Het Vlaams-nationalistische beeld van de geschiedenis: feit of fictie?

Auteur: 
Bruno Yammine

Volgens het Vlaams-nationalistische verhaal speelde zich aan de IJzer tijdens de Eerste Wereldoorlog een tragedie zonder weerga af. Ongeschoolde Vlaamse frontsoldaten – die 80 % van het leger uitmaakten – werden door hun Nederlandsonkundige officieren met Franse bevelen onder het motto "et pour les flamands la même chose" de dood ingejaagd. "Arme jongens, die ginder, ver van huis, moeten vechten voor een land dat het hunne niet is", zo schreef de Gazet van Brussel op 11 december 1914. Dit blad was naar buiten toe Vlaamsgezind, maar werd in werkelijkheid door de Duitse bezetter uitgegeven en gesubsidieerd in het bezette land. Maar dit verhaal is grotendeels een mythe die ook na de oorlog zal aangedikt worden tot een van de leitmotiven van het Vlaams-nationalisme. Het is bij de Duitsers dat we de oorsprong van deze mythe moeten gaan zoeken.

Deze mythe bouwt verder op een hele reeks die sinds de onafhankelijkheid van België de Vlaams-nationale geschiedschrijving spekken.

Het Vlaams-nationalistisch geschiedbeeld van de Belgische geschiedenis, gaat ongeveer als volgt: in 1830 ontstond België als kunstmatige schepping van de grootmachten. Vlamingen en Walen werden tegen hun zin gedwongen om in één staatsverband te leven. De Belgische overheid wilde de Nederlandse taal en cultuur uitroeien. Hadden Belgische staatslieden zich geen zinnen laten ontvallen als "La Belgique sera latine ou elle ne sera pas"?

België was bovendien een Franse satellietstaat én een eentalig Franse staat. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden daarentegen was een gezegend tijdvak geweest. Gedurende de hele 19e eeuw werden de Vlamingen door het Waals-Brusselse machtsapparaat verdrukt. Velen moesten om den brode uitwijken naar Wallonië waar ze uitgebuit werden. In 1914 moesten de Vlamingen vechten voor een land dat ze nooit een warm hart toegedragen hadden. Vlaamse jongens werden massaal de dood ingejaagd door Nederlandsonkundige Franstalige officieren. Aan de IJzer ontwaakten de Vlamingen en begonnen ze hun strijd voor zelfstandigheid. Maar ook in bezet België waren Vlaamsgezinden tot actie overgegaan, de zogenaamde 'activisten'. Uit verdediging tegen een Waals-franskiljonse haatcampagne tegen alles wat Vlaams was, besloten ze de Godsvrede te doorbreken. Zij zouden niet langer zwijgen. De Duitsers boden hun een helpende hand aan (Flamenpolitik). Wat was dan begrijpelijker dan dat ze die aanvaardden? De idealistische activisten bekwamen van de Duitse bezetter een Nederlandstalige universiteit te Gent (1916) en zelfs de bestuurlijke scheiding van België (1917). Na de oorlog echter, volgde de repressie tegen alles wat Vlaams was: talloze activisten werden door de Belgische staat gebroodroofd.

Weerstaat deze weergave van de feiten de toets van een kritisch onderzoek?

Een kunstmatige staat, schepping van de grootmachten?

Allereerst moet vastgesteld worden dat alle staten per definitie kunstmatig zijn. Inderdaad is geen enkele staat door God of door de natuur gewild. Het is onterecht het jaar 1830 als het 'ontstaan' van België te beschouwen. Wie dat wél doet, moet 1958 als het ontstaan van Frankrijk beschouwen. In 1830 nam België immers zijn meest recente staatsvorm aan (een grondwettelijk-parlementaire monarchie), net als Frankrijk in 1958 de Vijfde Republiek vestigde. Beide staten zijn natuurlijk ouder dan die datum. België is inderdaad onafhankelijk geworden in 1830, maar kent een voorgeschiedenis die teruggaat tot in de middeleeuwen. De Bourgondische Nederlanden (1430) werden aan het einde van de 16e eeuw in tweeën gesplitst. Het resultaat hiervan, was dat er niet één, maar twee naties – een Belgische en een Nederlandse – gevormd werden. De katholieke Habsburgse Nederlanden omvatten ongeveer het grondgebied van België (behoudens het prinsbisdom Luik[1]) en de inwoners ervan ontwikkelden een proto-nationaal besef.[2] Dit bleef behouden ondanks de Franse bezetting van België, die in 1814 eindigde[3] De geallieerden riepen toen de onafhankelijkheid van België uit.[4] De grootmachten hebben vervolgens België (m.i.v. Luxemburg) en Noord-Nederland samengevoegd. Culturele, godsdienstige en politieke tegenstellingen bespoedigden het einde van dit Rijk en zorgden voor de vestiging van de onafhankelijke Belgische natiestaat.[5] We moeten hier nog een misverstand rechtzetten. Vaak hoort men dat België als een 'bufferstaat' zou ingericht zijn. Dat is onwaar. België heeft zich net van de bufferstaat die het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was, afgescheurd.

Vlamingen en Walen: een gedwongen huwelijk?

Uit het eerste punt blijkt reeds dat wat men vandaag Vlamingen en Walen noemt, al honderden jaren in een staatkundig verband samenleefden. Overigens lag elk Belgisch prinsdom (het hertogdom Brabant, het graafschap Vlaanderen, het prinsbisdom Luik …) schrijlings op de taalgrens. De taalgrens mag dan al ouder zijn dan België, zij had gedurende duizenden jaren geen politieke betekenis. De historicus Paul De Ridder, nota bene fractieleider van de N-VA in het Brussels Parlement, schrijft wat dat betreft: "Sommigen [ongetwijfeld de Vlaams-nationalisten, wie anders?] zullen het niet graag horen, maar uit onderzoek van de oorkondenlijsten van Brugge, Gent en Ieper blijkt dat tussen 1250 en 1500 niet minder dan 30 tot 60 % van die akten in het Frans opgesteld zijn."[6] Niet België is het product van Vlaanderen en Wallonië, maar omgekeerd. De term "Vlaanderen" zien we pas opduiken in de jaren 1840 en dan nog enkel bij Vlaamsgezinden, de term Wallonië is zelfs nog vijftig jaar jonger. De Vlaamse beweging is net ontstaan uit het enthousiasme rondom de Belgische Revolutie, waarbij filologen op zoek gingen naar wat België zo uniek maakte en één van die aspecten was de "Nederduitse taal".[7] Kortom, in 1830 waren er Vlamingen noch Walen.

België, een Franstalige staat die het Nederlands wilde uitroeien?

In 1830 was België geen eentalig Franse staat. Het principe van de staatsorganisatie was hetzelfde als in de Bourgondisch-Habsburgse tijd: het Frans werd de taal van het centrale bestuur, voor de communicatie van de overheid naar de burger golden de streektalen. Enkel het hoger onderwijs en het leger was eentalig Frans. Voor de rest was er taalvrijheid. Waarom deze keuze? Vooreerst was het Frans de taal van de (hogere) burgerij zowel in het noorden als in het zuiden van het land. Het Frans was ook de taal van de Verlichting en van de vooruitgang (vandaar dat de Nederlandstalige clerus zo nauw verbonden zou worden met de Vlaamse beweging: die werd als een dam beschouwd tegen het 'zedeloze' Frankrijk, en tegen de ideeën van de Verlichting, de streektaal stond dan symbool voor de ongerepte volkse tradities). Het Frans was de meest verspreide taal in België en een taal met internationaal prestige. Na de revolutie van 1830 was er een zeer sterke anti-Nederlandse reflex in België, tenslotte bestond er geen eengemaakte Zuid-Nederlandse taal, wel Vlaamse, Brabantse en Limburgse varianten.

Zelfs inzake spelling waren er verschillen tussen België en Nederland. Enkel in de korte periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden kenden beide landen dezelfde spelling (Siegenbeek-spelling). Die werd daarna afgeschaft en, op initiatief van de Belgische regering, vervangen door de Willems-spelling (1844). Tussen 1883 en 1934 en daarna vanaf 1947 kenden beide landen eenzelfde spelling. Kortom, in de eerste 120 jaar die op de Belgische onafhankelijkheid volgden, kenden België en Nederland amper vijftig jaar een gedeelde spelling. Sterker nog, het Standaard-Nederlands, zoals we dat vandaag kennen, is in België een uit Nederland geïmporteerde taal.

Als de Vlamingen al 'onderdrukt' werden, gebeurde dat door hun eigen elite. Elke rechter, elke notaris, elke arts kon immers de taal spreken die hij wou. Welnu, vooral de Vlaamse liberalen kozen het Frans. De verfransing vond zijn oorsprong niet bij de Belgische revolutie en was bovendien het symptoom van een klassenstrijd, niet van een nationalistische strijd.

Laten we kijken naar onze buurlanden om te kijken of dit soort situaties nog voorkwam. Frankrijk beschermt pas sedert 2008 zijn regionale talen als erfgoed. In Nederland heeft het Fries nog steeds niet het statuut van landstaal. In Luxemburg werd het Letzebuergisch – de taal van de meerderheid van de bevolking – slechts in 1984 (!) als officiële taal erkend (tevoren was de enige officiële taal het Frans). In Ierland heeft de Britse overheersing het Gaelic quasi uitgeveegd, idem met Duitsland en het Pools.[8]

Het feit dat België een verdrukkingspolitiek of een culturele genocide tegenover het Nederlands zou hebben pogen te ondernemen is lachwekkend. Terecht stelde Lenin in 1913: "In België zijn sedert een lange tijd stabiele grondwettelijke praktijken gevestigd en is politieke vrijheid een oude verworvenheid van de bevolking."[9] Het is dus onjuist om te suggereren dat zo'n praktijken plaatsvonden in het meest vrije land ter wereld. Voor dit verfransingplan wordt er vaak verwezen naar twee vermeende 'brieven', aan Charles Rogier toegeschreven. In de eerste zou hij gepleit hebben voor de vernietiging van het Nederlands als voorbereiding op de aansluiting van België bij Frankrijk; de tweede brief ging over de "vernietiging van het Germaanse element in België". Welnu, historisch onderzoek uit 1902 heeft reeds aangetoond dat deze brieven apocrief[10] zijn. Toch leeft ook dit fabeltje nog steeds door.[11]

Gezegend Verenigd Koninkrijk der Nederlanden versus Franse satellietstaat

Dat het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden een gezegend tijdvak zou geweest zijn, is een product van de Vlaamsgezinde mythologie. Zo schreef de liberale historicus Paul Fredericq in 1906 met veel gevoel voor pathos: "De val van Napoleon op het slagveld van Waterloo was de dageraad der opbeuring voor de Vlaamse gewesten."[12] Vanaf de jaren 1860 ontwikkelde de Vlaamse beweging zich tot een subnationale stroming die, weliswaar binnen een Belgische context, "Vlaanderen" als doel op zich ging verdedigen. Hoe verder de Belgische Revolutie in het verleden kwam te liggen, hoe meer ze aan kritiek blootstond. Vele Vlaamsgezinden immers laakten de trage vooruitgang in de taalwetgeving en romantiseerden het Nederlandse tijdvak. Daarbij vergaten ze dat het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden een staat was zonder volkssoevereiniteit, waar de Koning op een despotische manier regeerde en waar de vrijheid van meningsuiting, drukpers, religie enz. aanzienlijk lager was dan in het onafhankelijke België. Omdat België, voor wat de elites betrof, een verfranste staat was, begonnen Vlaamsgezinden overal de onzichtbare hand van Frankrijk te zien. Het tegendeel was waar: voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog was niet Duitsland, maar wel Frankrijk het land dat door de Belgische elite het meest gevreesd werd. De katholieke diplomatie sympathiseerde met het ordelijke Duitse Rijk, niet met de instabiele Franse republiek.[13]

Onderdrukking door het Waals-Brusselse machtsapparaat

Zonder twijfel was Wallonië tot ca. 1965 de economisch meest welvarende streek van België. Maar leidde dit tot een politieke onderdrukking van Vlaanderen? Laten we eerst vaststellen dat het kiesrecht tot 1893 beperkt was tot een kapitaalkrachtige en mannelijke elite. Desondanks lezen we nergens dat België de vrouwen onderdrukte en is er daaromtrent geen mythologie ontstaan. Wat het aantal zetels in de Kamer en in de Senaat betreft, was er sedert 1830 steeds een meerderheid afkomstig uit de Vlaamse arrondissementen. We nemen er, als bewijs, de zetelverdeling bij voor de verkiezingen van 1912. De beide Vlaanderen kregen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers 50 zetels toebedeeld, Antwerpen en Limburg samen 31. Luxemburg en Namen 15, Henegouwen 31 en Luik 22. Brussel en Leuven kregen 33 zetels toegewezen[14], Nijvel 4. Of, anders gezegd, de vier Vlaamse provincies kregen 81 zetels, de vier Waalse 68. De tweetalige provincie Brabant 37 zetels, waarvan 4 voor wat vandaag Waals-Brabant is. Hoe er in die context sprake kan zijn van een 'Waals-Brusselse verdrukking', is een raadsel.

Voor de invoering van het proportioneel kiesrecht in 1899 was het 'Vlaamse' overwicht zelfs nog eclatanter. Zo was er in alle regeringen samen tussen 1884 en 1902 welgeteld één (!) Waalse minister (van 1884 tot 1890 zelfs geen enkele).[15]

De onderdrukking van de Vlaamse arbeiders in Wallonië

Het klopt dat de zware industrie zich in België eerst in het zuiden ontwikkeld had. Logisch ook, want daar gebeurde de exploitatie van steenkool en liggen de belangrijke rivieren die zorgen voor het goederentransport via de binnenscheepvaart. Net als in andere West-Europese landen ontwikkelden de regio's zich ongelijk (ook binnen de regio's bestonden en bestaan trouwens grote verschillen). Aangezien de werkgelegenheidsgraad het hoogste was in het zuiden, trokken vele Vlamingen naar daar. Werden zij echter uitgebuit? Het antwoord daarop is eenvoudig: alle arbeiders werden in de 19de eeuw (in min of meerdere mate) uitgebuit. Dit had volstrekt niets te maken met hun taal.

Lenin relativeerde ook de taalkundige 'onderdrukking' van de Vlamingen. "In België zijn sedert een lange tijd stabiele grondwettelijke praktijken gevestigd en is de politieke vrijheid een oude verworvenheid van de bevolking", zo schreef hij in 1913.[16] Omtrent datzelfde tijdstip merkte hij ook op dat niettegenstaande de diversiteit van de samenstelling van België er geen sprake was van onderdrukking van naties. Wel bestond er in België nog ongelijkheid van rechten wat betreft de Vlamingen, maar die was, volgens Lenin, onbeduidend in vergelijking met wat de Polen in Duitsland hebben moeten ondergaan of de Ieren in Engeland.[17]

"La Belgique sera latine ou elle ne sera pas"!

Deze uitspraak behoort tot de meest gehanteerde door aanhangers van de Vlaamse beweging om het "ware karakter" van België bloot te leggen[18]. Nochtans dateert de uitspraak niet van de jaren na de Belgische onafhankelijkheid, maar van 1915. Ze werd gedaan door de wallingant Raymond Colleye (eigenlijk heette hij Deweerdt).

Colleye verbleef tijdens de oorlog in het Verenigd Koninkrijk. In twee stukken die hij geschreven had en die – op het laatste woord na – identiek waren zong hij de lof van een Franco-Belgische alliantie. Volgens hem had de oorlog het amorfe, Belgische vaderland omgesmeed tot een ondeelbaar geheel. De patriotten van morgen zouden vergeten zijn dat er eertijds een Waalse of Vlaamse Beweging geweest was. Hij loofde ook de flaminganten. Zij hadden de werkelijke verzuchtingen van hun volk gediend door samen met de 'Latijnen' hun humanitaire plicht te vervullen.

Nu bestond het flamingantisme niet meer. Het uur was geslagen om België in de triomferende Latijnse sfeer te lanceren. Het naoorlogse België zou een grote Europese mogendheid worden. De neutrale status van ons land was achterhaald. Het moest een innige alliantie met Frankrijk sluiten. Frankrijk, was dat niet het tweede vaderland van de Belgen en was België op zijn beurt in het noorden niet de natuurlijke beschermer van de Franse beschaving?

België zelf kon trouwens moeilijk zonder meer vijandelijk territorium annexeren. De Walen zouden niet met veel vreugde in het parlement mandatarissen van 'een volk van brandstichters, plunderaars en moordenaars…' ontvangen. Bovendien was het toch ondenkbaar dat de in België geïntegreerde Duitsers konden genieten van het nobele Belgische leven met alle voordelen die de Belgische geest voor rechtvaardigheid aan de overwonnen vijand zou toestaan. Door een alliantie met Frankrijk veranderde dat gegeven. De Franse invloed zou aan de Germaanse invloed immers een tegengewicht bieden. Ten slotte drukte Colleye er nog op dat geen enkele partijdige wet de nationale rust nog zou verstoren. De vrijheid van taal mocht dus nooit meer 'vervalst' worden. Vlamingen konden de taal blijven spreken die ze wensten, maar de enige officiële taal van de Belgische staat en administratie zou het Frans zijn.

Het vooruitzicht van een franco-Belgische alliantie bracht Colleye tot het besluit: "La Belgique de demain sera Latine ou elle ne sera rien." In Le Cri de Londres (15 juni 1915) had Colleye hetzelfde artikel met die zin besloten met "…pas". Maar in een latere versie in The Nineteenth Century luidde het "…rien". Het verschil tussen pas en rien is toch wel significant. Los gezien van de context impliceert pas in die zin dat België enkel maar kon bestaan als een Franstalige staat. Rien daarentegen duidt aan dat België buiten de context van een Latijnse bond, veroordeeld was tot de status van een door taalstrijd verscheurde kleine en neutrale macht.

In die zin is het taalgebruik van Colleye in zijn herziene artikel duidelijker en, naar ons aanvoelen, correcter. Dit laatste stuk geeft dus beter de echte mening van Colleye weer. Hoe dan ook, Colleye werd voor zijn artikel niet alleen op het matje geroepen bij de Belgische ambassadeur in Londen, hij werd ook gelaakt in de Franstalige pers en de Belgische overheid liet zelfs een boek en een tijdschrift van hem censureren. Hoe kan men dan nog beweren dat deze uitspraak ook maar iets met het officiële België te maken heeft?

IJzertragiek

Volgens het Vlaamsgezinde verhaal speelde zich aan de IJzer tijdens de Eerste Wereldoorlog een tragedie zonder weerga af. Ongeschoolde Vlaamse frontsoldaten – die 80% van het leger uitmaakten – werden immers door hun Nederlandsonkundige officieren met Franse bevelen onder het motto "et pour les flamands la même chose" de dood ingejaagd. "Arme jongens, die ginder, ver van huis, moeten vechten voor een land dat het hunne niet is", zo schreef de Gazet van Brussel op 11 december 1914. Dit blad was naar buiten toe Vlaamsgezind, maar werd in werkelijkheid door de Duitse bezetter uitgegeven en gesubsidieerd in het bezette land. Het is ook bij de Duitsers dat we deze mythe moeten gaan zoeken. Waarom? Allereerst omwille van het evidente feit dat er in geen enkel dagboek, noch in een brief, noch in de herinnering van ook maar één frontsoldaat de herinnering is opgetekend aan zo'n gebeurtenissen. Ten tweede omdat we het cijfer "80 %" voor de eerste maal terugvinden in een activistisch strooibiljet van begin 1915. In werkelijkheid lag het aantal Vlaamse soldaten veel lager (ongeveer 65 %). Kortom, dit is loepzuivere anti-Belgische propaganda. De werkelijkheid was wel beduidend anders. Zelfs de Vlaams-nationalistische historicus Hendrik Elias[19] kon het Belgisch-patriottisme bij de flaminganten in augustus 1914 niet ontkennen toen hij opschreef dat op "weinige uitzonderingen na … hun streven, … aan de zijde van de Koning stond."[20] In het Belgisch leger vielen zeker niet meer doden dan in meertalige legers, vooral omdat Koning Albert I – ondanks zware druk van de Britten en Fransen – consequent weigerde de Belgische soldaten in te zetten bij de moorddadige offensieve van de Entente.[21]

Ook het totaal aantal gesneuvelde Belgische soldaten lag niet hoger dan bij de andere (eentalige) landen, integendeel. Natuurlijk waren er wel misstanden op taalgebied. Het leger was inderdaad eentalig Frans en de nieuwe taalwet – die o.a. een elementaire kennis van het Nederlands bij de officieren verplichtte – op het leger werd niet of onvoldoende toegepast. Evenwel ging het hier niet om een Vlaams-Waalse, maar wel om een sociale strijd. Niet Vlamingen immers werden tot op zekere hoogte gediscrimineerd, wel Fransonkundigen. Het waren inderdaad Franstaligen die hogere functies bekleedden of meer technische ambten achter het front, maar die konden ook uit het noorden van België komen. Wat de achterstelling van het Nederlands bevorderde was het odium van het activisme (zie hieronder) dat op de Vlaamse beweging kleefde. Hoewel maar een klein deel van de flaminganten in het bezette gebied collaboreerde, werd vaak elke uiting van Vlaamsgezindheid – zij het op niet gewelddadige wijze – vervolgd. Dat radicaliseerde intellectuele flaminganten die zagen dat de Duitsers bijvoorbeeld in bezet België de Rijksuniversiteit van Gent vernederlandsten. Zij begonnen voor 'zelfbestuur' te ijveren. Zo was Duitsland er door zijn Flamenpolitik onrechtstreeks in geslaagd ook in het Belgisch leger een bres te slagen. Na de oorlog resulteerde die in de oprichting van de Frontpartij, die weldra besmet zou worden met het radicale anti-Belgicisme van de activisten.[22]

Flamenpolitik en activisme

Het oorlogsdoel in het westen van het Duitse Keizerrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog was de aanhechting van België – of op zijn minst Vlaanderen – en Nederland in het Duitse Rijk, samen met enkele Franse vestingsteden. De Vlaamse beweging werd als een nuttig instrument daartoe bezien. Dat was niet uniek: in het oosten (Oekraïne, Polen…) en in de moslimwereld zetten de Duitsers ook nationaliteiten op tegen de gevestigde orde om dan zelf in de plaats daarvan te kunnen treden. Het was echter niet de eerste optie van de Duitsers in België. Zij meenden dat ons land weinig of geen verzet zou bieden en wilden er dan een soort vazalstaat van maken, zonder de interne structuren daarom te vernietigen. Maar na het weigeren van de vrije doorgang van het Duitse leger begin augustus 1914 en het afwijzen van een wapenstilstand door Duitsland op 9 augustus 1914, schakelde het Rijk over op een integraal-nationalistische politiek. Die was niet zomaar uit de lucht komen vallen. In het Duitse Keizerrijk was het Pruisisch-Duitse staatsapparaat verstrengeld met machtige nationalistische pressie-groepen – zoals het Alldeutscher Verband (°1894) – die vanaf het einde van de 19e eeuw aanzienlijk aan invloed wonnen, ook in kringen van de traditionele landadel (Junker) en de groot-industrie. Het völkische denken, kortom, was zeer sterk aanwezig bij de Duitse elite. En daar paste het verhaal van de onderdrukte Vlamingen in een pro-Franse satellietstaat. Dit narratief sloot ook goed aan bij het Hollands-protestantse zelfbeeld: een deel van de leidende kringen in Nederland was openlijk pro-Duits.[23]

Sedert de jaren 1890 was in Alduitse kringen de conceptie ontstaan over het feit dat een Duits België (of Vlaanderen) Nederland op termijn binnen de Duitse invloedssfeer zou dwingen. Dit idee kwam opnieuw naar boven drijven in 1914 toen Alduitse kringen enorm aan invloed gewonnen hadden.

In België echter werd Duitsland bovendien met een homogeen-patriottische Vlaamse beweging geconfronteerd. Er moest dus voorzichtig een bres worden geslagen tussen Vlaanderen en België. Op 2 september 1914 berichtte Berlijn het bezettingsbestuur in Brussel dat de Vlaamse beweging moest ondersteund worden, ook om op Nederland een goede indruk te maken. Op 16 december 1914 heette het dat de universiteit van Gent vernederlandst diende te worden, dat in België de bestuurlijke scheiding moest doorgevoerd worden en dat tussen ons land en Nederland een "publicistische verbinding"[24] geschapen moest worden. De Duitsers gingen stelselmatig en tactisch te werk. Aan de flaminganten werd voorgehouden dat er in het buitenland, – in de Franstalige emigrantenpers met name – een anti-Vlaamse perscampagne woedde. Na de oorlog zou het wel eens uit zijn met het Vlaams! Bovendien waren Waalse volksvertegenwoordigers zogezegd aan de Duitsers komen vragen om het Nederlands af te schaffen. De Vlaamsgezinden hapten niet toe, op enkele kleine groepuscules na. Pas in 1915 verkreeg het activisme meer spankracht, omdat de Duitsers middels Nederlandse stromannen een breuk wisten te slagen tussen loyaal-Belgische flaminganten en de Belgische regering (in Le Havre) enerzijds en de activisten anderzijds. Pas bij de vernederlandsing van de universiteit van Gent (1916) brak een groep Vlaamsgezinden openlijk met de Belgische wettelijkheid. In 1917 tenslotte volgde de bestuurlijke scheiding. De Raad van Vlaanderen (een marionettenorganisatie) riep zelfs de onafhankelijkheid van het Vlaamse land uit. In werkelijkheid was dit manoeuvre geïnspireerd en ingefluisterd door de haviken in Berlijn die ten allen prijze België in handen wilden houden en daarom de oorlog tot het uiterste wensten door te zetten.[25] Het activistisch apparaat werd in 1918 wel door de Duitsers ontmanteld, maar de Flamenpolitik werd onafgebroken doorgezet en dit tot 1945 toe. Daaruit groeide dan weer de mythe van twee 'repressies' van de zgn. Vlaams-hatende Belgische staat, hoewel er in geen enkel dossier tegen oorlogsmisdadigers of collaborateurs een onterechte veroordeling is geweest.

De Flamenpolitik had Duitsland tijdens de oorlog niets opgebracht, maar zorgde wel voor een permanente ontwrichting van de Vlaamse beweging middels de introductie van een anti-Belgische stroming en – vooral – van de unitaire staat. 'Vlaanderen' en 'België' waren eerst voor een klein, maar dan voor een steeds groter deel van de Vlaamse beweging doodsvijanden geworden. Na de oorlog vluchtten de activisten in een irrationele zelfverdediging. En dan is het natuurlijk gemakkelijker om te zeggen dat zij de Duitsers probeerden te bespelen in plaats van hun fout toe te geven en te zeggen dat ze misleid werden.[26]

Besluit

Hierboven schetsten we een aantal hardnekkige mythen uit de Vlaams-nationalistische historiografie. Er zijn er natuurlijk nog, zoals die van de naïeve Vlaamse idealisten, die misleid door de clerus tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen het 'goddeloze bolsjewisme' gingen strijden[27]. Of van de Guldensporenslag als begin van de Vlaamse ontvoogding. Het blijkt dat deze mythen gewoonweg onwaar zijn. Ze hebben als enig doel de ontwrichting van België te legitimeren. Net zoals de media tegenover niets kritisch is, is ze dat al helemaal niet tegenover de geschiedenis, of – beter – tegenover de herinnering van de geschiedenis. In de leemte die daardoor geschapen wordt, kunnen nationalisten verdere successen boeken.

Bruno Yammine (bruno232 at gmail.com), doctor in de geschiedenis, Leuven.


[1] De huidige provincies Luik en Luxemburg.

[2] S. Dubois, L'invention de la Belgique: genèse d'un Etat-Nation, 1648-1830, Brussel, 2005.

[3] België behoorde achtereenvolgens tot de Bourgondische Nederlanden (1430-1585), de Spaans-Habsburgse Nederlanden (1585-1715), de Oostenrijks-Habsburgse Nederlanden (1715-1794), Frankrijk (1794-1814/5) en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830).

[4] In een proclamatie van baron Von Vincent, die voor Oostenrijk België in 1814 bestuurde, lezen we: "Volk van België, voor uw provincies nadert eindelijk, na, gedurende twintig jaar, in de rampen van Frankrijk gedeeld te hebben, de vestiging van hun staatkundig bestaan: zij zullen voortaan van Frankrijk gescheiden zijn. Belgen, zijt uwer en de nagedachtenis van uw vaderland waardig", "België", Nederlandsche Staatscourant, 10 mei 1814, p. 4.http://pvda.be/

[5] De Nederlandse historicus Johan Huizinga verwoordde het in 1912 terecht zo: "De Zuidelijke Nederlanden werden in bijna alle opzichten de echte, maar aan weerszijden gesnoeide uitgroei van de Bourgondische staat. Zij vormden een staat en een nationaliteit, maar zij misten twee en een halve eeuw het goed, dat staat en nationaliteit volwaardig maakt: de vrijheid", J. Huizinga, "Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef", De Gids, jg. 76, 1912, p. 487.

[6] "Brussel en Brabant: een succesverhaal", Het Poelaertplein, jg. 18, nr. 2, november-december 2011, p. 10-18.

[7] De 'linkse' Vlaams-nationalist Jean-Pierre Rondas schrijft zelfs: "Vlaanderen is inderdaad een constructie, en dan nog van één man: Conscience", J.P. Rondas, "Conscience creëerde Vlaanderen", Doorbraak, 14 september 2012.

[8] Voor een uitstekend werk hieromtrent, zie L. Wils, Waarom Vlaanderen Nederlands spreekt, Leuven, 2001.

[9] V.I. Lenin, "Lessen aangaande de Belgische staking", Pravda, 8 mei 1913.

[10] Apocrief: twijfelachtig, niet authentiek.

[11] L. Willems, "Over twee antivlaamsche brieven, toegeschreven aan Minister Rogier", Verslagen en Mededelingen van de Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent, 1902, p. 53-90.

[12] P. Fredericq, Schets eener geschiedenis der Vlaamsche beweging, Gent, 1906, p. 5.

[13] In 1844 werd tot woede van Parijs een akkoord met het Zollverein gesloten. Oorlogsdreiging met Frankrijk was er in 1848, tussen 1860-1870 (Napoleon III m.n. wou België tussen Frankrijk en Pruisen verdelen), en in 1886 (Boulanger-crisis). Daarentegen werd de Belgische en Duitse economie, zeker na 1890 toen de Belgische steenkolen niet meer volstonden voor de eigen markt en ons land aangewezen was op Duitsland, steeds meer verstrengeld.

[14] Het kiesarrondissement Brussel (BHV) kreeg 26 zetels, het kiesarrondissement Leuven 7.

[15] L. Wils, Van Clovis tot Di Rupo: de lange weg van de naties in de Lage Landen, Antwerpen, 1905, p. 187.

[16] Pravda, 8 mei 1913.

[17] V.I. Lenin, "Statistique et Sociologie", in: Oeuvres complètes, XXIII Parijs, 1912, p. 301-302.

[18] Voor wat volgt, zie L. Wils, Flamenpolitik en aktivisme, Leuven, 1974, p. 19-21; B. Yammine, Drang nach Westen: de fundamenten van de Duitse Flamenpolitik (1870-1914), Leuven, 2011, p. 283-286.

[19] Tijdens de Tweede Wereldoorlog "leider" van het VNV.

[20] H.J. Elias, Vijfentwintig Jaar Vlaamse beweging, I, Antwerpen, 1969, p. 13.

[21] De redenering was dat België niet gebonden was door wat de grootmachten deden. Dat klopte ook: volgens het verdrag van de XXIII artikelen garandeerden die slechts de neutraliteit van ons land.

[22] Eén van de meest tot de verbeelding sprekende verhalen van de IIzertragiek berust op een mythe. Zo zouden de Vlaamse gebroeders Frans en Edward Van Raemdonck in elkaars armen als Vlaamse martelaren gestorven zijn, na door Franstalige officieren de dood ingejaagd te zijn. Welnu, het lichaam waarmee Frans verstrengeld was, bleek dat van Aimé Fiévez, een … Waalse korporaal. De broers Van Raemdonck waren de neven van Clemens De Landtsheer, secretaris van het IJzerbedevaartcomité. Zijn reactie? "Waarom die schoonheid breken en er de waarheid als een koud bad over uitstorten? Dit zou zeer veel nadeel doen aan de zaak zelve", geciteerd in Tijdschrift van de Belgische Vereniging voor Nieuwste Geschiedenis, 31, 4, 2009, p. 41. De nationalistische mythe primeerde en primeert dus op de feiten.

[23] De Flamenpolitik werd voor een belangrijk deel via Nederland gevoerd, waar de Duitse ambassade de functie van spil bekleedde.

[24] Met een publicistische verbinding bedoelden de Duitsers dat ze een orgaan nastreefden dat Duitse propaganda in Nederland en Vlaanderen nastreefde. Ze subsidieerden bijvoorbeeld Nederlandse bladen, die dan in België verspreid werden, of richtten zelf zogenaamd 'Nederlandse' organen op die dan op hun beurt door de Duitse ambassade in Den Haag gesubsidieerd werden. Ook werd het meerderheidsaandeel in het Belgisch-loyale De Vlaamsche Stem door Groot-Nederlandse stromannen die door Duitsland gesubsidieerd werden opgekocht. De loyale Belgen trokken er zich uit terug en het blad evolueerde tot een anti-Belgisch propaganda-orgaan.

[25] Het vernietigen van België zou immers een compromisvrede met het Verenigd Koninkrijk onmogelijk maken.

[26] Borms wist tijdens de oorlog al wel beter, al zou hij het nadien niet meer openbaar herhalen: "zonder Duitsland bestaat het activisme niet!", Nationale Bond voor Belgische Eenheid, Geschiedkundig Overzicht van het Aktivisme, Brussel, 1929, p. 120

[27] Recent onderzoek toont aan dat ze niet alleen niet uit naïviteit streden, maar ook niet voor Vlaanderen. Hun drijfveer was het nationaal-socialisme, zie A. Sax, Voor Vlaanderen, volk en Führer, Antwerpen, 2012.