De privatisering van de DDR: een voorbeeld voor Griekenland?

Auteur: 
Herwig Lerouge

Op 13 juli kreeg Griekenland een dictaat opgelegd. Alles staat nu te koop: eilanden, stranden, hotels, kastelen, havens, luchthavens, snelwegen, spoorwegen, olympische infrastructuur. Een Zwitserse luxemakelaar heeft al het eiland Stroggilo, in de buurt van Samos, voor 4,2 miljoen euro aan Johnny Depp verkocht. Hij onderhandelt voor Angelina Jolie en Brad Pitt over Gaia, een van de Ionische eilanden. Hij kocht Aghios Thomas, een eiland in de buurt van Aegina in de Saronische Golf, voor de miljardair Warren Buffett. En de lijst van klanten blijft groeien. En dat zijn nog maar individuen die eigendommen opkopen.

De financiële sector heeft het vooral gemunt op nutsbedrijven zoals de watermaatschappijen en de elektriciteits-, gas- en telecommunicatiebedrijven en op de luchthavens. De Griekse regering werd gedwongen om veertien winstgevende luchthavens verkopen. Dertig deficitaire luchthavens mag ze houden en blijven subsidiëren. De burgemeester van Corfu kan het niet geloven. “Ons eiland met 120.000 inwoners ontvangt meer dan een miljoen toeristen per jaar. Onze luchthaven is zeer winstgevend. Waarom die nu aan buitenlandse handen overleveren?”1

Wie krijgt de controle over die veertien luchthavens? Fraport AG, een Duitse naamloze vennootschap, waarvan de meerderheid van de aandelen in handen is van de stad Frankfurt en de deelstaat Hessen. Eigendommen van de Griekse staat komen dus in de handen van de Duitse staat. De winst van de veertien Griekse luchthavens zal nu de Duitse openbare diensten2 financieren.

De verkoop van de Griekse overheidsactiva moet tegen eind 2017 zo’n 50 miljard euro opbrengen. De helft hiervan zal worden gebruikt om de banken te herkapitaliseren. Een ander deel zal worden gebruikt om de Duitse en Franse schuldeisers te betalen. Wat overblijft is bestemd voor niet-gespecificeerde investeringen.

In 2011 vergeleek Jean-Claude Juncker, toen nog voorzitter van de eurogroep, een informeel orgaan van de ministers van Financiën van de eurozone, de situatie in Griekenland met die in Oost-Duitsland na de hereniging in 1991. Hij legde in het Duitse tijdschrift Focus uit dat “de soevereiniteit van Griekenland sterk zal worden beperkt” door “de golf van toekomstige privatiseringen” voor het bedrag van 50 miljard euro. Hij was ervan overtuigd dat die deze maatregelen “de Griekse kwestie zouden oplossen”.3 Hij verklaarde voorts dat er, naar analogie van de Duitse Treuhandanstalt, een agentschap moest worden opgericht geleid door Europese experts. De Treuhand, zoals het Duitse agentschap meestal genoemd wordt, verkocht tussen 1990 en 1994 ongeveer 14.600 Oost-Duitse ondernemingen.

Dat Griekse privatiseringsfonds, de Hellenic Republic Asset Development Fund, Taiped in het Grieks, is intussen opgericht en het gebruikt inderdaad dezelfde methoden als de Treuhand tijdens de Duitse hereniging.

Wij zijn het volk … gedurende een paar maanden

De val van de Berlijnse muur op 9 november 1989 opende de weg voor de Duitse hereniging. De Duitse Democratische Republiek (DDR), een land met 16 miljoen inwoners, werd na een scheiding van meer dan veertig jaar herenigd met de Duitse Bondsrepubliek (BRD), die 63 miljoen inwoners telde.

Op dat ogenblik rees de vraag hoe het productiesysteem van de DDR kon worden aangepast en geïntegreerd in het geheel van de Duitse economie? De DDR had een ontwikkelde en redelijk omvangrijke industrie en landbouw. Het centrale probleem was het gebrek aan kapitaal om het oude productiesysteem te moderniseren. De bedrijven, de eigendomsrechten en het geheel aan economische activiteiten waren staatseigendom, dus eigendom van de burgers. Dat was tenminste de mening van actievoerders die de communistische regering omvergeworpen hadden onder de slogan “Wij zijn het volk.” De actievoerders die aan de basis van de opstand van 1989 en van de val van de Muur lagen, belegden een rondetafelconferentie waarop ze premier Hans Modrow voorstelden snel een Treuhandgesellschaft (trustagentschap) op te richten, dat erop moest toezien dat de rechten van de DDR-burgers op de openbare eigendommen van de DDR gevrijwaard bleven. Ze waren van mening dat de overdracht van deze eigendommen aan de Duitse staat neerkwam op een onteigening van de burgers. Ze vreesden dat bij de annexatie van de DDR door de Bondsrepubliek de eigendom van het volk verloren zou gaan indien die eigendom staatseigendom worden. De Treuhand moest onmiddellijk aandelen uitgeven en verdelen onder de burgers van de DDR in de vorm van participaties in het kapitaal van de DDR. Eigenlijk een soort volkskapitalisme. Iedereen aandeelhouder!

De regering-Modrow, een coalitie van alle partijen in de DDR, richtte daarom op 1 maart 1990 de Treuhandanstalt op.

Op 18 maart 1990 won de Oost-Duitse CDU echter de – laatste – verkiezingen voor de Volkskammer van de DDR. De West-Duitse regering onder leiding van de christendemocraat Kohl zorgde er snel voor dat de verwachtingen van de DDR-burgers brutaal de kop werden ingedrukt. Nog geen drie maanden later, op 17 juni 1990, nam de nieuwe Volkskammer de Treuhandgesetz aan op de privatisering en de reorganisatie van het staatspatrimonium.

Deze wet bepaalde dat het staatspatrimonium geprivatiseerd moest worden. Dat werd de taak van de Treuhand. Volgens Kohl was de DDR failliet en de economie volledig in het slop. Hij zou met behulp van de Treuhand in enkele jaren van Oost-Duitsland een ‘bloeiend landschap’ maken. De wet maakte een einde aan de dromen van de burgerbewegingen over een volkskapitalisme. De nieuwe politieke leiders en een leger professoren uit West-Duitsland verdrongen zich om op tv te verklaren dat de privatisering van de DDR-staatseigendommen de DDR-burgers zou behoeden voor een ramp. Ze beweerden dat de Oost-Duitse economie waardeloos was en alleen maar schulden had. De DDR-burgers moesten zelfs dankbaar zijn dat ze geen aandelen gekregen hadden, want zo zouden ze niet aansprakelijk gesteld worden voor de schulden.

Door de DDR brutaal de West-Duitse regels op te leggen gaven de Duitse leiders blijk van een ongelooflijke arrogantie. Volgens hen was het Oost-Duitse verleden totaal waardeloos en moest er schoon schip worden gemaakt met veertig jaar geschiedenis. François Bafoil schreef hieover: “Een geheel van verhoudingen op economisch én sociaal vlak, dat tientallen jaren gezorgd heeft voor samenhang en evenwicht in de Oost-Duitse samenleving, werd ontkend. De concentratie van middelen in steeds meer verticaal geïntegreerde kombinaten4 beantwoordde zonder twijfel niet aan de economische realiteit, maar ze werd gedeeltelijk gecompenseerd door de lokale aanpassingen die de uitwisseling verzekerden. In één eenvoudige beweging werd ontkend dat er gedurende tientallen jaren een maatschappelijke samenhang bestond. […] Dat is hetzelfde als beweren dat de ervaringen in Oost-Duitsland waardeloos waren en dat enkel de West-Duitse knowhow telt. Dat is hetzelfde als beweren dat de veranderingen alleen maar konden worden gedecreteerd op een autoritaire manier, zonder rekening te houden met eerdere ervaringen.”5

Het besluit om de DDR-bedrijven niet aan de inwoners over te laten, maar te verkopen aan de hoogste bieder voldeed volledig aan de wensen van de West-Duitse werkgevers, die een massale en snelle privatisering eisten. De werkgevers hadden een heel andere kijk op de waarde van het productieapparaat van de DDR. Een onderzoeksteam van de Bank Schröder, Münchmeyer, Hengst & Co. ging al heel vroeg naar de DDR. De experts verklaarden in hun rapport, dat op 7 februari 1990 in de Frankfurter Allgemeine Zeitung gepubliceerd werd: “De deelnemers aan deze verkennende reis waren enthousiast. Drie kwart van de deelnemers heeft de intentie om bedrijven in de DDR te kopen. Ze denken dat in maximaal tien jaar tijd het bedrijfsleven er zeer winstgevend zal zijn.”

De ingeslagen weg past volledig in de liberale ideologie die de basis vormt van de Europese Unie. “Als de staat de bedrijven had overgenomen om hun activiteiten voort te zetten, zou dat geleid hebben tot enorme problemen op het gebied van de doctrine van het economische beleid en tot talloze concurrentievervalsingen, zowel in het eengemaakte Duitsland als binnen de Europese Unie. Het zou in elk geval de snelle aanpassing van de economie aan de marktwerking hebben tegengewerkt.”6

De Gold Rush: een heel land voor een schijntje van de hand gedaan

De Treuhand wordt dus na 17 juni 1990 omgevormd tot het agentschap dat de eigendommen van het voormalige Oost-Duitsland aan de privésector moet verkopen. Detlev Rohwedder, voorzitter van de raad van bestuur van Hoesch AG en lid van de raad van bestuur van talrijke andere grote Duitse bedrijven, werd de eerste voorzitter. André Leysen, voormalig voorzitter van het Verbond van Belgische Ondernemingen, was de enige buitenlander in het bestuur van de Treuhand. Toen Rohwedder in 1991 werd vermoord, volgde Birgit Breuel, dochter van een bankier en meermaals minister van Financiën in Nedersaksen, hem op.

Er ontstond een echte goudkoorts. Bedrijven, banken, lobbyisten en ambitieuze personen haastten zich naar het oosten, waar er geen wettelijk kader meer was. Wie het eerst komt, het eerst maalt. Het ging zo snel dat Birgit Breuel tijdens een bezoek aan België eind 1992 kon aankondigen dat “de rol van haar organisatie zich zou beperken tot de naleving van de engagementen van westerse investeerders op het vlak van investeringen, onderhoud en werkgelegenheid”.7 Eind 1994, kort voordat de Treuhand werd opgeheven, maakte ze een balans op. “Toen we begonnen, hadden we ongeveer 8.500 staatsbedrijven onder ons. Vandaag, na een uitgebreide herstructurering van onze portefeuille, zijn dat er ongeveer 13.000. Tot op heden hebben we 12.300 bedrijven en business units geprivatiseerd en hebben we er 2.500 gesloten. Duizend bedrijven zullen worden geprivatiseerd. Er blijven dus nog achthonderd bedrijven over om te privatiseren.”8

De privatisering kreeg dan ook de hoogste prioriteit. De Treuhand heeft bijna nooit bedrijven gesaneerd om er daarna openbare bedrijven van te maken. 87 % van de geprivatiseerde industriële bedrijven werd verkocht aan West-Duitse groepen. In het beste geval werden ze dochterbedrijven van West-Duitse ondernemingen. In vele andere gevallen kochten de West-Duitsers deze bedrijven goedkoop op om ze te dan te sluiten en zo concurrenten uit te schakelen of te speculeren met terreinen of gebouwen.

De belangrijkste staalfabrieken van Brandenburg werden volledig platgegooid. De tractorfabriek in dezelfde stad en de wolfabriek bestaan niet meer. De vijfduizend werknemers van Pentacon Dresden produceren geen camera’s meer. Er worden ook geen vrachtwagens meer geproduceerd. Krupp Stahl kocht met staatssubsidies de walserij van Oranienburg, die vervolgens in 1993 werd gesloten. Een Oost-Berlijnse fabriek van verwarmingsinstallaties, tevens een belangrijke uitvoerder van elektriciteitscentrales, met 1.850 medewerkers, ging in 1993 failliet. Zelfs een modern bedrijf als de kalimijn in Bischofferode werd gesloten en de werknemers aan de deur gezet, omdat de West-Duitse multinational BASF de concurrentie uit Oost-Duitsland wilde uitschakelen.

Vaak vroeg de Treuhand niet meer dan een symbolische mark voor de grote bedrijven. Ze vergoedde de nieuwe bazen voor de vermeende sanering van de vervuilde sites en verleende ze investeringssteun en compensaties voor hun verliezen. Vele kopers werden vrijgesteld van de normale routinecontroles op handel en personeel.

Sommigen bestempelen de Duitse economische eenmaking als een vijandige overname, de term die gebruikt wordt wanneer een naamloze vennootschap wil fuseren met een concurrent om die te elimineren en marktaandeel terug te winnen. Nooit heeft een beslissing van de Treuhand schade berokkend aan een West-Duits bedrijf dat op dezelfde markt actief was. Vaak verkoos de Treuhand zo’n bedrijf te sluiten in plaats van het te verkopen aan buitenlandse bedrijven die op dezelfde markt actief waren als concurrenten uit de Bondsrepubliek. Zo liet ze de Oost-Duitse luchtvaartmaatschappij Interflug in 1991 failliet verklaren. Als een Oost-Duits product competitief was en een bedreiging vormde voor westerse concurrenten, dan werd het Oost-Duitse bedrijf gesloten.

De privatisering in de voormalige DDR bezorgde ook de vastgoedspeculanten enorme winsten bij de aankoop van bedrijven en gebouwen. Aangezien de markt verzadigd was, bepaalde de koper de prijs. Vaak werden bedrijven die honderden miljoenen mark waard waren en overheidssubsidies kregen, met grond en gebouwen verkocht voor de symbolische prijs van één mark.

Westerse banken hebben de openbare banken van de DDR kunnen kopen voor het belachelijke bedrag van 412 miljoen euro. In ruil kregen ze de bij de banken lopende leningen voor de aankoop van vastgoed ter waarde van 10 miljard euro en van landbouwcoöperaties ter waarde van 4 miljard euro. De Deutsche Bank verkreeg twee derde van de dochterondernemingen van de staatsbank van de DDR.

Een concurrent uit Oost-Duitsland met een sterke marktpositie was een bedreiging voor de concurrentie en werd geliquideerd. Dat was het geval met Vereinigte Transport AG. Telkens was het resultaat hetzelfde: de uitschakeling van feitelijke of potentiële concurrenten van westerse bedrijven en de vernietiging van de Oost-Duitse productiecapaciteit om de belangen van de West-Duitse industrie te beschermen.

In het beste geval verloren de geprivatiseerde bedrijven hun onafhankelijkheid en werden ze dochterondernemingen of filialen van westerse bedrijven. In 1992 verkeerde meer dan 90 % van de geprivatiseerde ondernemingen in deze situatie. Deze dochterondernemingen waren vaak de eerste slachtoffers in een zwakke economische conjunctuur. Onderzoek en ontwikkeling bleven in het moederbedrijf in de Bondsrepubliek. Omdat in Duitsland de moedermaatschappij belastingen betaalt, droegen de dochterondernemingen vaak niets of veel minder bij aan de financiering van de plaatselijke overheden.

Waar zijn de wuivende graanvelden gebleven?

De grote onteigening van de landbouwsector vond plaats in de periode 1990-1992. Op 3 oktober 1990, aan de vooravond van de hereniging, waren er in de DDR 3.844 coöperatieve boerderijen, Landwirtschaftliche Produktionsgenossenschäfte (LPG), en 464 agrarische staatsbedrijven, Volkseigenen Betriebe (VEB). Ze waren gemiddeld zo’n duizend hectare groot. In de landbouwsector werkten 850.000 mensen, 11 % van de beroepsbevolking, tegenover 4 % in West-Duitsland. Tussen 1989 en 1993 daalde het aantal personen actief in de landbouw en de bosbouw van 923.000 naar 179.000. Vooral de vrouwen, die vaak instonden voor het melken en de verzorging van dieren, werden getroffen. Gediplomeerde kaders verloren echter ook hun baan.

De gronden van de adelijke grootgrondbezitters, de Junkers, en van voormalige nazi’s, die na de landbouwhervorming van 1945 in beslag genomen waren, werden na de hereniging eigendom van de Duitse overheid. De Treuhand verhuurde de gronden in afwachting dat ze werden verkocht. Vele afstammelingen van de voormalige grootgrondbezitters probeerden naar hun woning terug te keren. De Sovjet-Unie had als voorwaarde voor de hereniging gesteld dat de onteigeningen van 1945-1949 niet ongedaan konden worden gemaakt, maar vanaf 1994 konden de grootgrondbezitters toch hun domeinen tegen voordelige voorwaarden terugkopen. De huurders hadden weliswaar een voorkooprecht, maar ze konden de gronden vaak niet betalen.

De regering-Modrow had kort voor de hereniging de volledige eigendomsrechten van de gronden van de coöperaties overgedragen aan de boeren die er werkten. Het parlement van het herenigde Duitsland vernietigde deze maatregel op 14 juli 1992. De LPG werden in 1991 gedwongen zich op te heffen.

Sommige voormalige corrupte leiders van de LPG vormden de landbouwbedrijven om tot nieuwe coöperaties of naamloze vennootschappen en namen de leiding over. Ze vervalsten de balansen, zodat de bedrijven niet op hun werkelijke waarde geschat werden, en zetten de oude medewerkers ertoe aan de coöperatie te verlaten voor een vergoeding ver onder hun normale loon. Zo werden die voormalige kaders, net als in de tijd van de Junkers, eigenaars van de grote landbouwbedrijven! Ze worden dan ook wel eens de rode Junkers genoemd. Ze vonden elkaar terug in het Bauernverband, terwijl kleine boeren vertegenwoordigd werden door de Bauernbund.

Ten tijde van de DDR voedde de landbouwsector alle inwoners van het land. Tien jaar na de eenwording was het areaal landbouwgrond met 20 % gedaald, de runderteelt met 50 % en de varkensteelt met 65 %. Op 1 juli 1990 werd de Duitse mark de officiële munt in de DDR. De West-Duitse distributieketens weerden echter alle Oost-Duitse landbouwproducten. De boeren ontvingen voor hun producten maar de helft of zelfs een derde van voorheen. Vele boeren verloren hun baan of hebben het opgegeven.

Na 1990 stortten tal van speculanten, zonder ervaring, maar met veel geld, zich op de Oost-Duitse landbouwmarkt. De baas van Remondis, een industrieel imperium voor afvalbeheer, kocht in 1994 een groot aantal van de 465 agrarische staatsbedrijven. KTG Agrar, een beursgenoteerde agrarische groep gevestigd in Hamburg, bezit vandaag 32.000 hectare landbouwgrond in Duitsland, vooral in het oosten. Maar ook de familiegroep Lindhorst, specialist in ouderenzorg, de meubelfabrikant Steinhoff en de conservenfabriek Stollenberg, alle gevestigd in het westen, verwierven grote stukken grond. Investeren in gronden is in een periode van lage rente een goede deal. Het maakt geen verschil of ze dienen om voedsel of energie te produceren, de waarde ervan neemt sowieso toe. De Europese subsidies, die berekend worden per hectare, doen de rest.

In Duitsland is farmgrabbing een direct gevolg van de manier waarop de Treuhand de gronden verkocht. De hoogste bieder werd bevoordeeld ten koste van de familiebedrijven; de enorme LPG werden vaak in bulk opgekocht door hun managers. Die bereiken nu de pensioengerechtigde leeftijd en verkopen op hun beurt de gronden aan rijke speculanten.

Tussen 2009 en 2012 steeg de prijs per hectare met 54 % in Brandenburg en met 79 % in Mecklenburg-Voor-Pommeren.9 In de landelijke dorpen is er een transformatie van de landbouw aan de gang die meer is dan een financiële investering. De voorzitter van de regionale afdeling van de Bauernbund vecht tegen deze praktijken, maar moet erkennen dat het praktijken zijn die in het herenigde Duitsland volkomen legaal zijn.

De kalimijnen van Bischofferode, een voorbeeld van verzet

Het is niet zo dat de slachtoffers van de sluitingen, de privatiseringen en de verduisteringen van de Treuhand zich als gewillige schapen naar de slachtbank lieten leiden. De 5.500 werknemers van Büromaschinenwerk Sömmerda in de deelstaat Thüringen gingen in staking en blokkeerden op 2 september 1991 het verkeer. Vijftien dagen later protesteerden de staalarbeiders van EKO Stahl in Eisenhüttenstadt voor het hoofdkantoor van de Treuhand in Berlijn. De arbeiders van de Leunawerke bezetten hun bedrijf. De vakbonden ondersteunden deze acties gedeeltelijk. In totaal vonden er tussen 1990 en 1993 niet minder dan 1.032 protestacties plaats.

IG Metall eiste betrokken te worden bij de beslissingen van de Treuhand, maar die zorgde er voor dat zelfs de regeringen van de betrokken deelstaten bij de uitvoering van de beslissingen uitgesloten werden. Zelfs het federale parlement kon maar één keer de begroting van de Treuhand bespreken en moest voor de rest carte blanche geven. De federale regering beloofde de directie van de Treuhand dat ze zich nooit zou mengen in de beslissingen, ook niet in zeer twijfelachtige beslissingen.

De mijnwerkers van de kalimijn in Bischofferode gingen voorop in het verzet. In 1992 werd beslist dat de kalimijn Thomas Müntzer in Bischofferode in december 1993 zou sluiten. In juli 1993 gingen veertig mijnwerkers in hongerstaking om de sluiting tegen te houden en de zevenhonderd banen te redden. Door de sluiting van de mijn zou immers meer dan de helft van de werkende bevolking van Bischofferode werkloos worden. Een ramp voor deze arme regio in het noorden van Thüringen, waar sinds de hereniging, door de sluiting van spinnerijen, breifabrieken en elektronicabedrijven, 11.000 van de 33.000 arbeidsplaatsen verdwenen waren.

De dag voor de hongerstaking daalden hun vrouwen af in de mijn, 580 meter diep, om ze uit protest te bezetten. De protestantse en de rooms-katholieke bisschoppen schreven een open brief naar Waigel, minister van Financiën. Vele steuncomités van Duitse bedrijven, met inbegrip van de Kruppfabrieken, kwamen hun solidariteit betuigen. Ondanks deze moedige strijd werd de mijn op 31 december 1992 voorgoed gesloten.

In 1993 had – jawel – Goldmann Sachs van de Treuhand de opdracht gekregen om het privatiseringsplan voor de kali-industrie uit te werken. De bank stelde hergroeperingen en fusies voor. De Treuhand sloot vervolgens een overeenkomst met BASF, de enige kaliproducent in West-Duitsland en Europese marktleider, met de belofte om de schulden van de Oost-Duitse mijnen, die geraamd werden op 135 miljoen euro, over te nemen en de nieuwe onderneming 500 miljoen euro steun te verlenen. BASF fuseerde zijn dochteronderneming Kali und Salz (K+S) met Mittledeutsche Kali (MDK), de venootschap die de kalimijnen van de voormalige DDR hergroepeerde. Het kapitaal was voor 51 % in handen van BASF. De Treuhand zou tot 1998 ten minste 49 % van de aandelen in bezit houden. Vier van de dertien mijnen zouden moeten sluiten: drie in het Westen en één in het Oosten. De kalimijn Thomas Müntzer in Bischofferode kwam in het vizier. BASF rechtvaardigde de sluiting door erop te wijzen dat de capaciteit van de mijn door een verzadiging op de wereldmarkt onderbenut was. Volgens K+S was de mijn in Bischofferode de minst rendabele. Volgens de lokale controlecommissie leed de mijn weliswaar verlies, maar was de toestand niet dramatisch. Ze stelde voor om het bedrijf te laten doorlichten door een onafhankelijke audit. De Treuhand weigerde. Zoals ze ook het aanbod van een onafhankelijke contractant weigerde. De mijnwerkers van Bischofferode zijn er nog altijd van overtuigd dat hun mijn moest sluiten om een concurrent uit te schakelen. De mijn was uniek en de productie van hoge kwaliteit, hoewel er een specifieke procedure was vereist tijdens de behandeling. De klanten waren chemische bedrijven in Noord- en West-Europa die concurreerden met BASF, het moederbedrijf van K+S. Het heeft BASF miljoenen gekost om het productieprocédé om te vormen. De mijnwerkers wijzen er ook op dat Kohl in het verleden voor BASF gewerkt heeft.

De winsten werden geprivatiseerd, de verliezen doorgeschoven naar de staat. Twintig jaar later publiceerde de lokale pers van Thüringen een geheim officieel document over de fusie van de Oost-Duitse kalimijnen met K+S. De deelstaat Thüringen betaalt nog altijd 20 miljoen euro per jaar aan K+S voor de sanering van de milieuschade na de sluiting. Ondergrondse ruimten moeten worden opgevuld om aardverschuivingen te voorkomen. Tot nog toe heeft de deelstaat Thüringen al meer dan 400 miljoen euro betaald aan K+S. Volgens K+S moet de deelstaat Thüringen nog 300 miljoen euro betalen voor de sanering van twee gesloten mijnen. Andere deskundigen spreken van twee miljard euro. De overeenkomst werd ondertekend door de toenmalige regionale CDU-regering.

Een gigantische sociale afbraak ...

Dat alles is uitgelopen op de grootste vernietiging van welvaart ooit in vredestijd.

Detlev Rohwedder, de voorzitter van de Treuhand, schatte op 19 oktober 1990 de de waarde van de te privatiseren Oost-Duitse activa op 300 miljard euro. Hij ging ervan uit dat de Treuhand de overheidsactiva met winst zou verkopen, maar het agentschap sloot de boeken met een enorm tekort van 135 miljard euro. Meer dan 400 miljard euro was in rook opgegaan.

In 1990 werkten er vier miljoen Duitsers in de bedrijven die eigendom van de Treuhand waren. De geprivatiseerde bedrijven hadden beloofd om 1,5 miljoen personen in dienst te nemen. Zelfs Birgit Breuel erkende in 1994 dat minstens 20 % van de investeerders zijn verplichtingen niet was nagekomen en dat er kopers waren die bedrijven opkochten om er zich later van te ontdoen en op de vastgoedmarkt te speculeren.

Zelfs als men aanneemt dat 1,5 miljoen mensen inderdaad werk gevonden hebben in de geprivatiseerde bedrijven, dan nog betekent dit dat de Treuhand 2,5 miljoen banen heeft vernietigd. In de voormalige DDR woonde in 2008 maar een zesde van de Duitse bevolking, maar wel de helft van de werklozen.

In het najaar van 1991 produceerde de Oost-Duitse industrie nog maar een derde van vóór 1989. De export, voornamelijk naar de landen van Oost-Europa en de Sovjet-Unie, bedroeg nog maar de helft van twee jaar daarvoor. Maar niet iedereen leed verlies. De export van de West-Duitse bedrijven naar deze regio’s is bijna verdubbeld.

Van 1989 tot 1991 daalde het bruto binnenlands product in de DDR met 44 %, de industriële productie met 65 %, terwijl het aantal werknemers daalde van 8.900.000 naar 6.800.000. Tussen 1990 en 2004 bedroeg de gemiddelde groei 1 %. In 1959 bedroeg het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking in Oost-Duisland de helft van dat in de Bondsrepubliek. In 1991 bedroeg het een derde. Twintig jaar later, in 2009, bedroeg het nog maar twee derden.

Tussen 1989 en 2006 emigreerden 4,1 miljoen Oost-Duitsers. Het aantal onbewoonde huizen wordt geschat op 1,3 miljoen, vooral in de oude industriesteden. De oplossing: de sloop.

... ten laste van de belastingbetaler

De nieuwe monopolisten uit het Westen ontslaan massal werknemers en chanteren de staat met de vraag naar investeringssubsidies. Een directeur van de Treuhand schreef in zijn dagboek dat geen enkele grote Duitse bank ooit een risico heeft gelopen, want de staat stond steeds borg voor elke mark. “Niemand heeft er een probleem mee om de schatkist van de staat leeg te roven of voelt hierbij enige scrupule, want daar gaat het om.”10

De staat bekostigde ook de aanpassing van het productieapparaat en draaide op voor de kosten van de sluiting van de minst winstgevende bedrijven, die geen kopers vonden.

De verkoop van de Oost-Duitse staatseigendommen heeft uiteindelijk slechts 37 miljard opgebracht. De balans van de Treuhand vertoonde na de opheffing een tekort van 135 miljard euro. “We verkopen geen bedrijven, we kopen investeerders”, zei Birgit Breuel.11 Dat gebeurde vaak in een klimaat van corruptie en schandalen. Bestuurders van Siemens, Höchst, Daimler, Thyssen en andere giganten die aan het management van de Treuhand als deskundigen werden voorgesteld, hebben de beste stukjes van de Oost-Duitse taart onder elkaar verdeeld.

Allerlei speculanten konden schaamteloos “misdrijven” begaan omdat ze maar een symbolische mark moesten betalen voor onroerend goed of industrieterreinen in Berlijn, die ze wat later met grote winst doorverkochten. Kopers van bedrijven investeerden voor de schijn om subsidies binnen te halen en verkochten vervolgens het bedrijf onderdeel per onderdeel.

Dieter Vogel, voorzitter van de industriereus Thyssen, werd aangeklaagd voor fraude ten nadele van de Treuhand bij de overname van het Oost-Duitse bedrijf Metallurgiehandel door Thyssen AG Handelsunion. Hij verduisterde 36 miljoen euro door met boekhoudkundige ingrepen te veel te factureren voor de opleiding van werknemers. Het meest spectaculaire schandaal gebeurde bij de overname van een aantal scheepswerven in de Oostzee door het West-Duitse Bremer Vulkan AG. 350 miljoen euro subsidies die bestemd waren voor Oost-Duitse bedrijven werden doorgesluisd naar ondernemingen in het westen.

Een gerechtelijke bron verklaarde dat er tussen 1991 en september 1994 ongeveer 1.800 fraudegevallen werden vastgesteld ten nadele van de Treuhand. Het voormalige hoofd van de juridische afdeling van de Treuhand verklaarde al in september 1992 dat de totale fraudeschade voor de Treuhand kan worden geschat op meer dan 2,2 miljard euro.12

Dat is onder meer de reden waarom de Treuhand zichzelf moest financieren. De inkomsten uit de privatiseringen dienden om de kosten van de herstructurering op te vangen.

De transacties van de Treuhand, onder andere bij de verkoop van de Leunaraffinaderij en de 900 Minol-tankstations, hebben de partijkas van de CDU van Bondskanselier Helmut Kohl gespekt. Het parket in Saarbrücken onderzocht de omstandigheden waarin deze bedrijven in 1992 werden verkocht. Op de factuur van 20 miljard Franse frank die de Franse oliemaatschappij Elf moest betalen, werd zomaar eventjes 340 miljoen Franse frank toegevoegd. Het parket ontdekte dat een groot deel van dat bedrag uiteindelijk in de zwarte kassen van Helmut Kohl belandde. Een getuige verklaarde aan de Franse televisiezender France 2 en aan de Duitse ARD dat de betaling van Elf onmogelijk kon gebeuren zonder de instemming van het Elysée.13 De Franse president François Mitterrand zou Loïc Le Floch-Prigent, de ceo van Elf, overtuigd hebben van de noodzaak om Helmut Kohl te helpen.

De Treuhandwet had ook straffeloosheid toegekend aan de bestuurders bij het beheer van hun zaken. De toenmalige minister van Financiën, Theo Waigel, verleende toestemming om de gebruikelijke voorzichtigheid tijdens de bedrijfsvoering niet na te leven. “We moesten snel optreden.” Een parlementaire onderzoekscommissie over de Treuhand werd ook geconfronteerd met het feit dat 80 % van de documenten van het ministerie van Financiën de stempel “staatsgeheim” droegen.14

Een gouden deal

Op 2 oktober 1990, de dag vóór de Duitse hereniging, hield de grote schrijver Günter Grass, laureaat van de Nobelprijs voor literatuur, een toespraak: “Een gouden deal, genaamd de DDR.” Na de val van de Muur in 1989 bezocht hij het land dat eens de Duitse Democratische Republiek was. Hij wilde dicht bij de mensen zijn en voelen hoe zij zich voelden in dit nieuwe leven. Deze ervaring vormde de basis van zijn boek Een gebied zonder eind, dat in 1995 gepubliceerd werd.15

Grass voert Theo Wuttke op, werknemer van de Treuhandanstalt, en uit harde kritiek op de manier waarop de hereniging gebeurde. Hij beschrijft de Ossies, de Oost-Duitsers, als gijzelaars van het liberale economische model van de Wessies, de West-Duitsers. Volgens hem heeft de monetaire unie ertoe geleid dat het geld van het Oosten wordt besteed aan goederen en diensten uit het Westen. De Oost-Duitse economie bloedt. Hij spreekt van de koopjesjagers uit het Westen, die zich op het Oosten gegooid hebben, zelfs voordat de Treuhand er optrad om de concurrentie van de Oost-Duitse bedrijven te elimineren. “We hebben dat niet eens gezien en tijde van de roofridders”, schrijft hij. Het leger ambtenaren bestempelt hij als een westers koloniaal bestuur dat een veroverd land beheert.

Het boek ontketende een stortvloed aan kritiek in de mainstream media. Bild Zeitung kopte “Grass houdt niet van zijn land” en hekelde de roman als een belediging voor het land. Grass antwoordde: “Deze gewelddadige polemiek tegen mijn boek maakt duidelijk dat ik een taboe heb geschonden. Omdat we altijd het verhaal geschreven hebben vanuit het perspectief van de overwinnaars, koos ik voor mezelf een ander perspectief. Ik schreef vanuit het perspectief van de betrokken mensen.”16

Omdat de winnaars erin geslaagd zijn hun versie door te drukken, hebben ze het economische apparaat kunnen vernietigen zonder massale weerstand. Ze hadden ook de controle over de geesten, omdat alle media uit hun hand aten, ook de tien miljoen dagbladen die in de Duitse Democratische Republiek verspreid werden. De mediabedrijven van de Bondsrepubliek, waaronder Bauer, dat de Europese tijdschriftenmarkt domineert, verwierf titels met een miljoenoplage. De Westdeutsche Allgemeine Zeitung uit Essen verwierf de Thüringer Allgemeine (vroeger Das Volk) uit Erfurt, door de Treuhand geschat op 90 miljoen Duitse mark, voor de miserabele prijs van 1,5 miljoen Duitse mark. De groep groeide daarna in Thüringen uit tot de absolute marktleider met dagelijks meer dan 600.000 verkochte exemplaren.

De Burda Group, de dochteronderneming van Bertelsmann, komt op de markt als Gruner+Jahr en Maxwell Communications. De Frankfurter Allgemeine Zeitung nam vier van de zes dagbladen van de Oost-Duitse CDU en de Boerenpartij over. Springer nam vier van de vijf dagbladen van de liberale partij over. Geen enkele redactie slaagde erin een titel over te nemen. De teams die eind 1989 en 1990 verkozen werden, werden ontslagen. De pers werd, met uitzondering van de Berliner Zeitung, volledig onder de West-Duitse groepen verdeeld. Duitstalige Zwitserse en Oostenrijkse kopers werden systematisch uitgesloten.

De wurggreep op de audiovisuele markt gebeurde door het opleggen van het West-Duitse juridische kader. Op 31 december 1991 werd dat West-Duitse systeem definitief opgelegd. In vijftien maanden werd de politieke controle van de CDU over de omroep in Oost-Duitsland voltrokken. Helmut Kohl stelde Rudolf Mühlfenzl, voormalig redacteur van de Bayerischen Rundfunk en lid van de CSU, aan om de audiovisuele markt in het Oosten te herstructureren. Van de 14.000 medewerkers van de DDR-omroep schoten er eind 1991 maar 5.000 over.

Was de DDR in 1989 bankroet?

Zelfs vandaag nog is de voormalige DDR voor vele West-Duitsers synoniem voor dictatuur en economische ondergang. De bedrijfssluitingen na de hereniging worden in het Westen beschouwd als een gevolg van het slechte beheer in de DDR.

Vele zaken waren inderdaad verouderd en waren aan modernisering toe. En in vergelijking met West-Duitsland was de productiviteit er laag. Maar we kunnen niet spreken van een bankroet. In onze samenleving, waar we alleen maar geconfronteerd worden met bezuinigingen die grote delen van de bevolking treffen, klinkt het misschien raar, maar het sociale beleid van de DDR was sinds het begin van de jaren 1980 te vrijgevig. In de periode 1985-1989 groeide de overheidssteun voor consumptiegoederen die in de DDR geproduceerd werden met 4 %. Maar het bruto binnenlands product nam in dezelfde periode slechts toe met 3,6 %. Het reële inkomen per hoofd van de bevolking steeg nóg sneller, met 4,5 %. De regering wilde stabiliteit en gematigde prijsstijgingen, ondanks de stijging van de loon- en productiekosten. Vele consumptiegoederen werden gesubsidieerd. Zo ontstond een overschot van de koopkracht. Maar de middelen die gebruikt werden om de koopkracht te verhogen, waren niet langer beschikbaar om het productiesysteem, dat niet aan de toenemende vraag kon beantwoorden, voldoende te moderniseren. Het westerse embargo op computertechnologie bemoeilijkte eveneens de modernisering. Dat embargo dwong de DDR de eigen technologie te ontwikkelen. En dat slorpte een enorme hoeveelheid middelen op.

Het maakte van de DDR echter nog geen failliet land. Volgens een rapport van de Bundesbank van augustus 1999 beschikte de DDR in 1989 over monetaire reserves ter waarde van 29 miljard Duitse mark.17 Dat bedrag dekte 59 % van de buitenlandse schuld. De schuld per hoofd van de bevolking bedroeg ongeveer 7.000 Duitse mark. Dat was niet eens de helft van de schuld van West-Duitsland, waard die 15.000 Duitse mark per hoofd van de bevolking bedroeg. Met een bruto binnenlands product van meer dan 16.000 Duitse mark per hoofd van de bevolking stond de DDR in 1988 op de negende plaats in de Europese Gemeenschap, na Engeland, maar voor Spanje. Wat de uitvoer betreft (90 % van de industrie) stond de ze op de zestiende plaats.18

De monetaire unie gaf de economie van de voormalige DDR de genadeslag. Van de ene dag op de andere was, tot een limiet van 6 000 Duitse mark, een Oost-Duitse mark evenveel waard als een West-Duitse. Boven deze limiet gold een tarief van één Duitse mark voor twee Oost-Duitse marken. De wisselkoers bedroeg 4,44 Oost-Duitse mark tegen een West-Duitse. Stel je voor wat er zou gebeuren als de waarde van de euro van de ene dag op de andere zou verviervoudigen tegenover de dollar. Renault zou gedwongen zijn om de auto’s geproduceerd in Europa op de Amerikaanse markt te verkopen tegen 80.000 dollar in plaats van 20.000 dollar. De Europese autoverkoop zou ineenstorten, zowel in de VS als in Europa, en de vraag naar Amerikaanse auto’s zou exploderen. Dat gebeurde er dus in de DDR.

In één dag hebben de Oost-Duitse bedrijven de West-Duitse en Oost-Europese markten verloren. De handel met de Oost-Europese landen verliep tot dan in roebel. De producten uit de DDR werden zo duur dat ze niet meer competitief waren. 70 % van de bedrijven ging failliet. De toenmalige president van de Deutsche Bundesbank zei: “Het was een drastische remedie, geen enkele economie zou het hebben overleefd.”19 Maar Helmut Kohl had de verkiezingen gewonnen met de belofte dat de inwoners van de DDR de Duitse mark zouden krijgen en ‘welvaart voor iedereen’.

Een land gered door westerse financiële transfers?

In de pers wordt beweerd dat West-Duitsland een enorme inspanning heeft geleverd om de DDR herop te bouwen en de levensstandaard van de inwoners op te tillen tot het niveau van de West-Duitse burgers. De enorme financiële transfers naar de nieuwe deelstaten veroorzaakten de zwakke Duitse groei in het begin van deze eeuw. Tussen 1991 en 2003 stroomde ongeveer 800 miljard euro van West-Duitsland naar Oost-Duitsland voor de aanleg van wegen, de betaling van de werkloosheidsuitkeringen en andere sociale uitgaven.

Wat men meestal niet vertelt is dat dit geld grotendeels terugstroomde naar de aandeelhouders van de grote West-Duitse multinationals. De annexatie van de DDR en de DDR-afzetmarkten van voor 1989 leverde massa’s nieuwe consumenten op, in Oost-Duitsland alleen al meer dan 16 miljoen. De banken namen de handel over, Lidl en andere Aldi’s namen de markt van consumptiegoederen over. De aanleg van wegen en gebouwen, het herstel van hele steden en de oprichting van nieuwe industrieën waren volgens Harald Ringstorff, minister-president van de deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren, voor 80 % van de West-Duitse bedrijven uiterst winstgevend. In 1992 berekende het Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung (DIW) dat van “elke 100 Duitse mark uitgegeven aan het oosten voor consumptieartikelen er eigenlijk maar 30,50 Duitse mark in het oosten bleef. De rest ging naar autoproducenten, winkelketens en West-Duitse producenten”.20

Het is dus niet correct om zo maar te spreken over de kosten die West-Duitsland gedragen heeft voor de hereniging. Er is inderdaad de last op de overheidsbegroting, maar er is ook het terugverdieneffect voor de West-Duitse bedrijven. Lutz Hoffmann, voorzitter van het DIW, schreef in 1993: “Omdat de transfers voornamelijk gefinancierd werden door de staat en op grote schaal naar West-Duitsland terugvloeiden in de vorm van aankopen in West-Duitse bedrijven, had het steunprogramma het effect van een massale keynesiaanse stimulans. In de context van een wereldwijde economische vertraging heeft dit bijgedragen tot de realisatie van een bovengemiddelde groei van de West-Duitse economie.”21

Een markt van 16 miljoen consumenten opende zich voor bedrijven uit de Bondsrepubliek. De Duitse centrale bank schatte dat de helft van de groei van het bruto binnenlands product in West-Duitsland te verklaren was door de toename van de uitvoer naar de voormalige DDR. Maar er is meer. Door controle op de grote ondernemingen van de voormalige DDR over te nemen, hebben de West-Duitse multinationals ook de netwerken van de DDR-ondernemingen in Oost-Europa geërfd; goed voor meer dan 100 miljoen consumenten. Deze doorbraak versterkte resoluut de positie van de Duitse industrie. Ze kon nu haar machines exporteren en deze landen goedkope halffabricaten leveren. Dat verklaart de toename van de Duitse export, die steeg van 23,7 %van het bruto binnenlands product in 1997 naar 51,9 % in 2012.22

Het Institut für Wirtschaftsforschung Halle heeft berekend dat de economische productie in West-Duitsland na de Duitse hereniging een nieuwe start kende. De invloed ervan kan op ongeveer 100 miljard euro per jaar worden geschat. In 1997 lag het bruto binnenlands product van West-Duitsland ongeveer 7 % hoger dan wanneer het dezelfde groei zou hebben gekend als tussen 1970 en 1989. Tussen 1980 en 1989 steeg het bruto binnenlands product in West-Duitsland met 1,8 % per jaar. In 1990 met 4,5 % en in 1991 met 3,2 %. Het aantal West-Duitse miljonairs steeg in die periode met 40 %.23

Conclusie: het voordeel dat West-Duitsland en vooral de grote bedrijven uit de hereniging haalden, was veel groter dan de transfer van West-Duits belastinggeld naar de DDR.

De werkgevers zijn het hiermee helemaal eens. Heinrich von Pierer, de toenmalige grote baas van Siemens, zei in Der Spiegel van 13 mei 1996: “In Duitsland hadden we in de jaren negentig tijdens het begin van de hereniging een hoogconjunctuur. In de Verenigde Staten woedde er nog steeds een recessie. Bij ons was het prima.” Dezelfde gedachte is te vinden in een studie van de Duitse centrale bank van hetzelfde jaar: “De West-Duitse economie, vooral in de jaren 1990-1992, heeft veel voordeel gehaald uit de val van de muur. [...] De economische boom resulteerde voor de westelijke deelstaten in een gemiddeld reële groei van iets meer dan 4 %. [...] De actieve bevolking in het voormalige West-Duitsland is de jaren negentig met bijna 1,8 miljoen gestegen.”24

West-Duitsland haalde extra-groei uit de hereniging. Het realiseerde daardoor aanzienlijke bijkomende fiscale inkomsten terwijl de uitgaven deelden. Deze sommen overtroffen de kosten van de van transfers.

Volgens de Italiaanse economist Vladimiro Giacchè werd Duitsland hierdoor zo sterk dat het de onbetwistbare leider van de Europese Unie kon worden.25

Er bestaan nog altijd twee Duitslanden

Een DIW-studie toont dat de kloof tussen de rijke deelstaten in het westen en de arme deelstaten in het oosten door de jaren heen niet echt kleiner wordt. De deelstaten van de voormalige DDR hebben ook veel moeite om hun achterstand in te halen. Een Wessie bezit gemiddelde 94.000 euro tegenover maar 41.000 euro voor een Ossie. De website van Die Zeit geeft de contrasten tussen Oost en West duidelijk weer.26

De meeste inwoners van de voormalige DDR beschikten in 2012 over een jaarinkomen van minder dan 17.800 euro. Het jaarinkomen van de meerderheid van de West-Duitsers loopt op tot 23.700 of zelfs 26.700 euro. In 2013 lag het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking in het westen van Duitsland 50 % hoger dan in het oosten, Berlijn niet meegerekend.

Na 2000 nam de werkloosheid in Duitsland af, maar de verschillen tussen het oosten en het westen zijn niet verkleind. In de voormalige deelstaten van de Bondsrepubliek verminderde de werkloosheid bij de beroepsbevolking van 10 % in 2006 naar 6 % in 2014. In de voormalige deelstaten van de DDR daalde ze in die periode van 20 % naar 12 %, maar ze bleef wel het dubbele.

Sommige sociale verworvenheden daarentegen blijven in de voormalige DDR doorleven. De kinderzorg is nog altijd beter in Oost-Duitsland. In sommige streken kan 63 % van de kinderen onder de twee jaar terecht in een kinderopvang, in het westen nog geen 25 %.

Taiped, de Griekse Treuhand

In Oost-Duitsland kwamen de EU-leiders overeen om een privatiseringsfonds op te richten. In Griekenland hebben ze er ook een opgericht. Taiped is verantwoordelijk voor de verkoop van eigendommen van de Griekse staat aan de hoogste bieders. Dat moet 50 miljard euro opbrengen. Taiped wordt de eigenaar van een woning die op de lijst belandt om te worden geprivatiseerd. Alles gebeurt onder toezicht van de EU, die de directeurs van Taiped aanwijst.

Toen het Nederlandse parlement het hulpprogramma voor Griekenland moest goedkeuren, diende Jeroen Dijsselbloem, voorzitter van de eurogroep, een document in met een lijst van 55 privatiseringen die de Griekse overheid in twee maanden moet doorvoeren. Volgens Okea News geeft de EU koloniale orders: de Griekse overheid moet zich onder andere engageren om de milieueffectenstudies goed te keuren of om barrières die de archeologische diensten opwerpen, uit de weg te ruimen. De EU eist ook dat jachten onder een buitenlandse vlag langer dan twaalf maanden in de Griekse wateren kunnen varen.27

Lokale overheden kunnen geen vergoedingen eisen voor de diensten die ze bieden aan personen die in Griekenland onroerend goed hebben gekocht. Deze personen worden vrijgesteld van belasting op onroerend goed, terwijl die belasting wel met terugwerkende kracht geldt voor de Griekse bevolking.

Wanneer bij een privatisering kosten komen kijken, dan moet Taiped die betalen. Kortom, volkomen in de lijn van de Treuhand.

De geur van corruptie en schandalen rond de Treuhand, waart ook al rond de Griekse versie. Er is een strafrechtelijke procedure gestart tegen leden van de raad van deskundigen wegens verduistering en fraude voor een bedrag van 580 miljoen euro. Ze zouden de verkoop van 28 eigendommen van de Griekse staat hebben goedgekeurd en die gebouwen dan opnieuw hebben verhuurd. Ze worden vervolgd voor crimineel misbruik van bedrijfsmiddelen. Volgens de conclusies van het parket gaven de leden van de raad van deskundigen een unaniem advies dat de gevolgde procedure voordelig was, terwijl bewezen was dat het niet het geval was en de staat minstens 580 miljoen euro inkomsten zou mislopen.

De leden van Taiped kunnen, net als bij de Treuhand, niet worden vervolgd voor wanpraktijken. Volgens de statuten dragen de leden geen strafrechtelijke of burgerrechtelijke aansprakelijkheid als hun daden goedgekeurd werden door de wetenschappelijke raad en onderzocht door de Rekenkamer. Ze worden enkel vervolgd voor verduistering omdat ze de stortingen in het kader van de verkoop te laat hebben overgeschreven op de rekening van het ministerie van Financiën.

Het Griekse volk heeft aangetoond dat het verzet, ondanks de nederlaag van de voorbije zomer, niet gebroken is. Onder meer op de Cycladen komt het verzet op gang tegen de privatisering van 110 stranden, die vaak het enige strand van een bewoond eiland zijn. Verenigingen organiseren juridische acties. De strijd tegen de privatisering van de goudmijn Eldorado Gold in Chalcidice, Noord-Griekenland, wordt opgedreven. In Kreta stijgt het verzet tegen de bouwvan honderden gigantische industriële windturbines door een dochteronderneming van het Franse EDF en andere bedrijven. Bewoners en herders werden er verdreven uit de bergen en ze werden voor vele bewoners verboden gebied. Zelfs schoolreisjes kunnen er niet meer georganiseerd worden.

Herwig Lerouge (herwiglerouge at gmail.com) is lid van de Studiedienst van de Partij van de Arbeid van België.


1 Monitor,“Milliarden-Deals mit Griechenland: Wer sind die Profiteureder Privatisierung?”, DasErste.de, 23 juli 2015. Zie:http://www1.wdr.de/daserste/monitor/sendungen/milliarden-deals-mit-griechenland-100.html.

2 Idem.

3 LeMonde, Pour Juncker,la Grèce devra se résoudre à perdre une grandepartie de sa souveraineté, 3 juli 2011. Zie:http://www.lemonde.fr/economie/article/2011/07/03/pour-juncker-la-grece-devra-se-resoudre-a-perdre-une-grande-partie-de-sa-souverainete_1544220_3234.html.

4 Dekombinaten verenigen alle sectoren van een activiteit. Een kombinaatvan bouwbedrijven kan een maatschappij van zandwinning bezitten, eenarchitectuurbureau, een ingenieursbureau en alle industrieëndie nodig zijn voor de bouw. Vanaf 1990 werden ze stuk voor stukontmanteld. De winstgevende stukken werden geprivatiseerd, terwijlde andere sectoren die enkel levensvatbaar waren als onderdeel vanhet geheel, teloorgingen.

5 FrançoisBafoil, L’Allemagnede l’Est 1990-1993. Destruction, crise et adaptation,proefschrift sociologisch onderzoek, Universiteit PierreMendès-France Grenoble II, mei 1994, p. 12. Geciteerd inMémoire,identité et communication(J. Walter / B. Fleury-Vilatte) tijdens de eerste internationaleFranstalige conferentie over de informatieve wetenschappen encommunicatie (CIFSIC). Boekarest, 28 juni tot 2 juli 2003

6 Bulletinéconomique du CIRAC 98-99,oktober 2010. “20ans après l’Unité : regards sur l’économiedans l’est de l’Allemagne”.

7 LeSoir,31 oktober 1992.

8 Degegevens die hierna volgen komen uit Vladimiro Giacchè,Anschluss: Die deutsche Vereinigung unddie Zukunft Europas, Laika-Verlag,Hamburg 2014.

9 Terre-net,“Lesterres agricoles de ex-RDA, objets de convoitise”,19 januari2014. Zie:http://www.terre-net.fr/actualite-agricole/economie-social/article/les-terres-agricoles-de-ex-rda-objets-de-convoitise-202-97480.html.

10 Klaus Klamroth, ImDienste der Treuhandanstalt,zonder datum. Zie:http://www.klausklamroth.de/im%20Dienste%20der%20Treuhandanstalt.htm.Geraadpleegd op 3 november 2015.

11 LorraineMillot, “Missionaccomplie, la Treuhand s'autodétruit”,Libération,2 januari 1995. Zie:http://www.liberation.fr/futurs/1995/01/02/mission-accomplie-la-treuhand-s-autodetruit_121395.

12 FrankfurterAllgemeine Zeitung,7 september 1992.

13 L'Humanité,“Elf et les caisses secrètes de Helmut Kohl”, 10februari, 2001.

14 LorraineMillot, op. cit.

15 GuntherGrass, Een gebied zonder eind,J.M. Meulenhoff, 1996.

16 L’Express,“Günter Grass: Le rôle de l'écrivainn'est-il pas de se mettre à la place des autres?”, 1oktober 1997. Zie:http://www.lexpress.fr/culture/livre/gunter-grass_800883.html.

17 DieterSprock, “Le bradage de l’industrie du verreest-allemande, L’exemple d’Ilmenau et de Weisswasser”,Horizons et débats.Zie:http://www.horizons-et-debats.ch/index.php?id=878&print=1&no_cache=1.

18 Idem.

19 VladimiroGiacché, “Zurück in die Knechtschaft. 40 JahreAufbau einer sozialistischen Wirtschaft und ihre profitorientierteZerstörung für und durch das westdeutsche Kapital”,junge Welt,7 oktober 2014.

20 Vladimiro Giacché, “Schwergewicht in Europa.Vorabdruck. Die wirtschaftlichen Folgen der Annexion der DDR fürdie Bundesrepublik”, junge Welt,19 augustus 2014.

21 Degegevens hieronder komen uit het boek van Vladimiro Giacché,Anschluß : Die deutsche Vereinigung und die ZukunftEuropas. Laika-Verlag, Hamburg 2014.

22 Idem.

23 Idem.

24 Idem.

25 Idem.

26 ZeitOnline, “Im Rekordtempo haben die Deutschen nach 1989 dieSpuren der Teilung beseitigt – aus den Straßen sind sieverschwunden. Doch in Statistiken bleibt der Osten sichtbar”,13 mei 2015. Zie:http://www.zeit.de/feature/mauerfall-das-geteilte-land.

27 Okeanews.fr,“Le programme Grec de privatisations”, 1 september2015. Zie:http://www.okeanews.fr/20150901-le-programme-grec-de-privatisations.