
  (forfait)

 916,24

 483,86

 1090,70

 Armoededrempel 

 973

 

 2044

Samenwonende: je woont samen met een of meerdere personen in een gemeenschappelijk huishouden = bedrag voor een samenwonende persoon.
Alleenstaande: je woont alleen = bedrag voor een alleenstaande persoon.
Gezinshoofd: je hebt een gezin ten laste met minstens één ongetrouwd minderjarig kind = bedrag voor een gezinshoofd.

Zowel de bedragen van het OCMW als de forfaitaire bedragen waarop een werkloze op het einde van zijn parcours nog recht heeft, liggen in België duidelijk onder de armoedegrens. Het verschil tussen het forfaitaire bedrag voor een werkloze en het leefloon is zeer klein. Voor samenwonenden zou het zelfs – volgens de huidige cijfers – lager liggen dan een werkloosheidsuitkering of een uitkering van het OCMW!

       Deze logica maakt dus de facto – na maximum 4 jaar – een einde aan een financieel verschil tussen de beide stelsels. Alexander De Croo (vice-premier Open VLD) verklaarde in Le Soir: “De degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen komt er in feite op neer dat ze worden beperkt tot vier jaar.”[45]Vincent Van Quickenborne van zijn kant zei: “Dankzij deze maatregel verschuift ons land met één klap van de laagste naar de gemiddelde plaats op Europees vlak. Wij springen over landen als Oostenrijk en Denemarken en komen op gelijke hoogte met Duitsland. Voortaan zal elke Belgische werkloze na vier jaar werkloosheidsuitkering het equivalent van het bestaansminimum ontvangen.”[46] Bruno Tobback (SP.A), aanwezig in het VRT-programma De Zevende Dag op 4 november 2012, verklaarde dat het Belgische stelsel neerkwam op wat bestond in andere landen waar de werkloosheidsuitkeringen in de tijd beperkt zijn. Daar worden de werklozen na twee tot vier jaar gewoon ‘overgeheveld’ van de werkloosheid naar een stelsel dat lijkt op ons OCMW, waar ze een ‘leefloon’ ontvangen en niet langer als ‘werkloze’ worden meegeteld. Tobback wees wel op twee verschillen: in ons stelsel worden die werkers wel nog officieel meegeteld als werklozen en aangezien ze dus nog werkzoekend zijn, kunnen ze ‘gemakkelijker geactiveerd’ worden.

       De daling van de uitkeringen heeft maar één doel: nog meer druk uitoefenen op de arbeidsmarkt en de lonen. Dat zal de voorwaarden scheppen voor de eventuele oprichting van één en dezelfde categorie uitkeringsgerechtigden, waarin ‘langdurig’ werklozen en ‘armen’ op één hoop worden gegooid, zonder enig recht op een werkloosheidsuitkering zoals in Duitsland.

De ideologische functie van de ‘responsabilisering’

Om die maatregelen te rechtvaardigen moet je uitgaan van een bepaald type uitkeringsgerechtigde, van een beeld dat te verstaan geeft dat de werklozen en de ‘bijstandstrekkers’ niet willen werken, dat ze zich wentelen in hun ‘afhankelijkheid’. Het wijd verbreide stereotype beeld van ‘luiaards’ en ‘profiteurs’ is in feite nodig om zulke maatregelen te rechtvaardigen zonder dat de publieke opinie hierover moeilijk gaat doen. Zo zegt eerste minister Guy Verhofstadt in zijn regeringsverklaring voor de Kamer en de Senaat op 14 juli 2003 dat “…het dan ook niet langer [kan] dat geld wordt verspild aan diegenen waarvan duidelijk is dat ze helemaal geen zin hebben om aan de slag te gaan.”[47] In tegenspraak met de gemeenplaats dat de politieke elites niet meer doen dan een gevoel verwoorden dat ruim leeft in de civiele maatschappij, is het belangrijk te benadrukken dat soortgelijke stereotypes bewust door onze regeringsleiders worden in stand gehouden, gerecycleerd en constant herhaald om hun antisociale hervormingen te legitimeren. Of het nu gaat om Laurette Onkelinx die in 1993 sprak van ‘culturele afhankelijkheid’ of vandaag de minister van Werk Monica De Koninck die verwijst naar diegenen ‘die bij de kraag moeten worden gevat’, er heerst een consensus over de manier waarop de verworpenen van onze samenleving worden afgeschilderd. Het idee zelf van ‘responsabilisering’ staat in onze ontwikkelde kapitalistische samenlevingen zowel ideologisch als economisch centraal.

       Ideologisch omdat responsabilisering brandhout maakt van de structurele redenen voor het gebrek aan banen en de zeer slechte voorwaarden van een steeds groter aantal jobs. Het is altijd de potentiële werker die voor een oplossing moet zorgen. Hij moet zich aanpassen aan de realiteit van de arbeidsmarkt. De kritische opmerking dat deze markt noodzakelijkerwijze overtollige arbeidskrachten produceert alsook banen die niemand wil tegen de aangeboden voorwaarden kan hij maar beter voor zich houden. De opleidingen en andere voorzieningen, bedoeld om de werklozen te activeren, zijn niet slecht op zich maar zullen niets veranderen aan de economische mechanismen die vandaag precaire jobs, werkloosheid en banenverlies creëren. Responsabilisering wil in werkelijkheid enkel een meritocratische opvatting van onze samenleving weer in ere herstellen, volgens dewelke iedereen ‘vrij en onvervalst zou kunnen concurreren’ met de anderen. In dat licht is responsabilisering dan ook volledig verenigbaar met de heersende neoliberale orde en is bijgevolg niet bedoeld om de ongelijkheden te verminderen maar enkel om er de ‘discriminerende’ gevolgen van te corrigeren (de digitale kloof, het verwerven van ‘tewerkstelbare’ attitudes...). De vermindering van bepaalde ongelijkheden ten aanzien van de arbeidsmarkt zal enkel de mechanismen veranderen die het mogelijk maken te beslissen wie de precaire banen zal krijgen of afgedankt zal worden maar niet de loonstructuur zelf en zijn lage lonen. Wat ze wel zal doen, is onze kijk op onrechtvaardigheid grondig wijzigen. De onrechtvaardigheid zal niet langer kunnen toegeschreven worden aan een stereotype of aan een hindernis op het traject van de werkloze of de arme, maar aan het individu zelf, aan zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. We evolueren dus van collectieve verantwoordelijkheid naar individuele verantwoordelijkheid, naar een opvatting van onrechtvaardigheid, geboetseerd naar het beeld van ons stelsel, waarin de verliezers het enkel aan zichzelf te wijten hebben.

       Economisch omdat responsabilisering het rechtstreekse gevolg is van de ontwikkeling van het kapitalisme sinds de jaren zeventig (de nood aan meer flexibiliteit, autonomie…). Daardoor beschouwen een aantal auteurs de ethiek van ‘responsabilisering’ als een nieuwe vorm van proletarisering (of commodificatie van de arbeidskracht) van grotere delen werkers die door de crisis op het einde van de jaren zeventig overbodig werden. Over deze nieuwe activeringsmodaliteiten zegt de socioloog Gérard Mauger dat ze de werkers een manier van flexibel zijn inprenten, van verantwoordelijk, autonoom, volgzaam enzovoort, kortom van ‘tewerkstelbaar’ zijn.[48] Deze benadering haalt twee fundamentele punten naar voor uit de studie van de moderne productievormen van de werkers en het management van de ‘armen’. Eerst en vooral dat de overheid en haar instellingen zoals de sociale bijstand of de werkloosheidsuitkeringen vandaag een doorslaggevende rol spelen in de productie en reproductie van loonarbeid, aangepast aan de eisen van het kapitaal. Vanuit dit standpunt is “de commodificatie en de omvorming van een passieve arbeidskracht in een actieve arbeidskracht… niet mogelijk zonder de medewerking van de overheid en het overheidsbeleid”.[49] En vervolgens dat deze veranderingen in de schoot van de instellingen van de Welfare State enkel kunnen begrepen worden binnen de noodzaak zelf van de economische arbeidsorganisatie.

Hervorming van de arbeidsmarkt en destabilisering van de loonarbeid

We zouden echter onvolledig zijn als we geen verband zouden leggen tussen de evolutie van ons stelsel van sociale bescherming en het werkgelegenheidsbeleid. Precies dit verband maakt het Duitse model zo belangrijk voor het patronaat. Want inderdaad, het is enkel interessant de druk op de uitkeringsgerechtigden op te voeren in de mate dat er op de arbeidsmarkt nieuwe perspectieven zijn zoals mini-jobs, tijdelijke arbeid of uitzendarbeid. De herstructurering van het uitkeringsstelsel staat dan in dienst van een werkgelegenheidsbeleid, gebaseerd op precaire banen en lage lonen. Zulke hervormingen zullen de concurrentie vergroten en maken dat de werkers zeer precaire banen gaan aannemen die hoegenaamd niet overeenstemmen met hun kwalificaties of verlangens. Op lange termijn zal men dan de werkers kunnen verplichten elke mogelijke baan aan te nemen, ook die waarvoor ze eigenlijk niet in aanmerking komen. De tijd die de werkloze krijgt om een baan te weigeren die hem niet ligt, zal herzien worden naar beneden (nu is dat 6 maanden) en het risico op armoede zal de werkers ertoe verplichten contracten aan te nemen tegen zeer slechte werk- en loonvoorwaarden. Het is precies met dat voor ogen dat we de ‘verstrenging’ van het begrip ‘geschikte werkvoorwaarden’ in de algemene beleidsnota moeten begrijpen.

       Ook al lijken we nog ver verwijderd van het Duitse model, we gaan in elk geval die richting uit. Sinds 2001 stellen we overigens een substantiële verhoging vast van deeltijds werk en een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden. Deeltijds werk klom van 18 naar 24 % van het totaal. Vandaag is 1 op 4 banen deeltijds. Meer dan een miljoen banen in België zijn vandaag deeltijds, vaak onvrijwillig.[50] Het lijkt er dus effectief op dat de relatieve daling van de werkloosheid gebeurd is ten koste van de schepping van stabiele arbeidsplaatsen en dat de weg die Monica De Koninck heeft gekozen om de tewerkstellingsgraad te verhogen, in deze precarisering past. De cijfers komen uit het laatste federale jaarboek over armoede in België, dat vaststelt dat “één op de vijf mensen onder de armoedegrens werkt – deeltijds of voltijds. Een van de factoren is de toename van precaire arbeid”.[51] Ondanks deze nu al zorgwekkende situatie wil de regering ons doen overschakelen naar een hogere versnelling op het vlak van precarisering. In de algemene beleidsnota Werk preciseert Monica De Coninck duidelijk de doelstelling van de regering: “… zal men er met name voor zorgen om de Europese richtlijn betreffende de uitzendarbeid om te zetten. De regering zal, na overleg met de sociale partners, maatregelen nemen om de regelgeving inzake tijdelijk werk, deeltijds werk en overuren te vereenvoudigen en te moderniseren.”[52] De richtlijn legt de Europese lidstaten overigens op “de bestaande beperkingen of het bestaande verbod op uitzendarbeid’ zoveel mogelijk te beperken. Elk verbod of elke beperking moet opnieuw worden onderzocht en gerapporteerd aan de Commissie”. Het gaat er dus duidelijk om van op termijn de toegang tot uitzendarbeid te vergemakkelijken op basis van de flexicurity-logica.

       Het nieuwe akkoord over de modernisering van de uitzendarbeid noemt dan ook het ‘motief van integratie’ een geldige reden om een beroep te doen op uitzendarbeid.[53] In de vorige reglementering kon uitzendarbeid enkel om wettelijk vastgelegde redenen. Voortaan mag een contract van onbepaalde duur voorafgegaan worden door een uitzendcontract. Concreet betekent dit dat voor elke vacante werkplaats van onbepaalde duur eerst uitzendkrachten mogen aangeworven worden zonder verplichting tot aanwerving voor een duur van maximum 9 maanden met dagcontracten. Een onderneming kan bijgevolg een beroep doen op een uitzendkracht tijdens de proefperiode en in geval van een gunstige evaluatie een contract van onbepaalde duur aanbieden. Maar dit verruimt in grote mate de mogelijkheden van uitzendarbeid en de onzekerheid van de werkers. Bovendien ziet het ernaar uit dat onze politieke leiders wel degelijk van plan zijn om ook de overheidssector open te stellen voor uitzendarbeid. Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten Hendrik Bogaert (CD&V) heeft een Koninklijk Besluit in die zin opgesteld. Het voorstel zou zich nu “in het stadium van bespreking tussen de ministeriële kabinetten”[54] bevinden zonder precieze datum voor de eventuele afkondiging.

       Tot slot heeft Johan Vande Lanotte recent voorgesteld het stelsel van dienstencheques uit te breiden naar industrie-arbeiders. Ook al gaat het hier maar om een voorstel, het weerspiegelt duidelijk in welke richting onze politieke leiders denken over de ‘schepping van arbeidsplaatsen’. Meer en meer gaat het de richting van de precariteit uit.

       Voor de werkers vergroot de constante onzekerheid en neemt het risico toe te vervallen in armoede of terecht te komen in een van de bijstandsstelsels (OCMW) om hun inkomen uit werk aan te vullen. Besparen op de overheidsuitgaven is dus niet zo vanzelfsprekend en een versnelde degressiviteit van de uitkeringen is geen oplossing voor het fundamentele probleem van de meerderheid van de werklozen: het gebrek aan banen. Afnemende werkloosheidsuitkeringen dienen tot niets als de last alleen doorgeschoven wordt naar de OCMW’s. Deze evolutie maakt vandaag dat de werkers niet alleen verarmen omdat ze geen werk hebben. Ook de ontwikkeling van nieuwe precaire en slecht betaalde statuten draagt ertoe bij. Vandaag wordt 1 op 5 Belgen (21 % van de bevolking) met armoede bedreigd, wat de belangrijke band onderlijnt tussen de arbeidsmarkt en de verarming van de volksklassen.

       De hervorming van de arbeidsmarkt komt dus zeer duidelijk tegemoet aan de wil om de concurrentie te vergroten. De verbreding van de ‘te activeren’ en te controleren categorieën, de verzwaring van de sancties en de versnelling van de degressiviteit, de verruiming van het begrip ‘gepast werk’… Het zijn even zovele middelen om nog meer druk uit te oefenen op de arbeidsmarkt en de commodificatie van de arbeidskracht nog op te voeren. Het is van belang te begrijpen dat de verplichting en de druk om werk aan te nemen een negatieve invloed zullen hebben op het geheel van de arbeidsvoorwaarden van de andere werkers. Deze kwestie belangt dus niet alleen de ‘werklozen’ of de mensen met een uitkering van het OCMW aan, maar alle Belgische werknemers. Zulke maatregelen zullen aanzienlijk de lonen en de band tussen scholing en arbeid onder druk zetten. De vernietiging van deze band zal tevens leiden tot een grotere concurrentie tussen de arbeiders met als gevolg een waarschijnlijk grotere schaarste aan banen – vooral voor de laaggeschoolde arbeiders. We mogen ons dus niet laten beperken tot een debat over de ‘bijstandstrekkers’ of gewoonweg over de ‘werkloosheid’. We moeten het debat opentrekken en de kwestie aan de orde stellen als een globaal probleem van de wereld van de arbeid en het soort oplossingen dat wij willen voor de werkgelegenheid.

De uitdagingen voor de sociale beweging

Dit zeer beknopte overzicht van de huidige dynamiek op het vlak van de werkgelegenheid en het beleid tegen armoede en werkloosheid mag ons niet afleiden van de fundamentele uitdagingen voor de sociale beweging in de komende jaren. Eerst en vooral moeten we harder strijden om de sterke belemmeringen die in België bestaan tegen de invoering van het Duitse model, in stand te houden. De rol van de vakbonden is hierin bijzonder belangrijk. Want wat wordt in dit verband over het Duitse model gezegd? “Deze wetten wijzen ook op het verlies aan invloed van de Duitse vakbonden”[55], een verlies dat kan verklaard worden door de afkalving van het aantal aangesloten werkers: van 39 % in 1960 naar 35 % in 1990 en 19,3 % in 2009.[56] Ook belangrijk is het feit dat de vakbonden maar schoorvoetend hebben geprotesteerd tegen Schröder, uit angst dat de SPD de verkiezingen zou verliezen en ze met een nog agressievere rechtse regering te maken zouden krijgen. We kunnen alleen maar vaststellen dat de SPD juist door de invoering van zo’n hervorming toch de verkiezingen heeft verloren en dat het met rechts niet ‘erger’ zou geweest zijn. Het belang van de aanwezigheid en de strijd van vakbonden die dit soort hervormingen kunnen tegengaan, is dus een belangrijke les uit de Duitse ervaring. Hetzelfde geldt voor ons model dat steunt op collectieve onderhandelingen per sector en niet per onderneming. Dat laatste is wel meer en meer het geval aan de andere kant van de Rijn. Ook over onze loonindex en het minimumloon (beide onbestaande in Duitsland) moeten we waken.

       Tot slot moeten deze hervormingen ons ook doen nadenken over de belangrijke uitdagingen in theorie en praktijk voor de komende bewegingen. De zeer radicale Hartz-hervormingen combineren de druk op de overtolligen met een destabilisering van alle andere werkers. Als, zoals we hebben gezien, deze combinatie een aanval mogelijk maakt – zowel in woorden als in daden  – op een welbepaald deel van de werkers, op het deel dat volkomen is afgescheiden van de arbeidersklasse, moeten we een gezamenlijke strategie ontwikkelen. Want de verdeeldheid is noodzakelijk voor de doorvoering van zeer harde hervormingen zonder dat er zwaar sociaal verzet uitbreekt. De politieke en syndicale organisaties kunnen de werkers sensibiliseren en de uitdagingen van de overtolligen verbinden met die van de ‘stabiele’ arbeidersklasse. Of ze dat al dan niet doen, zal grotendeels bepalend zijn voor het welslagen van de komende strijd. Zonder eenheid tussen de afzonderlijke geledingen van het proletariaat met hun verschillende uitdagingen, zullen het verzet en de strijd weinig kans maken op een overwinning. Meer dan ooit geldt nu de slogan: ‘Proletariërs van alle statuten, verenigt u !’

Tabel 2. Synthese van de Hartz-hervormingen[57]

Wet

Belangrijkste maatregelen

Hartz I

(23/12/2002)

Hervorming van de dienst voor arbeidsbemiddeling

Oprichting van de PSA (Personal-Service-Agentur), diensten voor de tewerkstelling van personeel, privéagentschappen die samenwerken met de dienst voor arbeidsbemiddeling, die zich richten op de tewerkstelling van werklozen voor uitzendopdrachten.

Uitzendarbeid

·       Afschaffing van de beperkingen op de uitzendarbeid (afschaffing van de maximumduur van 24 maanden, van de noodzaak een hernieuwing van de uitzendopdracht met objectieve redenen te rechtvaardigen, van de wachttijd van drie maanden tussen twee opdrachten).

·       Toelating voor een werkgever om een werknemer voor de duur van 6 maand in te zetten onder arbeidsvoorwaarden die afwijken van de voorwaarden van het vast personeel in loondienst, vastgelegd in het kader van een collectieve arbeidsovereenkomst.

Hervorming van de werkloosheidsuitkering

Verkorting van de aanmeldingsperiode bij een dienst voor arbeidsbemiddeling, werklozen die geen ernstige reden kunnen aanvoeren zijn verplicht een baan aan te nemen over heel het grondgebied en tegen een loon dat lager ligt dan de uitkering; de bewijslast wordt omgekeerd, d.w.z. dat de werkloze voortaan, op straffe van sancties, moet bewijzen dat de aangeboden baan onaanvaardbaar is.

Hervorming van de dienst voor arbeidsbemiddeling

Invoering van opleidingscheques: schepping van een nieuw instrument voor de werklozen.

Hartz II

(23/12/2002)

Hervorming van de gesubsidieerde arbeid: mini- en midi-jobs

De wet versoepelt de bepalingen voor mini-jobs (minder dan 400 euro per maand) en creëert een aanpassingsniveau (midi-jobs) tegen lonen tussen 400 en 800 euro. De plafonnering van het aantal gewerkte uren wordt ook afgeschaft.

Voor de mini-jobs worden de werkgevers volledig vrijgesteld van sociale bijdragen, voor de midi-jobs gedeeltelijk.

Hervorming van de gesubsidieerde arbeid: de NV ‘ik’

Steun aan de oprichting van ondernemingen bestaande uit één persoon.

(Doelpubliek: mensen met een sociale uitkering of werkloosheidsuitkering of de ABM en SAM-programma’s (gesubsidieerde arbeid)

Hervorming van de dienst voor arbeidsbemiddeling

Oprichting van Job Center. Omvorming van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de deelstaten tot ‘één loket’. De bedoeling is de diensten voor arbeidsbemiddeling en de sociale bijstandskantoren die voorheen gescheiden waren, samen te voegen.

Hartz III

(23/12/2003)

Hervorming van de dienst voor arbeidsbemiddeling

Invoering van nieuwe controle-elementen op federaal niveau, uitbreiding van de lokale autonomie, grotere omkadering van de werklozen.

De diensten voor arbeidsbemiddeling worden niet langer bestuurd via centrale richtlijnen maar krijgen een lastenkohier waarvan de uitvoering onder de verantwoordelijkheid van de lokale diensten valt.

Hervorming van de werkloosheidsuitkering

De maximumduur wordt herleid van drie tot twee jaar, met uitzondering van werkers van 55 jaar en ouder, voor hen blijft het drie jaar. De uitkering bestaat voortaan uit een forfaitair bedrag (tot 300 euro per maand). Er is geen band meer met de collectieve arbeidsovereenkomsten.

Hervorming van de gesubsidieerde arbeid

Fusie van ABM en SAM. Verkorting van de maximumduur van gesubsidieerde contracten.

Wetten op de hervorming van de arbeidsmarkt

(24/12/2003)

Versoepeling van de ontslagwetgeving

De drempel voor de bescherming tegen onrechtmatig ontslag wordt opgetrokken van 5 naar 10 personen in loondienst.

Wijziging van de sociale keuzecriteria van werkers in loondienst ingeval van ontslag voor redenen eigen aan de onderneming (economische redenen)

Hervorming van de werkloosheidsuitkering

De maximumduur (32 maanden) wordt gereduceerd tot 18 maanden.

Hartz IV

(24/12/2003)

Hervorming van de werkloosheidsuitkering

Fusie van de sociale uitkering en de werkloosheidsuitkering om te komen tot één categorie die voortaan toegang geeft tot de werkloosheidsuitkering II (ALGII - Arbeitslosengeld II) van 382 euro voor tewerkstelbare personen.

Het verschil met de vorige werkloosheidsuitkering (Arbeitslosenhilfe) is dat de nieuwe uitkering niet meer afhankelijk is van het vorige loon en niet langer het idee van een ‘onaanvaardbare’ baan toelaat. Op die manier vernietigt dit stelsel na 12 maanden (wanneer men valt in het stelsel van de werkloosheidsuitkering II) elke garantie op een band tussen de professionele scholing en de tewerkstelling.

De geschiktheidsvoorwaarden van banen zijn veel strenger in vergelijking met die van de vorige werkloosheidsuitkering. Elk aanbod, met inbegrip van banen tegen een loon dat lager ligt dan vastgelegd in de collectieve arbeidsovereenkomsten, wordt beschouwd als geschikt. De enige beperking is een salaris dat indruist ‘tegen de goede zeden’.

Invoeringen van nieuwe voorzieningen voor integratie in de niet-winstgevende sector: werken van openbaar nut tegen een loon van 1 euro per uur. Deze activiteiten van beperkte duur (6-9 maand) worden in juridische zin niet beschouwd als recht op werk zoals banen, maar vallen in de categorie van aanvaardbare banen voor werkers die een werkloosheidsuitkering II krijgen.

Daniel Zamora Vargas (dzamora66 at gmail.com), socioloog en onderzoeker aan de Université libre te Brussel (ULB).


[1]        Le Soir, Interview met Alexander De Croo, 8 december 2012.

[2]        Mechthild Veil, “Politiques de l’emploi, administration du chômage, placement des chômeurs : le grand chamboulement”, Chronique internationale de l’IRES, nr. 115, november 2008, p. 7.

[3]        Ibid., p. 9.

[4]        Odile Chagny, “Retour sur les réformes du marché du travail en Allemagne”, La Revue de l’IRES, nr. 58, 2008, p. 103.

[5]        Meike Brodersen, Jean Vandewattyne, “La crise et ses effets vus par des syndicalistes allemands de l’IG Metall”, Les Mondes du Travail, nr. 12, november 2012, p. 111.

[6]        Odile Chagny, op.cit., p. 101.

[7]        Eugen Spitznagel en Susanne Wanger, “Flexibilité et différenciation du travail en Allemagne”, Regards sur l'économie allemande, nr.104, 2012, pp.8-9.

[8]        Ibidem.

[9]        Bruno Odent, “C’est un scandale ! Allemagne: le modèle qui réduit l’espérance de vie”, L’Humanité, 13 december 2011. Zie www.humanite.fr.     

[10]       Marc Meillassoux, “Chomage, la face cachée du miracle allemand ». Zie: www.myeurop.info. http://fr.myeurop.info/2011/10/04/chomage-la-face-cachee-du-miracle-econ....

[11]       Decommodificatie: de mogelijkheid om een behoorlijke welvaartniveau aan te houden onafhankelijk van de deelname aan het marktgebeuren. Een gedeeltelijke scheiding tussen inkomen en arbeid. Daardoor worden personen minder afhankelijk van de markt en verwerven ze bestaanszekerheid.

[12]       Mechthild Veil, op. cit., 2008, p. 44.

[13]       Mechthild Veil, “Les lois Hartz, plus qu’une réforme du marché du travail ?”, Chronique internationale de l’IRES, nr. 92, januari 2005, p. 18.

[14]       Lees in dit verband: Stephan M, La vie d’un Hartzi, une dégringolade sociale, op http://allemagne-et-plus.a18t.net.

[15]       Karl Polanyi (1886 Wenen – 1964 Ontario) was een Hongaarse econoom die een alternatief opstelde voor het traditionele kapitalistische denken.

[16]       Ellen Meiksins Wood, L’origine du capitalisme, Lux, Québec, 2009, pp. 35-36.

[17]       Ellen Meiksins Wood, op.cit., p. 4.

[18]       Karl Marx, Œuvres. Economie II, La Pléiade, Gallimard, Paris, 1968, p. 255.

[19]       Ibidem, p. 256.

[20]       Jean Charles Léonard de Sismondi (1773-1842) was een schrijver die vooral bekendheid verwierf met zijn werk over de Franse en Italiaanse geschiedenis en zijn economische ideeën waarbij hij de ongelijke verdeling van de rijkdom aanklaagt.

[21]       Geciteerd door Ken Kawashima, The proletarian Gamble. Korean workers in interwar Japan, Duke University Press, London, 2009, p. 5.

[22]       Ken Kawashima, op. cit., p. 206.

[23]       Citaat uit Jean Neuville, Naissance et croissance du syndicalisme, T.  1, Vie Ouvrière, 1979, pp. 55-57, p. 118.

[24]       Jean Faniel, Les syndicats, le chômage et les chômeurs. Raisons et évolution d'une relation complexe, doctoraatsthesis ULB, Faculteit sociale, politieke en economische wetenschappen – Politieke wetenschappen, 2006, p. 235.

[25]       Ibid.

[26]       Karl Polyani, The Great Transformation: The Political and Economic Origins of Our Time, (1944), Beacon Press, 2001. Zie: http://www.openisbn.com/isbn/080705643X/.

[27]       Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid van de arbeiders. Zie: http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&c....

[28]       Geciteerd door Daniel Dumont in J. Fierens, Droit et pauvreté.Droits de l’homme, sécurité sociale, aide sociale, Bruylant, 1992, p. 143.

[29]       A. Delpérée, “Assistance publique et sécurité sociale”, Revue belge de sécurité sociale, vol. 15, nr. 7-6, 1973, p. 711.

[30]       M. Namèche (PSB), Annales parlementaires, vrijdag 2 juli 1976, p. 4835.

[31]       Pauvreté en Belgique, op. cit., p. 110.

[32]       Pauvreté en Belgique, op. cit., et Daniel Dumont, op. cit., p. 149.

[33]       Abraham Franssen, “Le sujet au cœur de la nouvelle question sociale”, La revue nouvelle, december 2003, nr. 12, p. 29.

[34]       Geciteerd in Daniel Dumont, op. cit., p. 149.

[35]       OCMW van Waver, “Contrat individualisé d’intégration sociale”, Journal du droit des jeunes, nr. 133, 1994, p. 38-39.

[36]       Daniel Dumont, op. cit., p. 167.

[37]       Pauvreté en Belgique, Annuaire 2010, Acco, Leuven, p. 107.

[39]       La Libre Belgique, 24 januari 2012, p. 5.

[40]       Ricardo Cherenti, Les sanctions Onem. Le coût pour les CPAS. Etude 2012, Union des Villes et des Communes, maart 2012.

[41]       Les exclusions du Chomage, les CPAS en ont marre, Mis en ligne le 20/03/2010. Zie: www.lalibre.be.  

[42]       Jean Faniel, op. cit., p. 693.

[43]       Ibid., p. 695.

[44]       Ibid., p. 696.

[45]       Le Soir, 8 december 2012, p. 4.

[46]       Geciteerd in David Pestieau, http://www.ptb.be/nieuws/artikel/cure-damaigrissement-a-lallemande-ou-sa..., 6 november 2012.

[47] Regeringsverklaring van eerste minister Guy Verhofstadt, Brussel, 14 juli 2003, zie: http://archive.verhofstadt.belgium.be/nl/politics/20030714-declar-gov.pdf

[48]       Gérard Mauger, “Les politiques d’insertion, une contribution paradoxale à la déstabilisation du marché du travail”, Actes de la recherche en sciences sociales, Vol. 136-137, maart 2001, p. 13.

[49]       Chris Grover, “Personalised conditionality”: Observations on active proletarianisation in late modern Britain’, Capital & Class, nr. 36, juni 2012, p. 285.

[50]       Van 73.8000 in 2001 naar 1.053.000 in 2010. Statistieken Eurotstat, oktober 2011.

[51]       Armoede in België, Jaarboek 2012.

[52]       Algemene beleidsnota Werk, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 22 december 2011.

[53]       Het nieuwe akkoord treedt in werking op 1 april 2013.

[54]       Laurent Gérard, « Entre ‘flexibilité’ et ‘recul social’, la Belgique tarde à se décider’, La Libre Belgique, 4 december 2012. Zie : http://www.lalibre.be/actu/belgique/article/781809/entre-flexibilite-et-....

[55]       Meike Brodersen, Jean Vandewattyne, “La crise et ses effets vus par des syndicalistes allemands de l’IG Metall”, Les Mondes du Travail, nr. 12, november 2012, p. 109.

[56]       Ibid.

[57]       Opgemaakt op basis van Odile Chagny, “Les réformes du marché du travail en Allemagne”, Revue de l’IRES, nr. 48, 2005, p. 8 et Mechthild Veil, “Les lois Hartz, plus qu’une réforme du marché du travail?” Chronique internationale de l’IRES, nr. 92, januari 2005.