Basisinkomen voor iedereen?

Auteur: 
Daniel Zamora Vargas

Al sinds de jaren tachtig zijn heel wat mensen in linkse middens gewonnen voor de idee van een basisinkomen. Deze eis heeft in 30 jaar tijd een hele weg afgelegd. Hij vond serieuze verdedigers bij figuren als Philippe Van Parijs, Ignacio Ramonet, André Gorz, José Bové of Toni Negri. Gaandeweg kregen we ook een enorm arsenaal aan websites, netwerken en collectieven ter ondersteuning en verspreiding van het gedachtegoed. De economische crisis bracht de idee opnieuw helemaal op het voorplan. Nog niet zo lang geleden hield Zwitserland een referendum over de vraag. En Le Monde diplomatique wijdde een compleet dossier aan het onderwerp.

Als links beweert de vader te zijn …

Het basisinkomen komt hierop neer dat de staat iedereen maandelijks een bepaald bedrag uitbetaalt om van te kunnen leven, los van wat je verdient. In de linkse versies van het concept is sprake van een bedrag dat voldoende moet zijn om van te leven. Verder moet het in hun ogen samengaan met aanvullende bescherming van openbare diensten en sociale uitkeringen (pensioenen, werkloosheidsuitkering of ziekteverzekering), naast andere vormen van sociale bijstand. Elk individu - en niet elk gezin - zou maandelijks dit basisinkomen moeten krijgen vanaf zijn geboorte tot aan zijn dood (minderjarigen een iets lager bedrag dan volwassenen). Je moet aan geen enkele voorwaarde voldoen om het te krijgen en er staat ook geen enkele tegenprestatie tegenover. Een eventueel inkomen uit arbeid komt hier gewoon bovenop.

“Op die manier zou iedereen kunnen kiezen wat hij van zijn leven wil maken: ofwel blijven werken, ofwel zich tevreden stellen met een bescheiden consumptieniveau en integraal van zijn tijd genieten, ofwel een combinatie van beide. Het zou niet langer ‘verdacht’ zijn als je niet werkt. Betaald werk zou immers niet meer de enige sociaal aanvaardbare vorm van activiteit zijn. Wie kiest om te leven van het gewaarborgd inkomen zou zich alleen of samen met anderen volledig kunnen toeleggen op zaken die hem boeien en/of die in zijn ogen sociaal nuttig zijn.”[1]

De verdedigers stellen verder: “Een eerste consequentie van een basisinkomen is dat werkloosheid niet langer een probleem is. We kunnen dus om te beginnen al flink wat besparen op het geld dat de overheid nu uitgeeft in haar streven naar volledige tewerkstelling.”[2] Het gewaarborgd inkomen is universeel en onvoorwaardelijk. Iedereen krijgt het, arm en rijk. De rijken betalen het wel terug via de belastingen. “We kunnen ook besparen op administratief werk als het toezicht op sociale steuntrekkers wegvalt.”[3]

Het basisinkomen is een uitkering die iedereen zonder enige voorwaarde krijgt uitbetaald. Het is niet hetzelfde als een negatieve inkomensbelasting. Philippe Van Parijs, een uitgesproken voorstander van de uitkering, formuleert het zo: “Met het systeem van een basisinkomen wordt het geld, nodig om het belastingkrediet te financieren […] daadwerkelijk vooraf ingehouden en vervolgens aan iedereen herverdeeld, terwijl bij een negatieve inkomensbelasting de transfers in één richting lopen: positieve transfers (of negatieve inkomensbelasting) voor gezinnen die zich onder het kritische punt bevinden, negatieve transfers (of positieve belastingen) voor gezinnen die erboven liggen.”[4]

De aangehaalde voordelen zien er verleidelijk uit. En inderdaad, heel wat militanten en intellectuelen die te maken krijgen met echte tuchtmaatregelen en andere disciplinaire aspecten van tewerkstelling die steeds meer ingebakken zitten in ons sociale zekerheidssysteem, laten zich er effectief door verleiden. Mateo Alaluf bracht dit zo onder woorden: “Binnen de actuele degeneratie van de sociale zekerheid door de klappen van de activering heeft het basisinkomen de ruimte gevonden om weer jong te mogen zijn…”[5] Ondanks de schijnbaar sterke punten van het basisinkomen is het volgens mij toch niet echt wenselijk of verantwoord om dit in onze sociale zekerheid door te voeren. Om te beginnen lijkt een basisinkomen economisch gezien niet erg realistisch. Verder zijn er hoofdzakelijk drie redenen die mij ertoe brengen hierin een reële achteruitgang te zien zowel vanuit levensbeschouwelijk als vanuit sociaal oogpunt.

Hoe betalen?

Het eerste probleem is financieel. Vandaag bedragen in België de uitgaven voor de sociale zekerheid – voor werkloosheidsuitkeringen, pensioenen, gezondheidszorg en de kinderbijslag – en de sociale toelagen van OCMW’s samen een goede 72 miljard euro. Laat ons er even van uit gaan dat we 11 miljoen Belgen een basisinkomen willen geven van 800 euro – wat zeer weinig is om van te leven – met eventueel nog een variatie in functie van leeftijd of inkomsten uit eigendom. Een kleine berekening maakt al snel duidelijk dat dit een uitgave betekent van 105,6 miljard euro. De totale som van de inkomsten uit belastingen (110 miljard) en sociale bijdragen (50 miljard) bedraagt in België 160 miljard. Voor een minimale financiering van het basisinkomen zou de staat dus tweederde van zijn inkomsten aan deze uitkering moeten besteden. Vermenigvuldigen we dit bedrag maal twee, wat ongeveer neerkomt op het minimumloon, komen we aan 211,2 miljard euro. Heel wat meer dan het totale overheidsbudget, zelfs breed gerekend, zoals de Europese autoriteiten doen. Tenzij je de belastingen fors verhoogt, zou er niets overblijven voor onderwijs en andere diensten. Of je moet iedereen fors laten betalen voor sociale diensten, openbaar vervoer, onderwijs enzovoort. Wat zeker niet de bedoeling is van de voorstanders ter linkerzijde van deze uitkering. Zelfs met een miljonairstaks die 8 miljard zou opbrengen, is het niet mogelijk om iedereen een inkomen te betalen dat de noodzaak te werken praktisch volledig overbodig maakt. De meeste voorstanders stellen voor de uitkering te financieren met een gedifferentieerde verhoging van de BTW (minder voor de basisproducten, meer voor luxeproducten). Blijkbaar hebben ze geen oog voor de onrechtvaardigheid van een dergelijke maatregel. Die treft de lagere inkomens veel zwaarder dan de hoge inkomens. Sommigen zien in die hogere BTW een geschikt middel in de strijd tegen de ‘overconsumptie’. Het is hoe dan ook een onrechtvaardige maatregel.

Basisinkomen of sociale zekerheid?

Een ding is wel bijzonder treffend. Het model van het basisinkomen komt op het toppunt van zijn populariteit precies op een ogenblik dat de belangrijkste instituten ter verspreiding van de neoliberale leer ijveren voor de vernietiging van onze sociale zekerheidsstelsels. De sociale zekerheid zoals wij die kennen, is een erfenis van de klassenstrijd, van de strijd voor sociale bescherming tegen de willekeur en de gevaren van het kapitalisme. Ze is de vrucht van de strijd tegen de kapitalistische uitbuiting die tracht de arbeidskosten zo laag mogelijk te houden om een zo vet mogelijke meerwaarde te kunnen accumuleren.

In principe zijn er drie manieren om de sociale bescherming te financieren: via spaarcenten die aangroeien tot een kapitaal dat interest opbrengt, via belastingen waarbij dan de staat aan zet is en via het afhouden van een bijdrage op het loon wat aanleiding geeft tot paritair beheer. In het systeem dat de arbeidersbeweging eiste en dat na de Tweede Wereldoorlog werd uitgewerkt, zijn het hoofdzakelijk de sociale bijdragen die de sociale bescherming financieren, dat wil zeggen via ons loon en niet via het kapitaliseren van ons spaargeld. We maken gebruik van het indirecte loon (de sociale bijdragen) voor de financiering van de collectieve sociale bescherming. Dankzij die socialisering van het loon kunnen we het jaarlijks verlof, de gezondheidszorg, de pensioenen, de werkloosheid, opleiding en bijscholing financieren. Arbeid verschaft dus niet alleen een inkomen, maar ook allerlei sociale rechten. In een socialistische visie is het de bedoeling dat dit ‘collectieve’ of gesocialiseerde inkomen geleidelijk een steeds grotere plaats inneemt in het totale inkomen.

De sociale zekerheid werkt als een soort systeem van inkomensverdeling. De overheid int bijdragen die worden ingehouden op het loon van wie werkt. Ze herverdeelt dat geld aan wie vandaag op pensioen is, ziek is of werkloos. Het systeem berust op twee basisprincipes, dat van solidariteit en dat van verzekering.

De solidariteit houdt in dat de inkomsten in een gemeenschappelijke kas gaan en vervolgens besteed in functie van de behoeften. Sommigen trekken er minder uit terug dan ze erin gestopt hebben, anderen dan weer meer. De eerste vorm van solidariteit gaat uit van de collectieve zorg voor wie omwille van ziekte, ongeval, werkverlies of ouderdom het meest behoefte hebben aan ondersteuning en een inkomen. De tweede vorm is de solidariteit die ontstaat tussen de verschillende generaties. Een gedeelte van het loon (de bijdragen voor de sociale zekerheid) van wie vandaag werkt, wordt niet verdeeld als direct loon, maar toegekend bij wijze van pensioen aan de voorgaande generatie. Ten slotte bestaat er ook nog een vorm van verticale solidariteit. Je draagt niet bij in verhouding tot het risico dat je loopt, maar in verhouding tot het bedrag dat je verdient.

Daarnaast speelt bij de uitkeringen het verzekeringsprincipe. Wie recht heeft op een uitkering, ontvangt een inkomen in verhouding met het loon dat hij of zij moet ontberen. Op die manier verzekeren we in zekere mate het behoud van het levensniveau. De verhouding tussen deze uitkering en het vroegere loon heeft een naam: het vervangingspercentage of de relatieve uitkeringshoogte.

Het ging bij dit alles niet alleen om het bekomen van de invoering van een verplichte zorgverzekering, maar ook om de meest efficiënte financierings- en beheersmodaliteiten. Het systeem wordt in heel wat Europese landen paritair beheerd door vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers.

Voor de patroons is het stelsel veel te duur en ze hebben nooit hun pogingen opgegeven om terug te keren naar alternatieve, minder veeleisende formules. Ze verspreiden de opvatting dat de verlaging van de bijdragen voor de sociale zekerheid ook in het voordeel is van de werknemers. ‘De sociale lasten zijn onhoudbaar geworden voor onze concurrentiepositie’, beweren ze. Ze willen af van deze indirecte loonlast. En de voorbije jaren hebben ze gekregen wat ze wilden.

Maar voor de werknemers maken de bijdragen voor de sociale zekerheid integraal deel uit van het loon, dat de arbeidersbeweging door haar strijd heeft afgedwongen van de patroon. Ja, we staan heel wat af aan indirect loon, maar we krijgen er ook veel voor terug als we het nodig hebben. Zonder de sociale zekerheid zou 40 % van de gezinnen onder de armoedegrens leven.

Het basisinkomen roept heel wat belangrijke principiële vragen op, tot en met de kwestie van de ontwrichting van de sociale rechten die voortvloeien uit arbeid.

Vervangingsinkomen of basisinkomen?

Laten we het belangrijkste voordeel, aangehaald ten gunste van het voorgestelde systeem, eens van naderbij bekijken: het onvoorwaardelijk karakter. De klassieke stelsels die we kennen, bieden een vervangingsinkomen en geen uitkering die iedereen krijgt. Heel concreet wil dit zeggen dat je dit pas krijgt als je je werk kwijt bent of niet meer in staat bent om te werken. Het is dus alleen bestemd voor de ‘niet-actieven’. Het basisinkomen echter krijgt iedereen, ongeacht inkomen en activiteit. Dit onderscheid is belangrijk, gezien het impliceert dat je het basisinkomen ook krijgt als je werkt.

Dit verschil heeft echter een aantal dubbelzinnige gevolgen. Als ieder mens individueel al een uitkering krijgt, dan is het loon alleen nog een aanvulling. En iets aanvullend kan altijd wel wat minder. Philippe Van Parijs zegt zelf dat het “de mogelijkheid schept om laagbetaalde werkzaamheden aan te bieden en te aanvaarden, een mogelijkheid die vandaag niet bestaat”.[6] Maar hij zegt er wel direct bij dat door de uitkering een ‘onderhandelingsmacht’ kan ontstaan. “De minder bevoorrechten kunnen zo goed en zo kwaad als mogelijk een onderscheid maken tussen interessant of veelbelovend werk en mensonwaardige arbeid.”[7] Het is natuurlijk het niveau van de uitkering die de zogenaamde onderhandelingsmacht bepaalt. Gaat het om een laag bedrag, dan is die ‘macht’ absoluut onbestaande. Je kunt er prat op gaan dat allerlei vormen van uiterst onzeker werk gaan opduiken die je moeilijk kunt weigeren. Mateo Alaluf verwijst naar een experiment van onderzoekers van DULBEA, het Departement Toegepaste Economie van de ULB. Zij deden in 1998 een simulatie oefening over de gevolgen van de toepassing in België van het systeem van het basisinkomen, uitgewerkt door Anthony Atkinson. “Het voorstel bestond erin aan elk individu zonder enige voorwaarde een vast bedrag te betalen gedeeltelijk of volledig ter vervanging van het stelsel van sociale bescherming. Zonder in detail te treden, kunnen we zonder enige twijfel besluiten dat bij onveranderlijke sociale uitgaven, ongeacht welke hypotheses we vooropstelden, de resultaten hoegenaamd niet overtuigend waren voor de invoering van een dergelijk systeem, noch voor de lage inkomensgroepen, noch wat betreft inkomensherverdeling.”[8]

We zouden ons al snel geconfronteerd zien met een situatie die Mateo Alaluf heel goed beschrijft. “Het zou uitkeringstrekkers verplichten werk te aanvaarden tegen om het even welke prijs om naast hun uitkering iets bij te verdienen. Resultaat zou een verslechtering van de arbeidsmarkt zijn, met een wildgroei aan slecht betaalde tijdelijke jobs. Zo draagt het onvoorwaardelijk basisinkomen bij tot het institutionaliseren van wat we met de woorden van Robert Castel het ‘precariaat’ noemen.”[9] We moeten erop wijzen dat het in een grote meerderheid van de versies die de ronde doen, inderdaad over een wel heel bescheiden basisinkomen gaat. Een fatsoenlijk basisinkomen is, zoals we al hebben aangegeven, onmogelijk te financieren. Als het systeem nu zou werken, zou het neerkomen op een subsidie aan de werkgevers. Het zou een deregulering van de arbeidsmarkt met zich meebrengen en bijdragen tot verpaupering en een duale samenleving.

Wat de mogelijkheid betreft om “te leven van een gewaarborgd inkomen om zich alleen of samen met anderen volledig te kunnen wijden aan zaken die je boeien en/of die je sociaal nuttig lijken”[10], die lijkt alvast niet erg realistisch. Integendeel, door het feit dat het maar om een heel matig onvoorwaardelijk basisinkomen gaat en door de noodzaak het aan te vullen, zou het monster van allerlei gedwongen en slecht betaalde banen wel eens snel om zich heen kunnen grijpen. Voldoende hoge sociale minima, een kortere arbeidstijd en inkorting van de beroeps-actieve periode lijken betere middelen om eigen, zelfstandige en nuttige vrijetijdsactiviteiten te ontwikkelen. Er valt trouwens te vrezen dat een basisinkomen los van betaald werk elke druk wegneemt bij de politici om de massale werkloosheid te bestrijden. Zelfs al zou een deel van de werklozen beter leven dankzij een dergelijke uitkering, dat zou het probleem van hun sociaal isolement nog niet oplossen. Ze zouden nog steeds niet erg veel sociale waardering krijgen. Want in een samenleving die haar rijkdom uit arbeid haalt, komt de zin van het leven, het sociaal statuut, een positief zelfbeeld, voort uit de plaats die je bekleedt in het actieve leven, uit je werk.

Om goed te begrijpen waar die populariteit van de eis vandaan komt, zowel bij links als bij rechts, maken we best even een ommetje in de geschiedenis.

Milton Friedman, een voorstander

Zonder enige twijfel zullen weinigen onder de huidige voorstanders van het basisinkomen dit weten. Maar de moderne versie van deze idee is onder meer afkomstig uit het alternatief voor de ‘Welfare State’, dat Milton Friedman in 1962 tot gemeengoed maakte in zijn beroemde werk Capitalism and Freedom en later nog veel uitgebreider in 1980 in Free to choose.[11] Dat alternatief is de negatieve inkomstenbelasting. Hoewel hij dit systeem niet heeft uitgevonden, heeft hij er toch in ruime mate toe bijgedragen om de formule hiervan in bevattelijke vorm uiteen te zetten. Het idee is relatief eenvoudig; de staat zou op individuele basis iedere persoon die onder een bepaalde drempel zit, een uitkering (een negatieve belasting) geven. Dat wil concreet zeggen dat onder een bepaald inkomensniveau de staat geld teruggeeft om zodoende een minimale inkomensvoet in te stellen. Er is geen kwestie meer van onderscheid tussen wie werkt en niet werkt, wie het ‘verdient’ of ‘niet verdient’, iedereen krijgt onder een bepaalde grens een aanvullend bedrag van de regering. Voor Milton Friedman gaat dit vanzelfsprekend gepaard met het stopzetten van alle openbare dienstverlening. Individuen rechtstreeks financieren geniet volgens zijn recept de voorkeur op het financieren van collectieve diensten. De uitkering is in zijn ogen dus een alternatief voor de openbare diensten, dat wenselijk is en dat de dynamiek van de markt versterkt. In Frankrijk komt vanaf 1974 het debat hierover op gang naar aanleiding van het werk van Lionel Stoléru, Vaincre la pauvreté dans les pays riches.[12] Stoléru is in die tijd technisch adviseur op het kabinet van Valéry Giscard d’Estaing. Hij verdedigt een radicale hervorming van de sociale zekerheid die hij vergelijkt met een weinig efficiënte zeef om de armoede te bestrijden. In zijn ogen kan dit systeem (met het betalen van een uitkering) de gevolgen van de armoede rechtstreeks aanpakken. We verliezen geen tijd meer met discussies over wie die mag krijgen.

In de Derde Wereld hebben ze heel wat geëxperimenteerd met allerlei beperkte versies van deze uitkering. Het leidt tot een bijzonder veelzeggende vaststelling. Rond de jaren 1990 treedt een belangrijke verandering op in het beleid voor ontwikkelingshulp aan derdewereldlanden. Van een gedachtegang die draaide rond ontwikkeling en het krijgen van rechten, is de strijd tegen de armoede nu de hoofddoelstelling.[13] De belangrijkste internationale organisaties (IMF, UNDP, VN…) stellen alles in het werk voor de “heroriëntering van het ontwikkelingsprogramma” in de richting van “uitschakeling van de armoede”.[14] In dit decennium wordt armoede de centrale uitdaging en raakt ‘basisinkomen’ in de mode als antwoord. We moeten deze evolutie situeren op de achtergrond van het einde van de Koude Oorlog. Het komt er op dat ogenblik op aan tabula rasa te maken van allerlei dogma’s uit het verleden, onder meer wat betreft de rol van de staat en de inkomstenherverdeling in het ontwikkelingsbeleid. Vanuit dit oogpunt “vormt de strijd tegen armoede, hoe paradoxaal dit op het eerste zicht ook mag lijken, een achteruitgang ten opzichte van de bestaande sociale bescherming zoals we die kennen in de westerse wereld en die ook min of meer embryonaal aanwezig is in de arme wereld”.[15] Het is trouwens interessant in dit verband de teksten te lezen van de belangrijkste internationale organisaties over dit onderwerp. Zo staat in de rapporten van de UNDP te lezen dat “indien we geneigd zijn het terugdringen van de armoede nog steeds te identificeren met de sociale zekerheid of met sociale bescherming dit wellicht uitgaat van goede gevoelens, maar in werkelijk toch inefficiënt is”.[16] In de ogen van de ontwikkelingsorganisatie is “sociale zekerheid misschien niet de beste manier waarop een ontwikkelingsland gebruik kan maken van de middelen waarover het beschikt”.[17] Dit maakt duidelijk dat de armoedebestrijding en het basisinkomen niets anders zijn dan liberale alternatieven voor de sociale zekerheid. Ze bieden geen “bescherming tegen de markt, maar een kans – en een plicht – om eraan te participeren. Precies omdat ze zich afkeren van een logica van sociale rechtvaardigheid. In die logica kan je immers de ongelijkheid en de herverdeling van de rijkdom niet terzijde schuiven.”[18]

Het is in die zin niet zo onschuldig als de allergrootste vermogens op deze aarde zich inzetten voor die strijd tegen de armoede of voor een vorm van basisinkomen in de wereld. Schijnbaar zonder enige tegenstrijdigheid nemen ze tegelijkertijd de verdediging op van de liberalisering van de openbare diensten in deze landen. Ze zijn voor de vernietiging van alle herverdelingsmechanismen voor de rijkdommen en loven de deugden van het neoliberalisme. Het is een hele nieuwe strategie. Het laat toe sociale vraagstukken op de politieke agenda te zetten zonder daarom de strijd te moeten aangaan tegen ongelijkheid en tegen de structurele mechanismen die deze veroorzaken. Het is een evolutie die perfect samengaat met het neoliberalisme. Het wil van de armen rationele economische werktuigen maken, maar weigert hen elke openbare dienstverlening. Liever een uitkering betalen dat hun collectieve rechten geven. Milton Friedman zou gelukkig zijn als hij het hoorde.

Dit wil natuurlijk niet zeggen dat voor die landen waar vaak helemaal geen sociale bescherming bestaat, de invoering van een gewaarborgd inkomen een slechte zaak zou zijn. Heel dikwijls kan dat het dagelijks leven van een boel mensen wel degelijk verbeteren. Maar om de hierboven aangegeven redenen stelt het toch wel een probleem als deze strijd in de plaats zou komen van de strijd voor een werkelijke sociale zekerheid en voor openbare diensten voor iedereen. Het gaat dus ook om een politieke en ideologische strijd. De vraag is welke visie op sociale rechtvaardigheid wij willen verspreiden. Ofwel vatten we het op als een strijd tegen ongelijkheid. Ofwel eisen we alleen maar een grens waaronder het echt onwaardig is om te leven.

Een technische benadering van het probleem

Hoe kan je trouwens een eis ernstig nemen waarvan de efficiëntie (naargelang de hoogte van de uitkering) afhangt van een politieke factor waarmee die eis helemaal geen rekening houdt! Probeer je dit eens in te denken. Wel een hoge uitkering invoeren en tegelijk alles doen om de vakbond te marginaliseren en de sociale zekerheid kapot te maken. Was die sociale zekerheid precies niet de belangrijkste instelling die de arbeidersbeweging heeft opgebouwd om onze rechten te verdedigen?

De vraag brengt ons rechtstreeks bij een andere kwestie. Het gaat niet alleen om het economische, maar ook (en dit wordt zelden benadrukt) om het politieke belang van onze sociale zekerheidsinstellingen en van het arbeidsrecht. (De vakbonden zijn betrokken partij bij alle beslissingen inzake sociale zekerheid…). Het basisinkomen is de vervanging van een bestaand systeem door een ander.

In het scenario van het basisinkomen is geen plaats meer voor vakbonden. Ze worden gewoon weggegomd uit de vergelijking. Het zegt iets over de uitermate technische benadering van sociale vraagstukken door de voorstanders van die uitkering. Los van enige notie over krachtsverhoudingen zou de maatregel uiteindelijk alle problemen vanzelf moeten oplossen (werkstress, lonen, werkloosheid…). Dat is natuurlijk een illusie. Met of zonder basisinkomen, het is nu eenmaal een feit dat het vooral de (politieke en sociale) krachtsverhoudingen zijn die bepalen of we sociale waarborgen kunnen behouden en nieuwe rechten kunnen veroveren. Het zijn nog nooit technische overwegingen geweest die bepaalden hoeveel het vervangingsinkomen (of een eventueel basisinkomen) mocht bedragen. Over het algemeen zijn dat de politieke krachtsverhoudingen. Hoe meer die in het voordeel zijn van de bezittende klassen, hoe meer de uitbetalingen inkrimpen. Hoe meer de krachtsverhouding overhelt naar de zijde van de georganiseerde lagen van de werknemers, hoe meer ze omhoog gaan. Geen rekening houden met deze kwestie en ondertussen totaal willekeurig allerlei bedragen naar voren schuiven (van de meest magere bedragen in de liberale versies tot hogere sommen in de linkse versies), toont hoezeer de verdedigers de hele discussie tot een zuiver technische kwestie hebben gemaakt.

Conclusie: basisinkomen of strijd tegen ongelijkheid?

Filosofisch gezien past het hier enkele vraagtekens te plaatsen bij die verschuiving in het publieke debat van het stellen van vragen over de bestaande ongelijkheden naar een discussie over armoede. Het is in die zin interessant op te merken dat Lionel Stoléru in dezelfde geest als Milton Friedman een fundamenteel filosofisch argument gebruikte door een verschil te maken tussen een politiek die streeft naar gelijkheid (die hij socialisme noemt) en een beleid dat gewoon de armoede wil uitroeien zonder de inkomensverschillen op zich in vraag te stellen (liberalisme). Volgens hem “kunnen de dogma’s […] aanzetten om ofwel te kiezen voor een beleid dat de armoede afschaft, ofwel voor een beleid dat tracht een maximum vast te leggen voor het verschil tussen rijken en armen”.[19] Hij noemt dat de ‘grens tussen absolute armoede en relatieve armoede’.[20] Absolute armoede verwijst gewoon naar een arbitrair bepaald niveau (waaraan dan de negatieve inkomstenbelasting of het basisinkomen beantwoorden). Relatieve armoede verwijst naar de algemene verschillen tussen de individuen (tot wie de sociale zekerheid en de sociale staat zich richten). In de ogen van Stoléru is de markteconomie wel in staat acties te integreren van strijd tegen de absolute armoede, maar niet in staat om te sterke remedies tegen de relatieve armoede te verteren.[21] Sociale zekerheid, dat is natuurlijk niet het socialisme.

Toch vormen volgens Stoléru de ongelijkheden op zich geen probleem in de mate dat ze investering en groei toelaten. “Als we aan de ‘bovenkant’ raken, dan treffen we de dynamiek van de markteconomie in zijn hart, haar capaciteit om te investeren, te creëren, de investeringen te kiezen…”, zo schrijft Stoléru. Dat doen zou dus “de concurrentie-economie tegelijk haar kompas afnemen die haar stuurt en de springveer die haar op gang slingert, en dat is dus haar lot in handen geven van de staat. De staat het lot van de economie laten bepalen, dat is wat ik het socialisme noem.”[22] Daarom, zo gaat zijn redenering verder, “geloof ik dat het onderscheid tussen absolute armoede en relatieve armoede in feite neerkomt op het onderscheid tussen kapitalisme en socialisme…”[23] Recente werken zoals van Thomas Piketty of Richard Wilkinson hebben aangetoond hoe deze theorie in de praktijk de verdeling rechtvaardigt van de rijkdommen in de maatschappij in de richting van het één percent rijksten ten nadele van de grote massa die van hun werk moeten leven of geen werk meer hebben. Maar we denken ook niet, zoals Stoléru beweert, dat de sociale zekerheid kan leiden tot een kapitalisme zonder crisissen, zonder werkloosheid. De sociale zekerheid kan wel een buffereffect hebben: dankzij de uitkeringen van de sociale zekerheid daalt de koopkracht van de mensen niet zo sterk als ze ziek zijn of op pensioen of werkloos. En dat is noodzakelijk als we willen dat de werknemers een waardig leven kunnen lijden. Hevige crisissen zal dat evenwel niet beletten. En in deze crisissen, zoals vandaag, liggen de sociale zekerheid, de pensioenen, de werkloosheidsuitkeringen en de ziekteverzekering, alle dagen onder het spervuur van het patronaat. Net als de nood aan sociale zekerheid het hoogst is. Dit wijst op het betrekkelijke en voorlopige karakter van sociale verworvenheden onder het kapitalisme en op de noodzaak deze dag na dag te verdedigen.

De populariteit van het basisinkomen is in werkelijkheid kenschetsend voor de triomf van de neoliberale ideologie. Een ideologie die het vertikt om in om het even welk sociaal beleid de bestaande ongelijkheden tot een centraal thema te maken van onze democratieën. In de grond gaat het om een strijd, een illusoire strijd, tegen de armoede zonder serieus de ongelijkheid te bestrijden.

Wat we vandaag nodig hebben is dus niet een basisinkomen, maar een uitbreiding van onze sociale zekerheid. Langs alle kanten aangevallen, moeten we haar versterken en niet vernietigen. Het stelsel van het basisinkomen heeft immers niet het monopolie op de individualisering van de rechten en het van elkaar loskoppelen van inkomen en arbeid (denk aan de pensioenen, aan de werkloosheid…). We moeten bestaande leemtes in deze rechten natuurlijk ernstig nemen en opkomen voor de individualisering van de sociale rechten, voor het optrekken van sociale minima tot het niveau van de armoedegrens en voor de versterking van het collectief karakter van ons stelsel. Laat ons dus, in plaats van de langzame ontmanteling van onze sociale zekerheid als een onontkoombare werkelijkheid te zien, vechten om ons stelsel nog ambitieuzer weer op te bouwen.

Daniel Zamora Vargas (dzamora6 at gmail.com) is socioloog en onderzoeker bij het Fonds national de recherche scientifique (FNRS, ULB) en het Instituut voor Marxistische Studies.


[1] Mona Chollet, Imaginer un revenu garanti pour tous, mei 2013. www.monde-diplomatique.fr/2013/05/CHOLLET/49054.

[2] Idem.

[3] Idem.

[4] Philippe Van Parijs, “Allocation universelle, une idée simple pour le XXIe siècle”, in Jean-Paul Fitoussi en Patrick Savidan (dir.), Comprendre, nr. 4, “Les inégalités”, Parijs, PUF, oktober 2003, p. 155-200, Fr. vert. Solange Chavel, p. 7.

[5] Mateo Alaluf, “L’allocation universelle contre la protection sociale”, rtbf.be info, 14 juni 2013, http://www.rtbf.be/info/opinions/detail_l-allocation-universelle-contre-....

[6] Philippe Van Parijs, op.cit., p. 9.

[7] Philippe Van Parijs op.cit., p. 10.

[8] Mateo Alaluf, op. cit.

[9] Mateo Alaluf, op. cit.

[10] Mona Chollet: “Imaginer un revenu garanti pour tous”, mei 2013. www.monde-diplomatique.fr/2013/05/CHOLLET/49054

[11] Zie: Milton Friedman, Rose Friedman, Free to choose : A personal statement, Harcourt Brace Jovanovich, New York, 1980, p. 97.

[12] Lionel Stoléru, Vaincre la pauvreté dans les pays riches, Flammarion, Parijs, 1974.

[13] Francine Mestrum, Mondialisation et pauvreté, L’Harmattan, Parijs, 2002.

[14] Ibid., p. 13.

[15] Ibid., p. 23.

[16] UNDP, De armoede van de mensen overwinnen, Rapport van de UNDP Armoede 2000. New York, UNDP, 2000, p. 42-44.

[17] UNDP, Wereldverslag over de ontwikkeling van de mensheid, Parijs, Economica, 1991, p. 55.

[18] Francine Mestrum, op. cit., p. 24.

[19] Lionel Stoléru, op. cit., p. 237.

[20] Ibid., p. 286.

[21] Ibid., p. 287.

[22] Ibid., p. 289.

[23] Ibid., p. 286.